vrouweplicht is haars mans gezag tegenover derden hoog te houden en om,
als zij haren man iets verstandigs heeft aangeraden, te doen alsof het
van hem uitging. En Barlaeus: »Acht voor een man niets liefelijker,
niets welgevalliger, dan met eene vrouw samen te wonen, met wie hij het
bedde en de dagelijksche gesprekken deelt, wie hij alles toevertrouwt,
zijne hartsgeheimen vertelt, zoodat het zijne het hare en het hare het
zijne is,« gelijk ds. Franc. Martinius van Epe, als hij uitweidt over
het huwelijk, zegt, dat het er vooral om te doen moet zijn, dat de man
eene andere helft voor zijne ziel vinde.
Na deze algemeenere beschouwingen trachten wij thans tot enkele
bijzonderheden te komen en beginnen met iets te zeggen over de
tegenzijde van het huwelijk, de ontucht. »Eyntlicken nae dien oock
klaerlick blijckt, dat die hoererie ende overspellen swaerlicken in
swanghe gaen die welcke sonden Godt soo ernstelick in sijn woort
verboden heeft. Wort verklaert, dat dieselve inconformiteyt van
Godes uytgedruckte woort voort na keyserlicke ende andere des landes
ende stede rechten, nae die grouwelickheyt des feits sonder eenige
conniventie andere ten exempel gestraft sullen worden: alsoo anders daer
door alle tucht, ehr ende eerbaerheyt, mitsgaders die hillicheyt ende
onoploselijcke verknuppinghe ende bant des houwelijcken staets vergeten
ende met voeten ghetreden wort..« Aldus in eene Overijselsche
ordonnantie anno 1603.
Bepalingen van dezen aard (maar niet altijd zoo goed gesteld) komen in
alle gewestelijke en stedelijke keuren en plakkaten in onafzienbaar
aantal voor. Het trekt daarbij onze aandacht, dat die plakkaten
telkens strenger worden. De ordonnantie voor Holland en Zeeland in 1580
herinnert er aan, dat de schandelijke zonde der ontucht den toorn Gods
verwekt en dus moet bestreden worden. De man, in overspel betrapt, is
verder tot alle ambten onbevoegd. Op overspel tusschen twee getrouwden
volgde eerverlies en 50-jarig bannissement; op overspel tusschen een
gehuwd man en eene jonge dochter stond voor de eerste maal eene boete
van honderd caroli en bij herhaling ook 50-jarige verbanning, terwijl de
vrouw 14 dagen te water en te brood geleid werd; zondigde een jongman
met eene gehuwde vrouw, dan moest hij aldus 14 dagen gevangen zitten en
werd de vrouw gebannen.
In Zeeland boette hij het nog bovendien met de verbeurte van de
helft zijner goederen. Bovendien verscheen in dat gewest in 1666
eene aanvulling, waarbij overspel tusschen twee getrouwden gestraft
werd met publieke schavotteering voor beiden, eeuwig bannissement en
verbeurdverklaring van een groot deel der goederen. Weder zeven jaren
later namen die van Zeeland nog strenger maatregelen: thans straften zij
ook overspel met de ongetrouwde vrouw met bannissement, voor de tweede
maal met publieke schavotteering.
De Staten van Holland verviervoudigden in 1677 de boete op overspel,
voor twee getrouwden bedroeg zij toen f1000. En daar het delict van
overspel toenam, omdat »oock officieren van den gerechte met de
schuldigen composeeren of transigeeren« (de oude en ingekankerde kwaal!)
werden deze schouten bedreigd met eene boete gelijk aan het dubbel der
genoten som, bij herhaling het viervoud en afzetting. Veel erger nog,
dat zij herhaaldelijk overspel uitlokten, om daarna met afdreiging
groote sommen te verdienen, euvel, dat tot den tijd onzer inlijving
heeft voortgeduurd, zoodat de Fransche hooge ambtenaren, die er de
weêrzinwekkende voorbeelden van zagen, het openlijk brandmerkten en op
afschaffing aandrongen.
De kerk, van hare zijde, bestreed het kwaad door streng vast te houden
aan het oude beginsel, dat echtbreuk een huwelijksbeletsel vormt
tusschen de schuldigen en door dezulken nimmer tot den trouw toe te
laten. Namen zij daarmede geen genoegen, dan verwees de predikant
hen naar de overheid. Voorts ontzegde--wij zagen het reeds in ander
verband--de kerk het avondmaal aan wie in overspel leefden en
liet dit verbod afkondigen ter plaatse, waar de misdaad was gepleegd.
Hadden echter »soedanige persoonen, die bij malcanderen in onecht
geseten hadden, kynderen bij malcanderen gecregen«, dan, besloot de
kerk, moest men hen wel »oepentlijcken bestraffen van haer schandelijcke
ergernisse«, maar, om der wille der kinderen, »evenwel in den huwelijken
staet bevestigen«. De kerk doopte voorts de onechte kinderen als de
anderen, maar dikwijls in afzonderlijke beurten.
In de Generaliteitslanden waren de vroedvrouwen onder eede gehouden
binnen een etmaal aangifte te doen van de geboorte van bastaards, met
naam en woonplaats der moeder (zoo die protestantsch was), vermoedelijk
opdat zij niet door den nooddoop roomsch zouden gemaakt worden.
Maar ook in de protestantsche provinciën komt deze bepaling voor
(in Zeeland stond op overtreding door de vroedvrouw 100 gulden en
zelve-het-kind-moeten-houden), met het doel, dat niet door de kans op
geheimhouding der buiten echt geborenen, verleiding of buiten huwelijk
samenwonen zouden toenemen.
Toen wij vroeger handelden over huwelijksbeletselen hebben wij
ook gesproken van het »ten huwelijk nemen of geld betalen, ducere aut
dotare«. Hier ter plaatse voegt nog de herinnering, dat het onderzoek
naar het vaderschap, in het Oudgermaansch recht toegelaten, in het
kanoniek verboden, in de Nederlandsche rechten was toegestaan, opdat
de vader niet ontkomen zou aan de verplichting om zijne kinderen te
onderhouden. »De kinderen buyten egt geteelt zynde«, zegt Huig de Groot,
»moeten onderhouden worden tot gemeene kosten van vader en moeder«. Tot
dat onderhoud werden gerekend de kraamkosten, ook de begrafeniskosten.
Welke middelen men soms gebruikte, om den vader tot de betaling
dier kosten te dwingen verhaalt ons Heerma van Vos met dit burleske
geval. Laurens Mauritsz. Doucy, hoedenmaker te Amsterdam, kreeg
een onecht kind, dat met de moeder in de kraam stierf. De verwanten
der overleden vrouw lieten hem aanzeggen, dat, als hij niet
aanstonds de begrafeniskosten voor zijne rekening nam, zij het
volgend begrafenisbriefje zouden doen drukken en verspreiden: »Tegens
Saterdag den 5den Maart 1661 wort UE. ter begraffenisse gebeden met
Teuntgen Claes en het craemsoontgen van Laurens Mauritsz. Doucy«. De
onderhouding moest duren tot het 18de jaar bij jongens, tot het 14de
bij meisjes. Werd nog in de late middeleeuwen de vader vaak door een
godsoordeel aangewezen, in onze periode was de weg aldus. De ongehuwde
moeder mag eene actie instellen tegen den verleider, tenzij (reeds
aanstonds) zij blijkt geweten te hebben, dat hij gehuwd was. Bij die
actie legt zij de verklaring af, dat de aangewezene de vader is van haar
kind, waartegen de man zich bij eede verzetten kan. Soms verzette hij
zich daartegen inderdaad, als in een proces voor de rechtbank te Gouda,
in hooger beroep door het Hof behandeld, waar de gedaagde, Govert
Govertsz. Dubbelt, door de eischeresse Grietje Soutmans aangesproken
om betaling van f50 voor kraamkosten en f1 wekelijks voor alimentatie,
zegt, dat hij tot niets gehouden is, omdat eischeres is eene openbare
lichtekooi en dus geen geloof verdient en hij niet gehouden is »zoo
schandaleusen geraepten kindt van een openbare hoer naar rechten te
alimenteeren«. Hij weigert den eed en het Hof ontzegt aan eischeresse
haren eisch. Bekende de man omgang met haar gehad te hebben, dan werd
hij als vader erkend, als de moeder hem het kind opzwoer. Zulk een eed
legde zij ook vaak reeds aan de vroedvrouw af. Er zijn echter ook
keuren, die slechts geloof hechten aan de verklaringen van den man. Dat
onder dit stelsel--hoeveel er ook vóór pleit--afdreiging veelvuldig
voorkwam, ligt voor de hand, vrouwen spraken drie mannen om hetzelfde
kind aan, enz. De beslissing werd den rechter overgelaten, die wel vaak
over Salomo's wijsheid mag te beschikken gehad hebben. Het onderzoek
naar het vaderschap is, zooals men weet, eerst door de invoering van den
Code Napoléon (1 Maart 1811) opgeheven. Dit weinige zij voor ons doel
genoeg.
Bij wijze van tegenstelling met dit zeer stoffelijke, herinneren
wij aan iets zeer geestelijks: de dichterhuwelijken uit de dagen
der sentimentaliteit, van Feith's »Julia« en dergelijke. Zulk eene
poëtische verbintenis »zonder togt van diersche zinnen«, louter in
»vernuftsvereeniging« om »hersenpopjes te teelen« sloten in 1772 te
Assen mr. L. Trip en jonkvr. Barbara van Lier.
Wijzen nu de telkens strengere bepalingen op een ook telkens slechter
wordend huwelijksleven? Het is buitengemeen moeielijk tot een, ook maar
bij benadering juist, oordeel te komen. Berichten zijn er genoeg, het
komt er op aan ze te wikken en te wegen. De berichtgevers zelven zijn
immers zoo verschillend. De strenge moralisten en de predikanten in
hunne boetpredikatiën zijn uiteraard geneigd zeer donkere verven te
gebruiken, waartegen men op zijne hoede moet zijn, maar min of meer
oppervlakkige naturen, van wie wij ook mededeeling ontvangen, zien weêr
te weinig van het kwaad, glijden er luchthartig overheen en, vooral,
onthouden ons wat zij zelven niet zagen. Reizigers kunnen slecht zijn
ingelicht, zij kunnen (waarvoor b.v. Diderot in zijne reisbeschrijving
door ons land zeer goed oog had) het bijzondere voor het algemeene
houden. Al verder zal een schrijver, die Franschgezind is, den invloed
van Fransche zeden minder gevaarlijk achten en het booze ervan eer
ontkennen, dan een, die Frankrijk houdt voor de bron van alle kwaad ook
op huwelijksgebied. De Franschgezinde zal geneigd zijn daarentegen op
b.v. Engeland te wijzen en te zeggen, dat de hang zijner tijdgenooten,
om Engelsche manieren na te bootsen, ook hun huwelijksleven schade
heeft berokkend. De patriot zal van nature geneigd zijn om bij den
prinsgezinde donkere vlekken te speuren, en de oranjeman op zijne
beurt het er voor houden, dat de radicale meeningen van den kees hem
ook losser van zeden moeten maken. De patriciër zal smalen op het
»samenhokken als beesten« van den proletariër en van den rondzwervenden
vagebond, en de kleine man zal met grimmigheid wijzen op het bederf in
paleizen en kasteelen. En allen zullen zij gelijk hebben en ongelijk;
zij zullen, schoon eenzijdig, bevooroordeeld, toch stukken der waarheid
opmerken en aan 't licht brengen. Middelerwijl moet de tegenwoordige
onderzoeker maar zien, hoe hij den weg vindt met zooveel gidsen en
hij mag, vooral, bij het luid rumoer der aanklagende stemmen, nimmer
vergeten, dat het vredige, eerbare, gelukkige huwelijksleven stil en
bescheiden is, opspraak vreest en ook geen opspraak geeft en meest
toevallig zich ons openbaart. Wij voor ons kunnen niet meer doen, dan
de indrukken weêrgeven, door eene waarneming, zoo nauwkeurig als ons
mogelijk was, op ons gemaakt. Wij beginnen met het slechte en eindigen
met het goede.
Het monogame huwelijk--dat is ons wel gebleken--is de vrucht van eene
eeuwen en eeuwen lange worsteling tegen de polygame neigingen van den
man; het gelukkige, man en vrouw naar stof en geest gelukkig makende,
huwelijk is bovendien het gevolg van de beste eigenschappen van
karakter, gemoed, van zedelijke beginselen, van godsdienstige gevoelens.
Over dit laatste punt is lezenswaard (wij maken er bij uitzondering
melding van, waar wij in dit boekje uitsluitend onze aandacht aan het
verledene schenken) de in 1881 door het Haagsch genootschap bekroonde
verhandeling van dr. Carl Thönes, »Die christliche Anschauung der Ehe
und ihre modernen Gegner«. Maar, om tot ons onderwerp terug te keeren,
wat wonder, dat in de door ons beschouwde periode dat pleit nog niet was
beslecht, aan al die voorwaarden nog niet was voldaan. Dat geldt niet
van ons land alleen, het was overal zóó. Maar één factor, die ten onzent
zeer bijzonder in rekening moet worden gebracht, is de invloed der
gereformeerde en doopsgezinde moraal op dit punt, die bij een goed deel
der natie zoo al geen verhevene, dan toch strenge, huwelijkszeden had
bevorderd. In dit opzicht mochten gereformeerde theologen vrijmoedig
hun stem verheffen, mocht de doopsgezinde W. de Vos, leeraar bij de
Lam-isten, in 1771 eene prijsverhandeling over het huwelijk schrijven.
Maar, gelijk hun invloed door rigoristische gestrengheid niet onverdeeld
gezegend was, was hij ook noch algemeen noch volstrekt en zij zelven
trouwens waren den tijdgeest onderworpen. Overziet men het tijdperk van
Karel V tot aan koning Willem I dan neemt men zeker eene verfijning van
zeden waar, gekuischter taal, ingetogener manieren, wat men vooral
toetsen kan aan het karakter van de kluchten en blijspelen en van de
liederen. Dat wil niet zeggen, dat ook de zedigheid en de eerbaarheid in
gelijke mate waren voortgeschreden. Wat men niet meer zegt, kan men nog
wel denken en willen, en preutschheid is nog geen zuivere ingetogenheid.
Het huwelijksleven onderging ook den invloed van de stijgende weelde,
maar altijd treffen wij hier bij de middellaag der kleine en gezeten
burgerij toch liefde voor het rustig, echtelijk samenwonen. Zeker was
onder hen, die het betalen konden, het hebben van wat Campo Weyerman
kamerkatjes noemt niet ongewoon en ook niet zoo fel veroordeeld,
terwijl, wie het niet betalen konden (zooals b.v. de sententieboeken der
schepenbanken ons verraden) al te vaak buurmans huis met kwaad begeeren
betraden. Voorts boden de groote en drukke steden te dezen meer
gelegenheid tot zondigen dan de kleine en de dorpen; daarom en niet om
de grooter onschuld van het platte land vinden wij ginds meer ontucht
dan hier. Wat ook geldt van de prostitutie, die zich in de steden rauw
en (wel gereglementeerd, maar) onbeteugeld vertoonde.
Over ongelukkige huwelijken in den dieperen zin van 't woord valt het
moeielijk te oordeelen; wij kennen allerlei voorbeelden van bazige of
spilzieke of luie vrouwen, van brutale, zelfzuchtige, grove mannen,
en wij maken onze gevolgtrekkingen, maar tot de fijnere oorzaken van
mislukte echtvereenigingen dringen wij moeielijk door. Kleine trekjes
ontbreken niet. Constantijn Huygens de zoon, in zijn rijtuig op weg van
Den Haag naar Leiden, werd aangereden door de karos van den raadsheer
van der Goes. Zijne vrouw, naast hem, snauwde hem toe »soo bruy je
altijt maar toe«, en met dezen nijdigen trek om de lippen staat zij nu
voor ons--misschien onverdiend. Want Huygens, zelf geen hoogstaand man,
zag de kleine dingen eer dan de groote. Het door hem, gedurende den tijd
dat hij secretaris van Willem III was, gehouden dagboek geeft ons een
donkeren kijk op het huwelijksleven in zijne kringen, maar hij was de
man niet, om er het goede en verhevene naast te zien en te teekenen.
Zoodat wij ook hier tot eenige voorzichtigheid gemaand worden. De
opzienbarende gevallen, waarin een huwelijk tot openbaar schandaal werd
en burengerucht veroorzaakte, vormen natuurlijk uitzonderingen, maar
er zijn toch te veel voorbeelden, om ons niet ietwat pessimistisch te
stemmen. Hier heeft zeker het overvloedig drinken zijn boozen invloed
doen gelden. Wie de pamfletten bestudeerd heeft, welke zijn uitgegeven
over de gedragingen van professor Adriaan Heereboort van Leiden (1648),
door hemzelven, zijne ongelukkige vrouw en zijnen zwager, die behoudt
voorgoed de herinnering aan de bittere ellende, door de zeldzame ruwheid
en walgelijke dronkenschap van dezen man over zijn huis gebracht. Maar,
als wij alles te samen vatten, dan vertoont, in de beide eerste eeuwen
der Republiek, het huwelijksleven zich, bij veel ruwheid, bij veel nog
ongebreidelden hartstocht, toch onder de groote massa als een geordend
en eerbaar samenleven van het gezin. Wij zullen daar zoo aanstonds nog
voller licht over laten vallen.
Als de 18de eeuw echter hare intrede heeft gedaan, rijzen er talrijke
klachten over de ontheiliging des huwelijks, die wij als betrouwbaar
moeten erkennen. Voor een deel is hier de invloed van eene weelde,
die geen tegenwicht meer vond in vroegere robuuste kracht en energie,
wat te erkennen nog iets anders is, dan de 18de eeuw, naar ouden trant,
in haar geheel eene eeuw van verval te noemen, wat zij zeker niet was.
Voor een ander deel zijn hier buitenlandsche invloeden, wat (wederom)
te erkennen niet hetzelfde is, als alle zedenbederf uit het buitenland
te laten indringen. Frankrijk gaf in sommige kringen den toon aan,
maar voor Engelsche invloeden was het 18de-eeuwsche vaderland ook
bijzonder gevoelig. En in Frankrijk was het alsof alles tegen het
huwelijk samenspande. »Il a contre lui les relâchements, les
accommodements de la morale sociale, la liberté chaque jour plus grande
des habitudes privées«. Aldus De Goncourt en aldus het getuigenis o. a.
van de talrijke mémoires van het tijdperk. En deze voorbeelden vonden
hier navolging, het werd mode. Justus van Effen, in het tweede kwart der
eeuw, zegt terecht (in een van zijne vroegere, Fransche geschriften):
»La politesse des manières, qui distingue si avantageusement l'Europe
des autres parties du monde, a introduit comme une mode le mépris de
l'amour conjugal. Dans nos villes capitales un homme, qui y tient
quelque rang se croiroit deshonoré s'il ne préféroit pas aux caresses
légitimes de la plus aimable femme la tendresse étudiée et artificielle
de quelque salope dont tout le mérite est dans les jambes ou dans le
gosier«. Hetzelfde verschijnsel, maar anders verklaard, omschrijft de
vrijheer Knigge, wiens »Ueber den Umgang mit Menschen«, 1788, hier reeds
het volgende jaar eene vertaling vond: »de schuld zal voorzeker bijna
altijd aan de vrouw liggen, wanneer een man, die in andere opzichten
geen slegt man is, den kus, welken hij van getrouwe, zuivere en warme
lippen, op eene eerlijke wijze en gemakkelijk in zijn huis zou kunnen
ontvangen, met verwaarloozing van pligt en betamelijkheid bij vreemden
haalt«.
Wie ten onzent meer geneigd waren om zich naar Engelsche mode te richten
vonden gelijke toestanden. Het voorbeeld der Georges (zoo meesterlijk
door Thackeray geteekend) deed veel kwaad, en Hogarth's stukken, die
ons Engelsch huwelijksleven schilderen op zijn ergst, geven geene
uitzonderingen. Ook moeten wij het schandelijk leven gedenken, dat
aan vele kleine Duitsche hoven geleid werd, zeker ook van invloed ten
onzent, toen wij in den loop der eeuw voor Duitsche letterkunde en
Duitschen geest toegankelijker gingen worden, dan vroeger het geval
was. Onze Spectatoren, al zijn zij als zedenmeesters ietwat eenzijdig,
overtuigen ons toch, dat het kwaad niet gering was en de juffrouwen
Wolff en Deken geven ons in hare romans de beelden van gelukkige
huwelijken, als bedoelde tegenhangers tegen de vele bedorven
echtvereenigingen harer dagen. Van haar is ook een woord als dit:
»In ons altoos drok, woelig Amsterdam zelf schijnt het niet meer zeer
zeldzaam te zijn, getrouwde mannen veel meer met hun maitressen, dan met
hunne vrouwen te zien... klaagde gij mij onlangs zelf niet, dat gij in
een balcon (van de komedie) gezeten had naast de gemaintineerde van een
getrouwd man, die zich niet schaamde haar te verzellen?« Dit alles
drijft ons oordeel in de ongunstige richting. En uitspraken in dezen
geest klinken van alle kanten. In eene verhandeling van Dirk van
Hinloopen, 1793, lees ik (wel met den gewonen waan, dat oudtijds alles
beter was, maar toch) weêr het zelfde: »Kuisheid bij jongelieden en
getrouwheid aan den huwelijksband (waarop onze oude Batten en de voorige
Nederlanders zoo met recht konden roemen) worden niet meer geacht«. Hoe
voorzichtig echter wij bij voortduring moeten zijn, blijkt, als wij b.v.
het ééne bericht door een ander kunnen controleeren. De patriotsche
hoogleeraar Y. van Hamelsveld vertelt ons ergens: »In onze voornaamste
koopsteden zijn huizen, in welken in eene kamer de pourtraiten van
vrouwen, die zich ter omhelzing aanbieden, zijn opgehangen, uit welke
men ééne naar welgevallen uitkiest. Hier zou het meer dan eens gebeurd
zijn, dat de man zijn eigen vrouw ontmoette«. Dit werd gezegd 1790. Maar
twee jaar later merkt Grabner op, een Duitsch officier, die ons land
goed kende en onze boeken las: »..Van Hamelsveld vertelt wel, dat een
Amsterdammer zijne vrouw in een bordeel vond, maar die geschiedenis heb
ik wel 10 maal gehoord in 7 jaar. Dan is ze zeldzaam. In Londen, Parijs
of Berlijn had men ze in de eerste 8 dagen voor 10 andere gevallen
vergeten«. Dat is niet onverstandig geredeneerd.
* * * * *
In de geschiedenis der predikkunde zijn de voorbeelden bekend van
predikers, die het eerste gedeelte hunner leerrede altijd zetten in
den toon van »o wee, o wee!«, maar bij het tweede gedeelte geregeld
overgingen in dien van het »hoezee, hoezee!« Het zal den schijn wekken,
alsof ik in de nog restende bladzijden van dit boekje dat laakbaar
voorbeeld volg. Het is maar schijn. Want niet uit oppervlakkig
optimisme, maar wezenlijk op grond, van wat de geschiedenis mij schijnt
te leeren, houd ik mij overtuigd, dat in het huwelijksleven ten onzent
als regel het goede het booze overtrof. Het kwaad, waarvan wij getuigen
waren, is dat van bepaalde kringen. Landgenoot en vreemdeling bewijzen
ons dat in tal van berichten, bevestigd door wat de geschiedenis van de
maatschappij, de kunst, de wetenschap, de familie ons leert. De breede
middellaag, wij zeiden het reeds in ander verband, der natie biedt het
schouwspel van zuiverder zeden, »die gelukkige middenstand«, zegt Betje
Wolff in haar »Proeve over de opvoeding«, »waarvan ik welverzekerd ben,
dat ik daar het grootste getal brave vrouwen en tedere moeders zal
vinden«. Het is het schouwspel van het huiselijke, het ingetogene,
schoon niet altijd bevallige. Dezelfde Van Effen van daareven getuigt
ook: »Le mariage, qui ouvre la carrière de la galanterie aux Françoises
la ferme d'ordinaire aux belles de ce pays. La mode n'a pas encore
réussi à falsifier chez nous les idées de l'amour conjugal... Les maris
et les femmes s'aiment bourgeoisement et de toute leur âme.. ce sont des
baisers perpétuels... et si indiscrets qu'on les entendroit quand on
ne les verroit pas.. Nos coeurs ressemblent assez à nos tourbes, ils
brulent lentement et longtems.. Les femmes de Hollande n'ont pas assez
de vanité pour polir les agrémens brutes qu'elles ont reçu de la nature,
qui n'embellit jamais tout à fait et qui laisse toujours quelque chose à
faire à l'industrie..« Dit werd geschreven 12 September 1718. Men ziet
het: het burgerlijke, het rustige, het weinig romantische, maar het
eerbare. Reeds de Engelsche gezant Sir William Temple (1668.1672) had
dien indruk van onze huisgezinnen, waar de vrouw het bestuur heeft,
waaraan man en kinderen zich gaarne onderwerpen, waar het leven rustig,
onbesproken voortvloeit. Gelijk uit diezelfde jaren, 1664, een ons
overigens niet goed gezind Engelsch pamflettist getuigt van de mannen in
Holland: »Chast and modest to their women, being strangers to the two
formentors of lust, idleness and courtship; alwayes doing less then they
speak and speaking less then they think«. Goed gezind was ons zeker ook
niet Oliver Goldsmith, maar zijn getuigenis (1759) is met dat al van
waarde: »De Engelschen« (ik geef de vertaling van dr. Barnauw) »hebben
hunne vrouwen lief met veel hartstocht, de Hollanders met omzichtigheid.
De Engelschen geven met hun hand hun hart, de Hollanders geven hun hand,
maar houden wijselijk hun hart achterwege. Er schijnt weinig verschil
tusschen een Hollandschen bruidegom en den Hollandschen echtgenoot.
Beiden kenmerken zich door een zelfde koele, niet te overrompelen
kalmte. Zij verwachten Elysium noch Paradijs achter het bedgordijn en
»Yiffrow« is zoomin eene godinne in den huwelijksnacht als na tien jaren
huwelijksintimiteit«. Dit is boosaardig en wezenlijk onwaar. Maar het is
hetzelfde verschijnsel, van het koele, het weinig bevallige, maar het
hechte en solidene, dat uit de schampere woorden kan worden opgemaakt.