V.

't Was een vroolijk span, Tantes zestal.

Hugo was de oudste. Hij was veertien jaar, zat in de derde klas H.

B. S., werkte hard, en commandeerde de kleintjes.

Piet was een jaar jonger dan zijn broer, en nam het werken heel wat

luchtiger op. Hij was ook op de H. B. S., maar in de eerste klas, en

de andere jongens vonden hem "een leuke vent". Hij leerde heel

gemakkelijk, en vond het gewoonlijk niet de moeite waard, aan zijn

lessen veel tijd te besteden. Meestal keek hij ze even door, en

probeerde dan bij het overhooren zich er op de een of andere manier

handig uit te redden.

Dan volgde Lineke, een donker kind van tien jaar, die dol veel van

lezen hield, en die, wanneer ze in een boek verdiept was, niets meer

zag of hoorde van wat er om haar heen gebeurde. -- Ze was heel wat

rustiger dan zevenjarige Tommy, een ondeugende bengel, die zijn

Moeder en de kinderjuffrouw heel wat last bezorgde. -- Beppie was

een blond krulkopje met een vriendelijk snoetje en groote,

helderblauwe oogen, en dan volgde nog de benjamin, Broertje, een

stevige dikzak van drie, die zijn eigen willetje al graag deed

gelden, en in zijn koninkrijk, de groote speelkamer, onbeperkt

heerschte.

De jongens hadden hun stoelen aangeschoven, en Beppie had Eduard

meegetrokken naar haar eigen hooge kinderstoeltje, waar ze vlug

inklauterde. "Nu moet jij hier zitten, Eetje!" zei ze, op den stoel

naast zich wijzende.

Eduard lachte even tegen het grappige kleine ding, en keek toen

Tante aan, want hij begreep wel dat het niet de bedoeling was dat

hij op Oom Toms stoel ging zitten.

Tante Lina had zich naar hen toegekeerd. "Maar Bep," zei ze, "Edu

moet eigenlijk tusschen Piet en Lineke zitten, dat vindt hij

natuurlijk ook veel prettiger!" En van Beppie's teleurgesteld

gezichtje naar Eduard ziende: "Of wil je wel graag tusschen Oom en

Beppie inzitten, Edu?"

"Jawel Tante," antwoordde Eduard, om Bep plezier te doen, en Tante

zei haastig: "Nu, verzet de stoelen dan maar even en schuif die van

jullie wat dichter bij elkaar, dan zit Oom toch op zijn gewone

plaats."

De Kapitein was binnengekomen, en 't had Tommy, die aan zijn

verontwaardiging tegen Piet op handtastelijke wijze uiting gaf,

dadelijk doen bekoelen.

"Pa," begon hij, nog rood van kwaadheid, "Piet zegt, dat ik een uil

ben!" en met een triomfantelijken blik naar Piet: "en hij is er zelf

een!"

De Kapitein voelde niet veel roeping om uit te maken, wie van zijn

zoons een uil was. -- "Stil jongens!" zei hij, "wat moet je neef wel

van jullie denken!" en Eduard op den schouder kloppend: "Ben je niet

eerst bij vergissing naar huis geloopen, zeg?"

Maar Beppie liet hem geen tijd om te antwoorden.

"Paatje," vertelde ze, "Eetje wil liever tusschen Paatje en Beppie

zitten dan tusschen Piet en Lineke!"

De Kapitein begon hardop te lachen. "Zoo prul, dat is vleiend voor

ons, he?" zei hij, en met een komiek ernstig gezicht: "En Beppie wil

liever naast Eetje zitten dan naast Paatje!"

Beppie deed dadelijk haar best om 't weer goed te maken. -- "Beppie

wil ook wel tusschen Eetje en Paatje zitten!"

"Och, die arme juf!" zei Oom Tom hoofdschuddend. "Juf, hoort u 't,

dan hebt u bij Beppie afgedaan!"

Bep strekte haar handje naar juf uit. "Nee, heusch niet!" verzekerde

ze ernstig, en toen verlegen de tafel rondziende: "Beppie wil wel

naast allemaal zitten!"

Een uitbundig gelach volgde, en Bep keek verwonderd rond.

Broertje, die het niet geschikt vond dat er van zijn zusje zooveel

meer notitie werd genomen dan van hem, schoof met een boos gezicht

het bordje met de netjes in dobbelsteentjes gesneden boterham van

zich af, en verklaarde: "Ik wou niet meer eet."

Niemand lette op hem, behalve de juffrouw, die kalm het bordje weer

naar hem toeschoof, met een "dooreten, Broer."

Maar Broer liet zich niet gauw lijmen, en 't kostte de juffrouw veel

moeite, er nog een halve boterham in te stoppen. -- Broertje

mopperde hevig, maar niemand luisterde naar hem. Bep peuzelde met

een tevreden gezichtje haar bordje leeg, en Eduard keek vol aandacht

naar Hugo, die op school pas de electrische schel behandeld had, en

nu zijn Vader wilde overhalen het geheele huis van boven tot beneden

van electrische schellen te voorzien. De anderen zaten te ver van

Broer af om op hem te letten.

"Heusch Pa," zei Hugo, "'t zal zooveel niet kosten, en als u nu maar

goed vindt dat ik alles wat ik noodig heb voor uw rekening laat

opschrijven, dan zal ik het allemaal fijn in orde maken!"

"Zeker," antwoordde de Kapitein, "en dan op de manier van Piet, die

de tuin wel in orde zou maken toen we hier kwamen wonen; er werd

tuingereedschap gekocht, twee maanden bleef alles liggen, en ..."

"Nou ja Pa, maar dat kwam ..." begon Piet, en Hugo viel hem haastig

in de rede: "Maar ik zal dit nu heusch wel netjes doen, toe Pa, zegt

u nu maar dat het goed is, het zal heusch zoo gemakkelijk zijn!"

"Ja, heel gemakkelijk, dat denk ik ook; dan bellen de heeren boven

op hun slaapkamer: 'Keetje, wil je eens even aan Ma zeggen dat er

geen enkele knoop meer aan mijn broek zit!'"

Tante Lina lachte, en Hugo, half hopend dat hij het gewonnen zou

hebben nu Pa er gekheid over maakte, besloot: "Dus u vindt het goed,

Pa?"

"Tut, tut, dat zeg ik niet, ik zal er eens over ..."

"Ik wou niet meer eet!" klonk het opeens boven alles uit, en

Broertje gooide met een driftige beweging zijn melkkroesje, dat hij

juist had leeggedronken, op den grond, schuins naar zijn Vader

glurende om te zien, hoe deze nieuwe stoutigheid zou worden

opgenomen.

"Hei jongenheer, wat is dat? Wat wou je niet meer?" informeerde de

Kapitein streng.

"Ik wou niet meer eet!" herhaalde Broer, maar heel wat kalmer nu.

"Zoo? Waarom niet?"

"Och, Broertje is ondeugend," zei de juffrouw, "hij wilde eerst een

boterham alleen met gelei hebben, en nu wil hij niet eten omdat er

geen boter onder is!"

"Foei Broer," zei Tante Lina, "eet gauw op!" Maar Broertje hield

koppig vol: "Wou niet meer eet!"

Zijn Vader keek hem strak aan.

"Broertje, waarom heb je je kroes op den grond gegooid?"

[Illustratie - 09_kroes.jpg]

Broer wreef met zijn wijsvinger over de plek waar de kroes gestaan

had, toen draaide hij zich half om, boog zich over de zijleuning van

zijn stoel, en bleef zoo aandachtig kijken naar het bewuste voorwerp

op den grond.

Het was zoo'n vermakelijk gezicht, dat Eduard niet kon laten er om

te lachen.

"Nu, Broer?"

Broer had bedacht wat hij zeggen wilde. -- "Kroesje wou niet meer op

de tafel staan," verklaarde hij, "en daarom is kroesje op den grond

gaan liggen." En weer naar beneden kijkend: "Toute kroes, wil jij

wel eens gauw weer bij Broertje komen!"

Lineke en de jongens hadden dolle pret, en zelfs de Kapitein keek

gauw een anderen kant uit.

De juffrouw wilde 't nog eens probeeren, en hield weer een hap voor

Broers mond, maar hij liet zich niet foppen, en begon dadelijk weer

met zijn zeurig "wou niet meer eet!"

"Nu, dan laat je het maar," zei de Kapitein koeltjes, "en verdwijn

dan meteen maar gauw. Ga maar naar de leerkamer en blijf daar een

poosje."

Nu begonnen Broers tranen te vloeien. "Wou niet weg!" riep hij, en

hij klemde zich stevig aan zijn stoel vast.

"Broertje, moet ik je komen halen?" Een heftig nee-schudden was het

eenige antwoord.

"Vooruit dan; een, twee, drie, opgemarcheerd marsch!"

Nu liet de kleine jongen zich van zijn stoel afglijden en huilend

holde hij de kamer uit.

"Kinderen die nog niet weten, hoe ze zich behooren te gedragen,

moeten maar verdwijnen," zei de Kapitein.

Eduard dacht aan iets dat gisteren gebeurd was, dat hier zoo veel op

leek, en dat toch zoo heel anders was. Gewoonlijk was hij aan tafel

druk genoeg, maar nu was hij heel stil, niet thuis als hij zich

voelde in de roezige drukte om hem heen. Hij luisterde stil naar het

gepraat van zijn neefjes en nichtjes, die steeds doorbabbelden en

lachten; aan scènes als die van zooeven met Broer waren ze al lang

gewoon.

"Eet jij nu nog eens een boterham," zei Oom Tom.

Maar Eduard bedankte; hij had geen trek meer.

"Ik wel," zei Piet, en etend vertelde hij dat de ijsbaan Zaterdag

geopend werd als 't bleef vriezen. "Heb je ook je schaatsen

meegebracht?" vroeg hij.

"Nou of ik," zei Eduard dadelijk.

"Als hij open is, hol ik er Zaterdag na de koffie dadelijk naar

toe," verklaarde Piet "of ik ga op de fiets, dan ben ik er nog

gauwer. Mag dat Pa?"

"Eet nou eerst je boterham maar op," antwoordde de Kapitein, "we

zijn allemaal klaar." En tegen zijn vrouw: "Wanneer komen de van

Marens nu eigenlijk, vánavond of mórgenavond?"

"Vanavond."

"O ja, juist." -- Oom Tom keek op de klok en stond op. "Ik moet weg,

laat jij Broer meteen even uit de leerkamer? Tot straks dan. -- Dag

juffrouw, dag jongens!"

De Kapitein sloot de deur achter zich, en ook de juffrouw stond op,

om met Bep en Tommy naar de speelkamer te gaan.

't Gaf in eens een heele leegte.

"Edu," begon Tante Lina, "vertel eens, zit je in een prettige klas?"

"Jawel, Tante."

"En heb je aardige vrinden?"

"Theo de Beer is een leuke jongen, en Meertens ook wel, die zit

achter me."

"Is dat die jongen met die kalfsoogen?" vroeg Piet.

"Meertens heeft geen kalfsoogen!" begon Eduard verontwaardigd, maar

Tante Lina viel hem in de rede: "Och, hij plaagt maar wat, hij kent

die jongen niet eens!" En verder vragend: "Wanneer maak jij meestal

je huiswerk, Edu, óók 's avonds?"

"Ik begin haast altijd dadelijk als ik uit school thuis kom, en als

ik dan niet klaar kom maak ik 't 's avonds af!"

"Kijk eens aan, dat komt prachtig uit; Piet en Hugo werken altijd 's

avonds, dus als je dan om vier uur naar de leerkamer gaat heb je 't

rijk alleen, en dan kun je daar heel rustig en op je gemak werken."

"Graag Tante."

Tante Lina stond op en begon de bordjes in elkaar te zetten. --

"Willen jullie nu een van allen Edu zijn kamertje eens wijzen?"

Lineke was met haar boek bij het raam gaan zitten en Hugo keek zijn

les nog eens over. Piet was de eenige die niets deed. Toen hij geen

aanstalten maakte vroeg zijn Moeder nog eens: "Piet, wil jij 't

doen?"

"Graag Tante," zei Piet met een hooge stem, en Eduard een arm

aanbiedende: "Waarde neef, mag ik het genoegen hebben u naar boven

te begeleiden?"

In de gang liet hij zijn "waarde neef" los, en rende vooruit de twee

trappen op. -- "Je slaapt naast Huug en mij," vertelde hij. "Ben jij

's morgens nogal vroeg wakker?"

"Ja, meestal wel."

"Nou, bons dan eens flink tegen den muur en por ons op, wij zijn

echte slaapkoppen."

"Goed, maar roep mij dan ook als jullie eens vroeg bent!"

Piet had de deur van 't logeerkamertje opengedaan. "Betreed dit

heilige der heiligen met gepasten eerbied!" fluisterde hij.

Eduard lachte, en liep naar binnen.

"Nou, ik smeer 'm, hoor! 'k Heb om half twee school," verkondigde

Piet, die met zijn handen in zijn zakken op den drempel was blijven

staan. "Dag Eduardje!" en op zijn hielen draaide hij zich om.

"Da-ag!" zei Eduard.

Hij keek eens om zich heen. -- 't Was een klein, helderlicht

kamertje. -- Aan den eenen kant, tegen den muur die aan de kamer van

Hugo en Piet grensde, stond het bed met de geelkoperen knoppen, en

even streek Eduard zacht over de vouwen in 't schoone linnen.

Tegen den anderen muur stonden de waschtafel en een kastje, en voor

't raam op een klein tafeltje zag hij een kandelaar met een nieuwe

kaars, een doosje lucifers er naast.

Eduard keek naar de schoone handdoeken op de waschtafel en naar 't

nieuwe stuk zeep in 't zeepbakje; toen, aarzelend omdat hij niet

wist of 't wel mocht, trok hij de deur van 't kastje, die op een

kier stond, open. 't Was heelemaal leeg. -- Zeker voor hem, om

allerlei dingen in te leggen. -- Maar gauw deed hij de deur weer

dicht toen hij dacht dat er iemand naar boven kwam, en stil bleef

hij staan luisteren. -- Nee, hij hoorde nu niets meer, zeker was 't

dus verbeelding geweest.

Eduard liep naar 't raam om naar buiten te kijken, en daar opeens,

naast 't bed tegen de muur, zag hij een oude bekende staan. 't Was

zijn koffertje. De doos, die Rika 's morgens gebracht had, en zijn

vioolkist stonden er bij. Eduard verlangde er opeens naar, nu nog

meer bekende dingen te zien, en hij draaide den sleutel, die in het

slot stak om, en lichtte het deksel van den koffer op.

't Eerste wat hij zag was een klein pakje, dat hij zich niet

herinnerde gezien te hebben toen de koffer dicht ging. 't Was in

bruin papier gepakt, en met Vaders bekende letters stond er op

geschreven: "Voor Pepi."

Eduard trok aan het touwtje en ongeduldig scheurde hij het papier er

af. 't Was een doos chocola. Dat was nou net iets voor Vader, om zoo

iets te bedenken! Vader bedacht altijd van die aardige, echt leuke

verrassingen, waar je heelemaal niet op rekende!

Hij opende de doos, die gevuld was met groote flikken, en stak er

onmiddellijk een in zijn mond. -- Was Vader er nu maar, om ook mee

te eten! Om alleen chocola te eten was toch lang zoo gezellig niet!

Maar hij hoefde ook eigenlijk niet alleen te eten; straks, na het

eten bijvoorbeeld, kon hij de doos mee naar beneden nemen en al de

neefjes en nichtjes presenteeren, dat zouden ze zeker wel leuk

vinden!

Maar dan was 't ook eigenlijk ineens op! Was 't niet prettiger om de

doos maar hier te houden, en er alleen maar zelf een te nemen als

hij er erg veel trek in had? Dan kon hij hem later altijd nog eens

mee naar beneden nemen, dat hoefde toch ook niet dadelijk, en dan

eerst maar maken dat niemand hem vond. -- Maar waar zou hij hem dan

stoppen? In 't kastje? Dat durfde hij toch niet op slot te doen!

Besluiteloos keek Eduard naar de doos. Liever maar in 't koffertje,

dat was eigenlijk nog het veiligst! Hij raapte het papier op en

begon de doos weer in te pakken. -- Wat vreeselijk lief toch van

Vader, om daar met al die drukte nog aan te denken! Waar zou Vader

nu zijn? Om één uur zouden ze uit Arnhem gaan, dus Vader was zeker

nog wel in het land, maar wie weet hoe kort nog maar! En in eens

bedacht hij dat hij iederen keer als hij een flik uit de doos nam

daarbij aan Vader wilde denken; hij peuterde aan het touwtje om den

knoop los te krijgen, maar 't ging slecht met zijn koude vingers. 't

Was hier boven ook wel verschrikkelijk koud! Zou de ijsbaan heusch

Zaterdag open zijn? 't Zou leuk zijn! Gauw nog even zijn schaatsen

opzoeken, dat kon nog net voor hij naar school moest! Hij rommelde

in den koffer, maar vond ze niet dadelijk, zeker lagen ze heelemaal

onderin! Vlug gooide hij een paar dingen die hem in den weg lagen op

den grond, zijn schoenen, wat ondergoed, een paar boeken, een

blouse, ja, daar waren de schaatsen ook! Eduard bekeek ze even; ze

zagen er nog prachtig uit, verleden jaar was er heelemaal geen ijs

geweest, en het jaar daarvoor had hij ze pas nieuw gehad, en er ook

maar een keer of vier op gereden. -- Hij dacht aan den eersten keer

dat hij er toen op gestaan had, en aan al de buitelingen die hij

toen gemaakt had; 't zou nu zeker wel veel beter gaan!

"Edu, moet je niet naar school?" klonk het beneden.

Eduard keek verward naar den rommel om hem heen. "Ja Tante, ik kom!"

riep hij. Er was nu geen tijd meer om alles op te ruimen, dat moest

dan vanavond maar; haastig legde hij de schaatsen op een stoel en de

doos chocola in den koffer, toen klapte hij het deksel dicht en

draaide den sleutel om. -- Waar moest hij dat ding nu laten? Zoo

maar los in zijn zak? Niet erg veilig, beter aan zijn

horloge-ketting. -- Sleuteltje en horloge werden bij elkaar

weggestopt, toen liep Eduard vlug naar beneden.

Een verdieping lager stak Beppie haar krullebol om den hoek van de

speelkamerdeur. "Eetje!" riep ze, en naar hem toekomend: "Doe je na

het eten een spelletje met me?"

"Wat voor spelletje?"

"Een leuk spelletje!"

Eduard begon te lachen. "Ja, goed," beloofde hij. Toen holde hij

verder de trap af.

Eduard Kerner · 第 14 / 42 题