IV.

"Meneer, alles is klaar, zal ik nu maar heengaan? En dan breng ik

meteen het restje van Edu z'n goed naar mevrouw Verhey."

Vader liet zijn koffertje, waar nog een paar vergeten dingen

ingeperst werden, in den steek.

"Is alles klaar, Rika? En achter alles gesloten ook? Mooi, dan zal

ik zoo meteen nog wel even gaan zien. -- Ja, dan zou ik nu maar

weggaan," en op een pak in de gang wijzend: "is dat alles wat nog

voor Eduard weggebracht moet worden?"

"Ja meneer, het andere is gisterenavond gegaan."

"Mooi, mooi. -- Nou Rika, 't ga je goed hoor, tot over vier

maanden!"

"Ja meneer. Dag meneer, goeie reis!"

"Dank je. Dag Rika!"

Eduard ging mee om Rika uit te laten. "'k Zal vast aan je Tante

vertellen wat voor een lastpost ze in haar huis krijgt," beloofde

ze.

"Dat zeg je nou wel, maar dat doe je toch niet!" lachte Eduard, "je

durft het niet eens! Dag ouwe Rika!" En toen ze de deur al uit was

nog eens "Dag ouwe Rika!"

Toen liep hij weer naar de huiskamer terug en bleef stil staan

kijken terwijl Vader de riemen van het koffertje dicht gespte. 't

Was 't laatste stuk van Vaders bagage; de groote koffer was de

vorige week al weggegaan, en twee kleinere stonden nog in de gang om

straks boven op de vigelante getild te worden. 't Handkoffertje zou

Vader bij zich houden.

"Afgeloopen," zei Vader, toen de riemen vast waren, en hij keek

Eduard aan. -- "En nu gaan we weer verder," en hij nam 't koffertje

op om het in de gang bij de andere te zetten.

En toen begon een tocht door het huis; 't was een van de akeligste

tochten, die Eduard ooit gemaakt had. -- Aldoor zwijgend liep hij

met Vader mee, bezochten ze alle kamers om de beurt, en terwijl

Vader keek of de ramen goed dicht waren, en de kasten sloot, moest

Eduard steeds maar denken aan dat vreeselijke oogenblik, dat nu al

zoo vlak bij was, het oogenblik, dat Vader weg zou rijden, dat hij

Vader niet meer zien zou, voor vier lange maanden, voor een

vreeselijk langen tijd, waaraan bijna geen eind zou komen.

Vaders eigen kamer was het laatst aan de beurt, en daar borg Vader

de sleutels weg. -- "Ga je aankleeden, Pepi," zei hij, "je moet naar

school toe, het rijtuig zal mij wel dadelijk komen halen." En toen

hij merkte dat Eduard maar heel stil dicht bij hem bleef staan en

hem aldoor strak aanzag, keek hij zijn jongen diep in de oogen en

zei zacht: "zul je voorzichtig zijn, Pepi? Zul je maken dat ik over

vier maanden een gezonden, vroolijken jongen terugvind?"

Eduard knikte, maar zonder iets te zeggen. -- En aldoor bleef hij

Vader maar aankijken.

Toen klonk in de verte het geluid van wielen; dichter en dichter bij

kwam het. Eduard ging naar het raam; "het rijtuig," zei hij. --

Eduard Kerner · 第 12 / 42 题