Eduards gezicht betrok. "Gaat u op reis? Waar naar toe?"

"Naar Indië.

"Naar Indië?"

"Ja; er moeten een heeleboel nieuwe machines naar Indië toe, en nu

gaat een van de ingenieurs mee, en dat ben ik."

"En hoe lang blijft u dan weg?"

"Vier maanden."

"En wanneer gaat u?"

"Over drie weken."

Eduard vroeg niet verder. Stijf hield hij de leuning van den stoel

vast en keek Vader met wijd open oogen aan. 't Was, of hij 't nog

maar half begreep, maar vóór zich zag hij alleen vier lange,

eindeloos lange maanden, leeg en vreemd, en Vader heel ver weg. Toen

barstte hij uit: "Maar ik ga toch mee, is 't niet Vader?" en toen

Vader geen antwoord gaf: "Vader, zeg dat ik mee ga!"

"Nee jongen, ik kan je niet meenemen," zei Vader, en hij legde zijn

hand op Eduards schouder. "Kijk, als ik voor mijn plezier op reis

ging zou dat gaan, maar ik moet daar in Indië hard werken; ik zal

den heelen dag druk bezig zijn, en ben nu hier, dan daar. Je zou er

niets aan hebben, ik zou je den heelen dag alleen moeten laten, en

bovendien zou al dat heen en weer trekken veel te vermoeiend voor je

zijn."

"Maar u doet 't zelf toch ook!"

"Ja, maar ik ben ook geen kleine jongen meer!"

"Ik ook niet!"

"Nu, een groote jongen dan," en Vader glimlachte even. "Heusch vent,

't gaat niet, 't is veel verstandiger dat je kalm hier blijft en

naar school gaat!"

[Illustratie - 06_vadersknie.jpg]

"En moet ik dan alleen thuis blijven?"

"Nee, je blijft niet thuis, je gaat uit logeeren. Ik heb gevraagd of

je dien tijd bij Tante Lina mag komen. Ik hoorde het vanmiddag, en

toen ben ik dadelijk aan het plannen maken gegaan; voor het eten

liep ik even bij Oom en Tante aan om te vragen of zij 't niet te

lastig vonden er nog een jongen bij te krijgen, en daardoor kwam ik

zoo laat thuis."

Eduard was op Vaders knie gaan zitten; tot nu toe had hij rustig

geluisterd, maar nu sloeg hij opeens zijn armen om Vaders hals en

begon onstuimig: "Maar u mag niet weggaan! Ik wil niet alleen hier

blijven, en ik wil ook niet naar Tante Lina!" En toen smeekend: "O,

Vader, ga toch niet weg!"

Vader zweeg, en drukte zijn jongen dicht tegen zich aan; het was het

eenige wat hij op dit oogenblik voor hem kon doen. Veel was het hem

waard geweest, wanneer een van de andere ingenieurs deze reis had

kunnen maken, maar een langdurig gesprek met den directeur van de

groote machinefabriek waaraan hij verbonden was, had hem de

noodzakelijkheid van zijn gaan doen inzien. Het lachte hem niet erg

toe, zijn jongen alleen te moeten achterlaten, maar hij was er van

overtuigd, dat Eduard bij de oudere zuster van zijn vrouw werkelijk

goed bezorgd zou zijn, ook al was hij geen groot huishouden gewend

en al zou hij er in het begin misschien wat moeite mee hebben, zich

naar zijn nichtjes en neefjes te schikken.

"Eddy, lieveling, maak het niet nog moeilijker voor me dan het is!

Doe je best om ferm te zijn! Vier maanden zijn gauw om, en je zult

het zeker prettig hebben bij Tante Lina!"

"Hugo en Piet zijn zulke vervelende jongens!" klonk het gesmoord.

"Ja, dat vind jij, maar ligt dat nu ook niet een beetje aan jezelf?

Kijk, Oom en Tante wonen hier nog niet lang en je kent je neefjes

pas kort, zijn die jongens nu heusch zoo vervelend, nu je ze niet

dadelijk bizonder aardig vindt?"

Er kwam geen antwoord.

"Eddy, waaraan denk je?"

"Was Moeder er nog maar!"

Vader zweeg, en kuste zacht het blonde hoofd, dat tegen zijn

schouder leunde.

"Weet je nog wel hoe Moeder altijd probeerde het goede in de

menschen op te zoeken?" begon hij toen. "Moeder zei altijd, 'als ik

iemand vervelend vind, dan kan dat even goed aan mij liggen als aan

hem, en dan wil ik toch eerst eens trachten te weten te komen,

waarom een ander wel van hem houdt en ik niet!' En waarom zouden

andere menschen Hugo en Piet wel aardig vinden, en jij niet? Begrijp

je wat ik bedoel?"

"Ja."

"En zou je het zelf ook niet prettig vinden om goede vrienden met de

neefjes te zijn?"

Eduard antwoordde niet. "Alleen dán zou ik niet graag willen dat je

goede vrienden met ze werdt, als het jongens zijn die liegen of laf

zijn of gemeene dingen doen, maar dat geloof ik niet van ze. Kijk

eens, je zult een heeleboel te doen hebben in die vier maanden; je

zult je best moeten doen geduldig te blijven en niet boos te worden,

ook al gaat alles niet even gemakkelijk. -- En het moeilijkste van

alles is om altijd te doen wat je zelf weet dat goed is. -- Om

moedig te doen wat je duidelijk ziet dat je plicht is, en je er niet

aan te storen wat de andere jongens zeggen. -- En daar is een

heeleboel moed voor noodig, weet je dat wel?"

"Ja, dat weet ik wel." --

"En wil je daarvoor je best doen? Kijk me eens aan, Eddy! Zoo -- wil

je probeeren Vaders moedige, eerlijke jongen te zijn?"

Eduard Kerner · 第 9 / 42 题