VII.

Dof klonk het geluid van de voetstappen op den hard bevroren grond,

en bij iederen stap klikten de schaatsenijzers tegen elkaar. -- Uit

de kleine zakjes keken vroolijk de gele ijskaarten met de roode

koordjes, met opzet maar half weggestoken door de jongens, om aan

iedereen te laten zien dat ze naar de ijsbaan gingen.

Zoo vlug mogelijk hadden Piet en Eduard aan de koffie hun

boterhammen naar binnen gewerkt, en daarna waren ze er met hun

tweeën van door gegaan, de schaatsen in de eene hand en de andere

hand in hun zak, flink doorstappend, en telkens glijdend over de

bevroren plassen. -- Tom en Lineke hadden hen verlangend nagekeken,

teleurgesteld omdat ze niet mee mochten, en Tommy had er nog half

een scène om gemaakt, maar Tante Lina had het te koud voor ze

gevonden, en had ten slotte met een "morgen mogen jullie, als 't

niet zoo waait," een eind aan 't gezeur gemaakt.

En 't wás koud. -- Een ijzige wind blies door alles heen, en Eduard

twijfelde er eigenlijk aan of zijn Vader hem zou hebben laten gaan;

maar Tante Lina had het goed gevonden dat hij en Piet gingen en

daarom dacht hij er verder maar niet over.

"'t Zal een fijne Zaterdagmiddag worden," zei Piet, en hij bukte

zich om een steen op te rapen.

"Nou! En we zijn zoo lekker vroeg!" Eduard bleef staan om te zien

hoe Piet met een fermen zwaai de steen op het ijs in den singel

gooide, en met innig vergenoegde gezichten keken ze er samen naar

hoe de steen even voortschoof over 't ijs en toen bleef liggen.

Een eindje verder vloog een bonte kraai krassend op.

Bij de brug zag Piet opeens een van de jongens uit zijn klas, die

voor hen uitliep, de schaatsen onder den arm, en met een: "Daar heb

je Wouters, even hollen, dan gaan we met hem mee," zette hij het op

een loopen.

Wouters, een groote, forsche jongen, keek om toen hij het gehol

achter zich hoorde, en bleef toen staan wachten tot de jongens hem

ingehaald hadden.

"Zoo Verhey, ga je ook naar 't ijs?" begon hij, "gaat je broer

niet?"

"Die had les," bracht Piet hijgend uit.

"En is dát ook een broertje van je?"

"Nee, een neefje," zei Piet, en Wouters vervolgde, Eduard aanziende:

"Zeg jongen, hoe heet je?"

"Kerner," antwoordde Eduard kortaf.

"En waar ga je op school?"

"Bij Van Eerde."

"'n Rot school," merkte Wouters aan, en Eduard vroeg op zijn beurt:

"Waar ga jij op school?"

"Ik op de Burger. 'n Fijn hok! Zeg Verhey, heb je al van die scène

met Bakker in de tweede gehoord?"

"Ja, hij had zijn werk vergeten of zoo iets, is 't niet? Huug

vertelde er wat van; weet jij 't goed?"

"Nou, of ik! Holm, dat is die jongen, die bij ons in huis is, zit

naast Bakker, nou, en die deed 't verhaal natuurlijk in kleuren en

geuren! Holm is een leuke vent, en die Bakker is ook een echt type,

en dan zitten ze met hun tweeën op de achterste bank, dus je snapt

dat ze den heelen dag zitten te grinneken en geen steek uitvoeren."

"Ja natuurlijk."

"Nou is Holm nogal vlug, dus die rolt er meestal toch wel door, maar

Bakker is een uil, en gewoon fabelachtig lui, en daarom had hij zijn

Duitsche werk dan ook maar doodkalm niet gemaakt, met het plan, het

dan later wel eens van Holm over te schrijven, en toen de Mopneus

het werk ophaalde zei hij heel leuk dat hij zijn schrift vergeten

had."

"En toen?" vroeg Piet ongeduldig, toen Wouters even ophield en bleef

staan om de veters van zijn laarzen in te stoppen.

"Nou, Holm en Bakker zaten verder den heelen morgen op hun gewone

manier te grinneken, en daar gaat opeens om kwart over elf de deur

open. 'St, hou je mond,' zegt Holm bijwijze van mop, 'daar heb

je van Leeuwen, die komt vragen waar je Duitsche werk is!' Bakker

proestte het uit, maar plotseling verstomde hij toen van Leeuwen,

die echt binnengekomen was, opeens naast hem stond en bedaard vroeg:

'Bakker, heb je je huiswerk vergeten?' Bakker was opeens zoo tam als

wat, en fluisterde dood verschrikt: 'Ja, meneer!' en van Leeuwen

commandeerde heel plechtig: 'Ga 't dan halen!'"

Piet was een en al belangstelling, en ook Eduard luisterde met

groote oogen.

"Nou, Bakker keek in wanhoop naar Holm, en die schoof hem ongemerkt

over de bank het Duitsche boek toe, en dat heeft Bakker toen, hoe

snap je niet, maar op de een of andere manier nog in zijn zak weten

te moffelen, en toen is hij naar huis gegaan, hollend natuurlijk, en

heeft daar in een nieuw schrift zijn thema opgeknoeid, zonder

uitgangen in te vullen, en juist toen de bel van twaalf uur ging was

hij terug."

"En wat zei van Leeuwen?"

"Niks nog, want Bakker gaf 't schrift stiekum aan Laatsemaar en is

er toen zoo gauw mogelijk van door gegaan. 'k Ben wel benieuwd hoe

't af zal loopen!"

"Ik ook, hij zal wel op zijn kop krijgen, denk je niet?"

"Nou, of-ie!"

Eduard had met steeds stijgende verbazing het verhaal aangehoord, en

zijn verwondering werd er niet minder op, toen een tweede en derde

geschiedenis van 't zelfde gehalte, die vroeger eens gebeurd heetten

te zijn, volgden, en toen Piet een paar Amsterdamsche schoolmoppen

opdischte, die aan 't ongeloofelijke grensden.

"Hé, jongens, wat schieten jullie met spek!" hoorden ze opeens

achter zich zeggen, en alle drie keken ze verschrikt om. 't Was

Brust, een lange jongen uit de vijfde klas Burgerschool, die al een

poosje achter ze had geloopen en ze nu lachend voorbijging. -- De

jongens hadden in 't vuur van hun gesprek zoo hard gepraat, dat 't

zelfs op een eerbiedigen afstand duidelijk te verstaan was.

"Och, hou je mond," riep Wouters, die 't eerst van de schrik bekomen

was en Brust wel kende.

"Zeker," zei Brust omkijkend, "'k zal 'm ten minste niet aan jou

geven, jij schettert al hard genoeg!"

Eduard begon te lachen, en Wouters snauwde nijdig: "Toe, kuiken,

bemoei je er niet mee!"

"'k Hoef jou toch niet te vragen of 'k mag lachen!" antwoordde

Eduard, en Piet vroeg knorrig, kwaad omdat hij midden in zijn

laatste verhaal gestoord was: "Waar is die ijsbaan nou eigenlijk?"

"Dat poortje daar moeten we door, en dan zijn we er dadelijk."

Achter elkaar liepen ze het poortje door en het smalle bruggetje

over, Wouters voorop, dan Piet, dan Eduard, en toen stonden ze op

een smal wegje tusschen grauw-witte weilanden, in de verte nevelig

samenvloeiend met de grijze winterlucht.

"Daar is de ijsbaan," zei Wouters, "achter den spoorweg."

Vol verwachting gingen de jongens onder de viaduct door; het glijden

van de schaatsenijzers over het gladde ijs was hier al duidelijk te

hooren.

Aan den ingang liet de controleur ze met een: "Kaarten zichtbaar,

jongeheeren!" doorgaan, toen volgde nog een rijtje lage boompjes, en

daar lag de ijsbaan voor ze.

Eduard bleef staan. -- Er waren nog maar weinig menschen, maar toch

was 't een leuk gezicht om ze daar met zoo'n gemak te zien

rondzwieren. Heerlijk, om het zoo goed te kunnen! Nu gauw aanbinden

en dan vlug, ineens wegrijden!

En hij holde Wouters en Piet achterna, die doorgeloopen waren, en nu

op de lange bank hun schaatsen zaten aan te binden.

Even keek hij er naar hoe Piet die dingen ook weer vastmaakte, want

hij was half vergeten hoe 't moest, toen plofte hij op de bank neer,

boog zich voorover en ging aan 't werk, de banden zoo stevig

mogelijk aantrekkend. -- De twee anderen waren al klaar toen hij nog

aan zijn eerste schaats bezig was, en hij keek er naar hoe ze druk

pratend en lachend samen wegreden, eerst even langzaam

voortschuivend, toen vlugger, met flinke lange slagen.

En toen eindelijk zijn tweede schaats was aangebonden stond ook hij

op, voorzichtig, om niet uit te glijden; wat een vreemd, raar

gevoel, om weer op schaatsen te staan! Nu durven en flink uitslaan!

Maar 't "flink uitslaan" bracht hem van de wijs; er volgden een paar

vergeefsche pogingen om te blijven staan, en toen maakte Eduard zijn

eerste buiteling. Maar dadelijk werkte hij zich weer overeind en

krabbelde verder; nu ging 't beter, al kwam hij nog maar langzaam

vooruit, en zonder verdere ongelukken schoof hij tusschen de

menschen voor de groote tent door. -- Nu de heele baan om rijden!

Moedig begon hij en dapper hield hij vol, en hij deed zijn best niet

te denken aan de akelige pijn, die hij al heel gauw in zijn enkels

voelde. Telkens bleef hij even staan om uit te rusten of om een van

zijn schaatsen recht te duwen, en dan probeerde hij weer om vooruit

te komen en uit te slaan.

Al een paar keer waren Wouters en Piet hem voorbij gereden, en

Eduard had ze nagekeken, alsof hij daarmee te weten kon komen hoe ze

't toch aanlegden om zulke lange slagen te maken.

"Dat Kernertje kent er nog niet veel van," hoorde hij Wouters

zeggen, die hem weer met een sierlijken zwaai voorbij gleed.

Eduard was voor 't laatste gedeelte van de baan blijven staan,

rondkijkend, en niet goed wetend wat te beginnen, want de wind stond

pal op dit laatste eind, en zijn schaatsen zaten ellendig los.

"Dat zegt hij zeker expres zoo hard," dacht Eduard kwaad, en hij

bukte zich om de schaatsen-banden wat stijver aan te halen. 't Ging

erg lastig, staande, en daarom ging hij maar even op het ijs zitten;

't was wel een minder gemakkelijke houding, maar dat moest je er

voor over hebben, en toen hij weer stond tobde hij nog wel lang met

den harden wind maar hij bereikte toch het eind van de baan.

Nu even uitrusten, en dan weer verder rijden!

Eduard was blij, toen hij een poosje later Theo de Beer ontdekte,

die nu ook niet bepaald een held op de schaatsen was, en juist met

een kleur van inspanning de vreemdste bewegingen maakte.

"Theo!" riep hij.

Theo, een donkere krullebol, keek zoekend rond, tot hij eindelijk

Eduard in het oog kreeg, die zoo gauw mogelijk naar hem toekwam.

"Wat leuk dat je hier ook bent!" zei Eduard, toen hij naast Theo

stond. "Ben je hier alleen?"

"Ja, maar Moeder zou me straks komen halen. -- Ben jij hier alleen?"

"Nee, met Piet, m'n neefje, maar die rijdt al zoo vreeselijk goed!"

"O. -- Moppig dat je me zag, 't is veel gezelliger met je tweeën dan

in je eentje, en nu kunnen we verder den heelen middag bij elkaar

blijven!"

"Ik zie verder bijna niemand van onze school, jij? Ik begrijp niet

waar ze allemaal zitten!"

"Een paar heb ik straks toch gezien, Groeneveld en Van der Wege en

Wim Reinders, maar 't is ook zoo bar koud!" zei Theo, tegen zijn

handen blazend.

"Nou! Laten we doorrijden, zeg, anders bevriezen we!"

En verder gingen ze, om 't hardst met hun armen zwaaiend en hun

oogen half dichtgeknepen tegen den fellen wind, en luid klonken

telkens hun heldere, hooge stemmen als ze elkaar iets toeriepen.

"Zeg Eduard! 't vriest nog acht graden!"

"Wat?"

"Dat 't nog acht graden vriest!"

"Hoe weet je dat?"

"Op de thermometer, daar tegen de tent aan, bij de kleine baan!"

"Is 't daar leuk, op die kleine baan?"

"Welnee, sloom! 'k Heb er daarnet ook nog even gereden, maar daar is

't zulk gemeen ijs, daar ga ik niet weer naar toe!"

"'k Had je vanmorgen nog willen vragen of je ook naar 't ijs ging,

maar onze afdeeling was zoo akelig laat uit, en toen zag 'k je

nergens meer!"

"Nee, 'k was dadelijk naar huis gegaan om gauw te vragen of 'k mocht

gaan rijden, en eerst vond Pa 't maar half goed, en toen heeft

Moeder bedacht, dat Moeder hier in de buurt een visite kon gaan

maken, en toen mocht 't!"

"Hoe laat komt je Moeder je halen?"

"Om half vier zoowat, geloof ik, hoe laat moet jij weg?"

"Om half vijf moeten we thuis zijn, en om even over vier ...."

Hij hield op want Theo viel plotseling, en toen Eduard hem helpen

wilde met opstaan, haakten hun schaatsen in elkaar en hij kwam naast

Theo op 't ijs te land.

[Illustratie - 11_schaatsen.jpg]

Lachend krabbelden ze weer op, en duidelijk waren de sporen van hun

val te zien. -- Bij de tent bonden ze hun schaatsen weer wat vaster,

en opnieuw reden ze de baan op; wel gleden ze nog telkens uit, maar

ze waren over de eerste moeheid heen en 't ging heusch al wat beter

dan straks.

"Theo!"

"Nou?"

"'k Heb vanmorgen een briefkaart van Vader gekregen."

"Leuk, zeg! Waar vandaan?"

"Uit Bazel;" en toen Theo verder zweeg: "Wil je eens zien?"

"Heb je hem bij je?" vroeg Theo verwonderd.

Eduard haalde uit zijn zak de briefkaart te voorschijn; Theo kwam

naast hem staan, en aandachtig kijkend bogen de jongenshoofden zich

over het Bazelsche stadsgezichtje.

"Aardig, zeg!"

"Ja." -- En zonder verder iets te zeggen stak Eduard de briefkaart

weer in zijn zak.

Theo stootte hem aan. -- "Kijk eens!" 't Was een heele sliert groote

jongens achter elkaar, die met veel gejoel voorbij gleed, en Eduard

zag dat Piet en Wouters er ook bij waren.

"Wat gaat dat dol," zei hij, en terwijl hij ze nakeek dacht hij er

over hoe leuk 't zou zijn als hij 't eenmaal zóó kende!

Theo was met zijn gedachten al weer bij een ander onderwerp.

"Waarom komt Meertens niet?"

"Meertens? O, die mocht niet omdat hij zoo vreeselijk verkouden was.

-- Er zijn wel tien jongens uit onze klas verkouden, bij jullie

ook?"

"Bij ons wel vijftien!"

't Speet Eduard toen Theo's Moeder om kwart voor vier op de ijsbaan

verscheen om Theo te halen. Mevrouw de Beer vroeg nog of Eduard

meeging, maar de de Beers woonden eigenlijk toch den anderen kant

uit, en hij vond het dus maar beter te wachten tot Piet straks

meeging.

Hij reed nog wat alleen rond, maar 't was nu niet half zoo leuk

meer, en 't werd nog veel kouder ook.

Om vijf minuten over vier bond hij af. Wat deden zijn voeten pijn

toen hij weer stond! Voorzichtig bleef hij op 't ijs heen en weer

loopen om Piet aan te klampen, en toen hij hem eindelijk zag liep

hij op een sukkeldrafje naar hem toe. "Ga je mee, zeg?" vroeg hij.

Piet, die in een echte pret-stemming was, keek Eduard ontevreden

aan. "Al mee?" herhaalde hij, "dank je feestelijk, hoor, 't wordt

hier nou juist leuk!"

"Maar we moesten om half vijf thuis zijn!"

"Nou, wat kan mij dat bommen?"

"En ik heb al afgebonden!"

"Wat geeft dat? Dan bind je maar weer aan!" en lachend reed Piet

door.

Eduard had geen zin om weer aan te binden. Bij iederen stap die hij

deed voelde hij de tintelende pijn in zijn voeten, en rillend bleef

hij op 't houten platform voor de tent staan, rammelend met zijn

schaatsen en telkens op de klok kijkend.

Aldoor gingen er menschen weg, en telkens zag hij Piet weer

voorbijrijden, pratend en lachend met de andere jongens. -- Wanneer

zou hij nu toch eindelijk mee willen! Ze kwamen natuurlijk veel te

laat thuis! Zou hij maar vast weggaan?

Toen Piet weer langs de tent reed riep Eduard hem.

"Ik ga naar huis."

"Doe wat je niet laten kunt, maar ik ga nu anders dadelijk mee, nog

één baantje!"

Eduard wachtte op 't eene baantje, waar Piet blijkbaar drie maal

rond mee bedoelde. Maar toen had hij dan ook met ongelooflijke

vlugheid zijn schaatsen afgebonden.

"Nou hollen!" zei hij met een haastigen blik op de klok. -- 't Was

over half vijf.

En Eduard holde mee.

"Laten we toch wat lángzamer loopen," riep hij eindelijk, toen ze 't

nauwe poortje weer door waren, "mijn voeten doen zoo'n pijn."

Piet vond dat je juist lekker warm werd van hollen, en dat die pijn

straks wel zou overgaan, maar toch matigde hij het tempo wat.

't Was bijna donker toen ze thuis kwamen, maar niemand maakte er

aanmerking op. Tante Lina was uit, en kwam pas een kwartier later

thuis, Oom Tom zat in zijn kamer, de juffrouw was boven met de

kleintjes en ook Hugo was onzichtbaar. --

Aan 't eten deed Piet opgewonden verhalen over 't prachtige ijs.

"Zoo, je hebt dus plezier gehad," zei Oom Tom eindelijk, "en mijn

buurman, vond die 't ook prettig? Wel jongen, je hebt er een kleur

van!"

Eduard lachte. Zijn wangen gloeiden nu. "Ja Oom, het was heerlijk!"

verklaarde hij.

"Mooi zoo! En ben je dikwijls gevallen?"

"Twee keer!"

"Och," viel Piet in, "dat komt omdat hij niet durft! Verbeeld je dat

je er nog niets van kent en dat je dan maar twee keer valt! Twintig

of dertig keer moet je vallen, dan leer je het tenminste!"

"'t Vallen zeker!" zei Eduard verontwaardigd. -- Dat hij niet zou

durven was natuurlijk groote onzin. Net of 't hem iets kon schelen

om te vallen! Daar gaf hij nou geen cent om! Maar in ieder geval:

leeren moest en zou hij het, en liefst zoo gauw mogelijk! -- Wat zou

Vader 't ook leuk vinden als zijn jongen 't volgend jaar goed kon

schaatsenrijden!

Eduard Kerner · 第 19 / 42 题