Eduard stak zijn hoofd om de huiskamerdeur.
"Vader, mag ik eerst nog wat steltenloopen voor we gaan
koffiedrinken?"
"Ha, daar hebben we Pepi! Kom eens hier, Pepi, zeg je mijnheer van
der Zande niet goeiendag?"
Eduard kwam dichter bij, "Dag mijnheer!" zei hij.
"Dag e... jongmensch, hoe heet je ook weer?" en de jongen voelde
zich van het hoofd tot de voeten opnemen.
"Eduard," zei hij kort, en toen tegen zijn Vader, "mag ik nog even?"
"Ja, nog vijf minuten, maar voor 't huis blijven."
De beide heeren stonden voor 't raam, en keken er naar hoe Eduard
even later met een vlugge beweging op de stelten sprong.
"Een flinke jongen," zei mijnheer van der Zande, "hij begint op je
te lijken, Kerner!"
"Vind je?" vroeg Eduards Vader afgetrokken, en toen levendiger: "Hij
doet mij altijd sterk aan zijn Moeder denken." En knikkend tegen
Eduard, die op één stelt hinkend met de andere probeerde aan te
slaan: "maar 't is een echte bengel."
Eduard had intusschen ergens op straat een steentje ontdekt en was
daar nu zoo vlug als hij op zijn stelten vooruit kon komen naar toe
gegaan om in zijn eentje wat te voetballen.
Hij was niet erg gesteld op mijnheer van der Zande, die óf tegen hem
sprak als tegen een kind van vijf jaar, óf doodkalm deed alsof hij
niet bestond. Maar dat was nog niet het voornaamste. Eduards
grootste grief was, dat mijnheer van der Zande, die een oude kennis
van Vader was, altijd onverwacht kwam, en juist altijd, als er het
een of ander prettige plannetje gemaakt was, dat daardoor dan
natuurlijk in het water viel. En dat kon hij nu wel niet helpen,
maar 't was voor Eduard toch reden genoeg om zijn komst nu niet met
bizonder veel genoegen te begroeten. -- Vandaag ook weer, 't was de
laatste dag dat Vader er was, want morgenochtend vroeg zou Vader
weggaan; verder was 't Woensdag, en Eduard had zijn vioolles mogen
verzetten om voor 't laatst nog een gezelligen middag met Vader te
hebben en om te helpen Vaders handkoffertje in te pakken -- en
natuurlijk kwam nu mijnheer van der Zande. -- Misschien ging hij wel
dadelijk weg, maar die hoop werd steeds flauwer en verdween geheel,
toen Vader hem tikte om te komen koffiedrinken. Eduard gaf nog een
fermen schop tegen zijn steentje, toen sprong hij van zijn stelten
en zette ze met een verdrietig gezicht in de gang neer.
"En dan vind ik je morgen dus aan het station in Arnhem," hoorde hij
zijn Vader zeggen toen hij binnenkwam, en mijnheer van der Zande:
"Uitstekend; in ieder geval ga ik vanmiddag nog door, ik moet nog
verschillende lui spreken."
De twee heeren zaten al aan tafel en Eduard schoof haastig zijn
stoel bij. -- "In ieder geval gaat hij voor 't eten dus weg," dacht
hij.
Mijnheer van der Zande begon iets te vertellen over zijn Vader, die
nog zoo flink was, en nog altijd zelf aan 't hoofd stond van de
fabrieken in Indië, en gaf toen een uitvoerig verslag van de oude
machines, en de bizonderheden waarin zij van de nieuwe verschilden.
Eduard luisterde er niet naar; 't kon hem niet veel schelen; verder
hield hij zich bezig met het tellen van de broodjes en de kopjes
koffie, die mijnheer van der Zande achtereenvolgens deed verdwijnen.
"O, de betrekking van Hollandsche vertegenwoordiger van de zaak
bevalt mij best!" hoorde Eduard hem zeggen; "op mijn tiende jaar
kwam ik voor 't eerst naar Holland, en sedert dien tijd ben ik al
zes keer heen en weer geweest, maar nooit voor langer dan drie
maanden; dit is de zevende keer."
"Bleef hij er nu maar voor goed," dacht Eduard, "dan kwam hij hier
onze middagen tenminste niet meer bederven!"
Mijnheer van der Zande wendde zich nu plotseling tot Eduard.
"Zoo, mannetje, en leer je nogal vlijtig?" vroeg hij.
Eduard zei niets, en keek zijn Vader aan. -- "Dat gaat nogal, hè
Pepi?" antwoordde deze voor hem, en toen mijnheer van der Zande
weer: "En in welke klas zit je wel?"
"In de zesde, mijnheer."
"Zoo, zoo; nou, dat schiet al op, hoor!" en toen van onderwerp
veranderend: "En ga je niet met Pa mee naar Indië?"
"Nee mijnheer."
"Zoo; 't is anders een best land, geloof je dat niet?"
"Jawel mijnheer."
"En waarom wil je dan niet mee?"
"Ik wil wel mee."
"Wat? En daarnet zei je dat je niet mee wou?" Eduard zei niets meer,
maar keek naar zijn Vader, alsof hij dacht, dat die wel voor hem
antwoorden zou.
"Later gaat hij eens mee," zei Vader, en toen, om er een eind aan te
maken: "Wil je nog een kop koffie?"
Rika werd gebeld om nog eens koffie te schenken.
't Was zijn derde kopje al, dacht Eduard, aldoor schuins naar
mijnheer van der Zande kijkend, en hij was aan zijn vierde broodje
bezig.
En zonder dat mijnheer van der Zande het merkte stak hij tegen Rika,
die opnieuw het kopje vulde, eerst drie, en toen, met een
veelbeteekenende blik -- naar de broodbak, vier vingers in de
hoogte. -- Maar Vader had het wél gemerkt, en zag hem een halve
minuut lang streng aan.
Mijnheer van der Zande had zijn spoorboekje te voorschijn gehaald en
er met aandacht in gekeken. -- "Mijn plan was om de trein van 3.17
te nemen," zei hij toen, "maar heb je soms iets anders te doen, zeg
het dan gerust, ik vind mijn weg wel."
"Wel neen, ik vind het uitstekend. Ik had mijn jongen beloofd om wat
met hem te wandelen, maar dat kan toch gebeuren; na de koffie kunnen
we in mijn kamer gaan zitten en Eduard kan in dien tijd zijn
huiswerk maken; daarna brengen we je samen naar den trein en dan
loopen we buitenom, door het bosch."
"Ik vind ...." begon Eduard, maar zijn Vader viel hem haastig in de
rede. "Je opinie wordt niet gevraagd," zei hij kortaf.
Eduard was niet bizonder ingenomen met de schikking. Waarom zei
Vader nu niet dat hij wél wat anders te doen had? Vader had hem toch
beloofd met hem te gaan wandelen, en tegen dat mijnheer van der
Zande nu goed en wel weg was, zou de middag om zijn. En dan dat
vervelende huiswerk nog! Haastig dronk hij zijn glas melk leeg.
Mijnheer van der Zande begon weer een nieuw verhaal over Indische
huizen en Indische tuinen. Eduard luisterde maar half, maar opeens
begon hij 't zelf ook leuk te vinden, en toen wilde hij er ook
dadelijk nog veel meer van weten en ging van alles vragen.
Eindelijk stond Vader op. "Willen we nu maar eens naar de andere
kamer gaan?" stelde hij voor, "en ga jij dan boven aan 't werk,
Pepi?"
Maar Pepi had niet veel zin. Aan Vaders arm liep hij mee naar de
studeerkamer. "Toe, nog eventjes," smeekte hij, "omdat 't uw laatste
dag is!"
Vader gaf geen antwoord, maar liet toch toe dat hij nog wat bleef
rond hangen. Een paar keer waarschuwde hij: "Kom, Pepi!" Want
mijnheer van der Zande was weer van onderwerp veranderd en had het
over groote orders van den laatsten tijd, en Vader zag duidelijk dat
Eduard er geen belang in stelde en zich verveelde. -- "Kom, Eduard,
ga nu aan je huiswerk!" zei hij nog eens; maar toen de jongen
eindelijk lastig werd en met propjes papier door de kamer begon te
knippen raakte zijn geduld op, en plotseling viel hij mijnheer van
der Zande in de rede met een boos: "Eduard, ga nu onmiddellijk naar
boven; je hoeft niet weer beneden te komen voor ik je roep."
Een benauwende stilte volgde, en heel verschrikt zag Eduard zijn
Vader aan; toen stond hij langzaam op en liep aldoor naar den grond
kijkend de kamer uit, zijn handen in zijn zakken. -- Pas toen hij de
trap opging hoorde hij in de studeerkamer weer praten.
Vader boos, en dat op den laatsten dag! Was dat nu zoo erg, dat hij
eens eventjes met een propje schoot? Die akelige mijnheer van der
Zande ook, 't was allemaal ~zijn~ schuld, als die niet gekomen was
zou hij nu prettig met Vader bezig zijn aan 't koffertje of iets
anders, en nu moest hij hier alleen op de slaapkamer zitten -- met
een ruk trok hij zijn tasch op tafel en schudde zijn boeken en
schriften er uit. Och, hij had immers ook zoowat niks te doen, het
grootste deel van zijn sommen had hij gisterenavond al gemaakt,
juist om vandaag niet veel te hebben; 't waren net nog twee korte
dingetjes, die waren in een wip klaar. Maar dat gaf nou allemaal
niks, want naar beneden gaan mocht hij toch niet.
Kom, er nu maar niet meer aan denken en schrijven.
[Illustratie - 07_afdwalen.jpg]
Maar telkens dwaalden zijn gedachten weer af, en telkens vergiste
hij zich, en toen de sommen eindelijk klaar waren zagen ze er
slordig en knoeierig uit. -- 't Kon Eduard niets schelen en
ongeduldig schoof hij alles op zij. -- Toen zette hij zijn ellebogen
op tafel, liet zijn hoofd in zijn handen leunen en keek naar buiten.
Dat was nu bijna voor 't laatst dat hij al die tuinen en daken zoo
zag. -- Morgenochtend misschien nog even, en dan in vier maanden
niet meer. -- En vannacht zouden Vader en hij hier ook voor 't
laatst samen slapen en morgen -- dan was Vader al heel ver weg en
zou 's nachts in Bazel ergens in een vreemd hotel slapen, en hij
zelf zou bij Tante Lina zijn, ook in een vreemd kamertje en in een
vreemd bed. -- Niets geen gezellig huis was dat van Tante Lina, met
al die groote kamers, 't was hier thuis toch veel prettiger en
gezelliger. Wat zou 't gek leeg zijn, als hier nu morgenavond
niemand meer in de kamer kwam, en beneden ook, in de huiskamer, en
in Vaders kamer, wat zou 't overal akelig leeg en donker en koud
zijn. -- Hoe lang zou Vader er nu nog zijn, 't was nu bijna drie
uur, en morgenochtend om kwart voor negen ging Vader weg, dat was
dus nog twaalf, en nog zes, nog achttien uur, bijna. En nu zat die
mijnheer van der Zande, die Vader nog vier heele maanden zien kon,
en die 't bovendien niks schelen kon of hij vader zag of niet,
aldoor maar gezellig beneden te praten, en hij zelf moest hier
alleen boven zitten. -- Hoe lang zou dat nu nog duren?
En uit medelijden met zichzelf kwamen de tranen hem in de oogen;
maar hij veegde ze haastig weg, en keek toen weer stil naar buiten.
En zoo zat hij nog toen Vader om drie uur naar boven kwam om hem te
roepen. -- Zachtjes trok Vader het hoofd van zijn jongen achterover
en keek hem aan, en weer voelde Eduard zijn oogen vochtig worden.
"Ik vind 't zoo naar dat u boos werdt!" fluisterde hij, "maar 't
kwam allemaal door mijnheer van der Zande, als die niet gekomen was
..."
"Nee vent, dat weet je wel beter, ik had je genoeg gewaarschuwd, je
hadt niets meer te doen beneden, en als ik je dan drie, vier keer
zeg naar boven te gaan moet je het ook doen; en ik wil nu wel
gelooven dat je het niet prettig vondt dat mijnheer van der Zande er
was, maar daarom mag je toch niet onbeleefd zijn, en dat propjes
schieten kwam heelemaal niet te pas; zul je dat nu voortaan
onthouden?"
Eduard knikte. "Maar nu bent u toch niet boos meer, is 't wel
Vader?"
"Nee, ik ben nu niet meer boos. Ga nu maar gauw je jas aantrekken,
dan gaan we mijnheer van der Zande naar den trein brengen."
Eduard trok zijn ijsmuts over de ooren toen ze buiten kwamen. 't Was
koud, vriezend weer. -- "Hoe is 't mogelijk, we gingen al haast naar
de lente toe, en nu weer zoo'n kou, we krijgen bepaald nog ijs!"
hoorde hij mijnheer van der Zande zeggen. Toen holde Eduard vooruit
naar 't bosch. Een helder winterzonnetje deed de witte
sneeuwplekken, die hier in 't bosch na de laatste sneeuwbui nog niet
waren weggedooid, glinsteren. -- Eduards verdriet van straks was
vergeten, en voor een half uurtje dacht hij er niet aan dat het
Vaders laatste dag was, en dat het de eerstvolgende keer, dat hij
hier weer met Vader zou wandelen, midden in den zomer zou zijn.
Telkens holde hij een zijweg in, om dan opeens weer uit een klein
laantje te voorschijn te schieten en een pas of tien rustig naast de
beide heeren verder te wandelen, die druk in gesprek hun weg
vervolgden; dan rende hij weer vooruit om even verder over een bank
te springen.
"Wel Kerner, die jongen van jou lijkt wel onvermoeid!" zei mijnheer
van der Zande eindelijk. "Wat een levenslust!" en tegen Eduard, die
weer hijgend aan kwam loopen: "Word je niet moe, baas?"
"Nee mijnheer, heelemaal niet!" lachte Eduard, "maar nu blijf ik
toch eens een beetje hier!" En hij stak zijn hand door Vaders arm.
-----