"Wat zie je dan?" vroeg Bep deftig.
"Iets blauws."
Bep keek om zich heen.
"De gordijnen?"
"Nee."
"'t Behang?"
"Nee."
"'t Tafelkleed?"
"Nee."
"Dit blauw?" En Bep duwde haar wijsvingertje op een stukje blauw in
't kleed op den grond.
"Nee."
"Iéts van dat blauw?"
"Nee, heelemaal niet; 't is ook niet donker maar lichtblauw!"
Beppie keek nog eens rond. "O, 'k weet het al!" riep ze met haar
hoog stemmetje, "dat blauwe jurkje van dat kindje op dat
schilderij!"
Eduard keek er naar en lachte; 't heele poppetje was niet grooter
dan zijn duim. "Nee."
"'t Stukje lucht dan?"
"Ook niet." En nog eens herhaalde Eduard, nu sterk den nadruk
leggend op de vier laatste woorden: "'k Zie 'k zie, _wat jij niet
ziet!_"
"Zie ik 't echt niet?"
"Nee," lachte Eduard, "je ziet 't echt niet."
"Ja, maar kán ik het niet zien?"
"Nee, je kunt het zelf niet zien!"
"En zie jij 't dan wel?"
"Ja, ik wel."
Bep greep naar haar krullen. "Mijn haarlint?" vroeg ze, en ze trok
aan de strik.
Eduard knikte lachend, en Bep schudde haar krullen weer naar
achteren. "'t Was moeilijk," zei ze ernstig, "maar ik vind toch dat
ik het erg gauw geraden heb, jij niet?"
"Ja, erg gauw; nu moet jij opgeven!" Beppie keek Eduard even
nadenkend aan, en begon toen te lachen. Toen keek ze met een
eigenwijs gezichtje naar de deur, naar de muur, en naar 't plafond,
en zei langzaam, steeds naar boven kijkend: "Ik zie, ik zie, wat jij
niet ziet!"
"Wat zie je dan?"
"Iets bruins!"
Eduard was plotseling in een andere stemming vervallen. -- "Iets
bruins, iets bruins?" begon hij, "er is hier niets bruins!" En naar
boven kijkend: "je dacht zeker dat 't daar boven bruin was, he? Maar
dat heb je lekker mis, hoor, dat dacht je maar, of je hebt met je
neus gekeken, want dat is wit, en dat _blijft_ wit!" En met zijn
handen om zijn knieën geslagen, half achteroverhangende, keek hij
Bep plagend aan.
Beppie gierde het uit van pret. "Dommerd!" riep ze, "jij kijkt zelf
met je neus! Zie jij hier niets bruins? Haast alles ziet hier
bruin!"
Eduard keek haar bedenkelijk aan en krabde zich achter zijn oor. --
Toen begon hij, steeds malle gezichten trekkend, achtereenvolgens al
de meubels in de kamer op te noemen, en lachend schudde Bep haar bol
bij iederen nieuwen stoel dien hij aanwees.
"Beppie! 't Is bedtijd!" klonk de stem van de juffrouw uit de
achterkamer. Bep hoorde 't niet eens, verdiept als ze was in haar
spel.
"Bep, ga je mee naar boven?" De juffrouw was door de openstaande
suite-deuren naar het tweetal op het haardkleed toegekomen.
"Nog heel eventjes, toe Juf?" smeekte Bep, en tegen Eduard: "Heb je
't nu nóg niet geraden?"
De juffrouw stak Bep haar beide handen toe, en 't kleine ding liet
zich optrekken; toen greep ze Eduard stevig bij zijn mouw vast om 't
naar bed gaan nog even te verschuiven.
"Ik geef 't op, Bep!"
"Geef je 't op?" kraaide Beppie, aan een hand met de juffrouw
meeloopende, en omkijkende: "'t Zijn je oogen, jouw eigen oogen!"
Lachend stond Eduard op, en langzaam volgde hij ze naar de
achterkamer, waar kleine Bep aan 't nachtzoentjes uitdeelen was.
"Dat is een leventje, he Prul?" en vroolijk tilde de Kapitein zijn
jongste dochtertje in de hoogte; "ik geloof dat die neef van jou een
bovenste beste speelkameraad is! Je mag hem wel heel hartelijk
bedanken, hoor!" Toen zette hij haar weer op den grond, en Bep
trippelde naar haar Moeder toe. Tante Lina hield haar hand even
tegen Beppie's wang. "Kindje, wat ben je warm!" En tegen de
juffrouw: "Zouden we haar niet wat om doen in dat koude huis? Neemt
u dien grooten doek maar uit de gangkast!"
De juffrouw verdween om den doek te halen, en Bep zoende Tommy en
Lineke en kwam toen met een vooruitgestoken mondje naar Eduard toe;
hij voelde opeens dat hij een kleur kreeg toen hij zich naar haar
toe boog. -- "Dank je wel dat je zoo prettig met me gespeeld hebt,
Eetje!" zei ze. En toen werd ze door de juffrouw in den grooten
wollen doek gepakt en mee naar boven genomen.
De Kapitein liet Tommy verder lezen en ook Lineke verdiepte zich
weer in haar boek. Eduard bleef nog even bij de tafel staan niets
doen, zijn handen in zijn zakken.
Tante Lina had al een paar keer opgekeken. -- "Jongen, ga wat
uitvoeren!" zei ze eindelijk; "heb je niet gezegd dat je nog een les
moest leeren?"
"Ja Tante, moet ik dat hier doen, offe ....?"
"Ga maar bij Hugo en Piet zitten, daar zit je rustiger dan hier."
Eduard trok naar de leerkamer, waar hij 's middags ook al had zitten
werken, en waar zijn neven nu bijna de heele tafel in beslag hadden
genomen. "Kan ik hier ook zitten, zeg?" vroeg hij met een
twijfelachtig gezicht naar den rommel kijkend, en Hugo schoof zonder
op te kijken een paar boeken op zij. -- Piet, die wanneer hij zat te
werken blij was met iedere variatie, was opgestaan, en zette nu met
een sierlijke buiging een stoel voor Eduard neer. "Zeker meneer,
zeker!" zei hij gedienstig, "gaat u zitten, meneer!"
Een oogenblik had Eduard lust, hem een klap te geven, maar hij
bedacht zich juist bijtijds, en zonder iets te zeggen bukte hij
zich, om uit zijn tasch zijn Fransch boek op te visschen. Toen zocht
hij zijn les op en begon te leeren.
Piet was weer gaan zitten en had zijn bezigheden voortgezet, die
hoofdzakelijk bestonden uit het illustreeren van zijn
geschiedenisboek. Al gauw zat Eduard er naar te kijken.
"Mooi, vind je niet?" begon Piet, hem het boek onder zijn neus
duwend. Eduard lachte even om de malle poppetjes.
"Dat is Kreek," legde Piet uit, "weet je wie Kreek is?"
"Nee?"
"Dat is de oppasser. Die heeft precies zoo'n neus en hij steekt
altijd net zoo mal z'n duimen vooruit; je moet morgenochtend maar
eens opletten!" Piet wees op een ander poppetje. "En weet je wie dat
is?"
"Nou?"
"Dat is 'Laat ze maar' als hij aan 't schaatsen-rijden is."
"Wie?"
"'Laat ze maar.' Dat is de concierge, hij heet Metselaar, maar van
Leeuwen .... weet je wie van Leeuwen is?"
"Ja, de directeur, is 't niet?"
"Ja, nou, we noemen hem altijd 'Leeuw' natuurlijk, en die praat zoo
gemaakt, en dan roept hij door de gang 'Máatselaar,' en dan draaien
wij het om, 'Laatsemaar' of 'Láat ze máar.' Geestig he?" en zonder
op antwoord te wachten: "Nou, hij laat ons ook altijd maar, als hij
ziet dat je er aankomt wacht hij altijd met bellen."
"Bij ons niet," zei Eduard, "Beek is een echt mispunt en als hij
ziet dat je er aankomt doet hij gauw de deur voor je neus dicht en
dan holt hij hard naar de bel, en dan ben je natuurlijk te laat, en
...."
"Houden jullie nu toch je monden!" viel Hugo nijdig uit, "die
algebrasommen zijn toch al zoo ellendig lastig, en dan dat gezanik
van jullie nog!"
Eduard zweeg verschrikt, en keek strak in zijn boek, maar Piet liet
zich door zoo'n kleinigheid niet van de wijs brengen. Hij was aan
dergelijke terechtwijzingen van zijn broer gewoon. "Nou, heb maar
zoo'n lèf niet!" zei hij, en na een minuut of vijf half fluisterend:
"Zeg Eduardje!"
Eduard keek hem aan.
"Is die ijsbaan hier nogal leuk?"
Eduard haalde zijn schouders op.
"Weet je 't niet? Ben je er nooit geweest?"
"Nee."
"Waar heb je dan schaatsen gereden?"
"Nou, op slootjes en zoo."
"O;" Piet keek even minachtend; "vervelend zeker?"
"Nee, juist erg leuk, met Vader!"
"In Amsterdam was 't moppig, 'n prachtige groote ijsbaan, tien
minuten van ons huis af; fijn man!"