maar de uitkomst is dezelfde. Hij dan schrijft (1773): »Presque toutes
les femmes y (in Holland) étant sages, il y a peu d'hommes dérangés et
de mauvais ménages. L'intérêt, le travail, l'amour du gain, l'assiduité
aux affaires et le gout du commerce amortissent les passions; une
femme m'a dit qu'il y avait beaucoup d'indolents, mais presque point
d'amoureux. Le libertinage vague des hommes mariés est sévèrement puni«.
Vriendelijk is dit ook niet, maar altijd hetzelfde beeld. Eindelijk,
weder twintig jaren later (1792) een Duitscher, de reeds genoemde
Grabner: »De grond voor de echtelijke gelukzaligheid ligt in de
Nederlanden in den welstand, gelukkig temperament, zacht gedrag der
echtgenooten. De mannen laten den vrouwen het huisregiment, behandelen
haar met teederheid. De vrouwen zijn zorgvuldig, van onbevlekte trouw
en maken zich aan ijdele verspilling niet schuldig«. En dan laat hij
volgen: »worin Sie eben so sehr durch ihr gemässigtes Temperament als
die herrschenden Sitten unterstützt werden«. Hoe gelukkig hun echt is,
blijkt wel uit hun zilveren en gouden bruiloften. Ik sluit de rij met
weder een landgenoot, onzen raadpensionaris Schimmelpenninck, die,
het was 1803, op een gezegde van Napoleon: »ik weet dat gij gelukkig
getrouwd zijt«, antwoordde: »In dat opzicht doen wij ons best trouw te
blijven aan onze bataafsche zeden«.
Ziethier een wolk van getuigen. Welnu, thans laten wij (om naast dit
grovere nu ook aan het fijne en verhevene recht te doen) de geslachten
der menschen langs ons geestesoog voorbijgaan, eene lange, lange rij, en
telkens wordt onze liefderijke aandacht getrokken door wie in gelukkig
huwelijk vergaard waren, ziel met ziel te zaam gesmolten door dat
»krachtigste cement, dat harten bindt, waar muren breken tot puin
in 't end«. De martelaarsbrieven der oude doopsgezinden uit de jaren
1535 tot 1570, geschreven in het aangezicht des doods (vergelijk boven
blz. 29), uit den kerker, gunnen ons een diepen blik te slaan in het
geestelijk leven dezer »slachtschaapkens Christi«, hoe deze echtgenooten
elkander liefhebben, door de scheiding op het pijnlijkst gekweld,
elkander opbeuren en in het geloof opbouwen. Hoe zij elkander raad geven
voor den tijd, dat zij er een van beiden niet meer zijn zullen, over de
opvoeding der kinderen, over het weduwschap, waarbij soms van de zijde
van den man zich de natuurlijke en menschelijke jaloezie openbaart in
den wensch, dat de vrouw niet moge hertrouwen, hoe zij naar hun kinderen
verlangen en telkens vragen b.v. »kus mijn lief Susanneke...« inderdaad,
aan de edelste, echtelijke gevoelens zijn onze martelaarsboeken rijk!
En hier is ten jare 1566, in hervormde kringen, te Souburg op Walcheren
het echtpaar Adriaan de Decker en Petronella Pieters. De vrouw had op
drastische wijze een Maria-beeld beleedigd (door het met haren pantoffel
te slaan) en moest daarom sterven. De man bleef haar trouw, wilde haar
niet verlaten en zou met haar gehangen worden, zij echter het eerst,
omdat zij het feit had gepleegd. Toen haar de strik om den hals werd
gelegd, sloeg hij de oogen tot haar omhoog en zeide: »O, Nelle, waertoe
hebst dij ons in onze oude daghen gebracht«. Enkele oogenblikken later
was hij haar in den dood gevolgd.
Van trouwe huwelijksliefde bewaart aldus onze geschiedenis menig
treffend voorbeeld, waarvan wij er onzen lezers nog een enkel in
herinnering brengen. Het eerste is verbonden aan de Haarlemsche
burgemeestersvrouw Brecht Engbertsdr. Proosten, die wel verdiend heeft,
zegt Hooft (dien ik hier ga navertellen) haren naam uit het graf der
vergetelheid te houden. Het was 1573, Haarlem overgegeven en uitgemoord,
maar na den slag op de Zuiderzee bood de Spanjaard uitwisseling van
gevangenen aan. Burgemeester Pieter Kies, Brechtjes man, op zijn
eerewoord losgelaten, zou daarover met Verdugo te Amsterdam gaan
onderhandelen. Zijne vrouw vergezelde hem. Zij voeren in een open
schuit, en bij de waterpoort schoten eenige soldaten, bij ongeluk of met
opzet, op hen. Een kogel trof Brechtje in den arm en bleef in 't been
steken. Zij, die haren man kende als dapper en oploopend, verbeet zich
»zonder hagh oft wagh te zeggen« bevreesd, dat hij woedend worden en,
zich aan den schutter vergrijpend, in zijn gewissen dood loopen zou.
Eerst toen haar 't bloed bij de kleederen neêrliep, ontdekte haar man
wat was geschied, stoof op, wilde aan land... maar toen was de schuit
al ver genoeg.
Het tweede voorbeeld verplaatst ons naar 't slot Loevestein. Daar was
in 1624 als gevangene binnengebracht Arnold Geesteranus, remonstrantsch
predikant, omdat hij, tegen den wil der bovendrijvende partij, was
voortgegaan met voor zijn vervolgde geloofsgenooten te prediken.
Loevestein was vol, dus sloot men hem in een nauw en rookerig vertrek
in een der torens. Nu was Arnold vroeger verloofd geweest met Susanna
Oostdijk, uit eene deftige Brielsche familie, maar had haar heur woord
teruggegeven, omdat hij haar niet aan zijn leven van zorgen en gevaren
wilde binden. Zij van haren kant werd bovendien nog tegengehouden door
de zorg voor eene ziekelijke moeder. Maar toen deze gestorven was en
Susanna hoorde, dat Arnoldus levenslang op Loevestein gevangen zitten
zou, aarzelde zij niet, snelde naar hem toe en bood hem aan, als zijne
vrouw, zijn kerker met hem te deelen. De Staten gaven toestemming, de
geboden werden gelezen en de oude dominee Jodocus Geesteranus van
Gorinchem, Arnolds vader, maar contra-remonstrant, zegende het huwelijk
in. Velen hebben het geval bezongen, o. a. Tollens:
. . . . . . . . . . . . . . . . .
»En na een vlugtig aantal dagen
Werd in de slotkerk op het koor
Een huwelijksouter aangedragen
En 't jeugdig bruidspaar knielde er voor.
Een diepe stilte daalde neder;
Geen wapen kletterde in 't portaal,
Geen grendelslot ging heen en weder,
Geen adem fluisterde in de zaal.
't Was alles aandacht.......
Wie ooit dat grijs kasteel beziet,
Waar zooveel achtbre schimmen zweven
Waar zooveel wonders is bedreven,
Verzuim' hij Sannaas kerker niet!
En wie den voet zet op den drempel,
Hij tree de cel met eerbied in,
Want liefde en trouw en huwlijksmin
Had eens dien kerker tot haar tempel.«
Het is ouderwetsche dichtkunst, deze ballade, daarom niet zonder
bekoring. Tot onze vreugde valt ons te binnen, dat Geesteranus met
zijne lotgenooten 19 Juli 1631 heeft kunnen ontvluchten en dat zijne
dappere vrouw verlof kreeg hem te volgen.
Eindelijk nog uit dezen zelfden tijd vermeld ik de Rispa-rol door de
vrouw van Hendrik Slatius gespeeld. Deze gewezen predikant had een
werkzaam aandeel genomen in de befaamde samenzwering tegen prins
Maurits, was te Rolde gevangen genomen (nog is de spreekwijze niet
onbekend: »Slatius laat zijn kan bier staan«) en 5 Mei 1623 in Den
Haag onthoofd. Men kan er in de romanliteratuur Lodewijk Mulders »Jan
Faessen« op nalezen. Het lichaam werd op het galgenveld bij Rijswijk op
een horizontaal rad gelegd, waaraan ook zijne rechterhand, door den
beul, met het hoofd, afgehouwen, gespijkerd werd. Zes dagen later, in
den nacht tusschen 11 en 12 Mei kwam Slatius' weduwe, de zuster van een
der andere veroordeelden Cornelis Gerritsz., en stal het lijk van het
rad. Dit »kraaienaas« (zeggen de gelijktijdige historici) begroef zij in
een akker bij de Geestbrug omtrent eene spade diep onder de aarde. Maar
nog vond het geen rust. Den 16den Mei ontdekte een boer het bij het
ploegen, hij waarschuwde het gerecht en toen sleepte men het lijk weder
naar 't galgenveld, gelijk staat afgebeeld, in akelige ruwheid, op de
prent uit dien tijd »Slatius komt uyt het graf«. Maar ten tweeden male
stal de weduwe het lichaam van het rad. Toen voerde zij het per schuit
»eenen grooten stanck van zich gevende« door Leiden naar Warmond en
begroef het daar in een boomgaard, waar het niet meer werd verontrust en
»mogelijk sal leggen tot d'opstanding uit de dooden«. Wat Slatius' vrouw
aangaat, haar trouw is niet minder groot dan van Maria van Reigersberch,
al werd zij aan onwaardiger voorwerp geschonken.
En nu, om enkele bekender gestalten langs den lezer heen te voeren, hier
zijn Jacobus Arminius en Elisabeth Reaal, Johannes Bogerman en Grietje
Piers, Vondel met zijn Maaike Wolff, in de aandoenlijkste verzen
herdacht:
»Hoe veer dees voeten moghten dwalen,
'k Sal derwaert mijn bedruckt gesicht
Noch slaan, daar voor het rijsend licht
Uw bleeke star ging onderdalen..«
en Rembrandt met Saskia, op onsterfelijk doek vereeuwigd. Langs ons
heen gaan Dirk Volkerts Coornhert en Neeltje Simonsdr., wier »herten
elkander liefhadden«, en Huig de Groot met Maria van Reigersberch, en
Oldenbarnevelt met Maria van Utrecht. Daar schrijden voort, hand in
hand, Huygens met Susanne van Baerle, zijne »sterre« (»nu 't den hemel
soo gepast heeft, dat mijn ziel aan d'uwe vastleeft«) en Balthasar
Bekker met Froukje Fullenius,
»hertlieve seer getrouwe,
Vernoegde deelgenoot in voorspoed als in rouwe..«
en Jacobus Fruytier, de heftige voetiaan, maar trouw en zacht tegenover
zijne »zeer waarde en veel geliefde huisvrouw«, Agneta Sassenraat, en
burgemeester de Beyer van Nijmegen, die zijne gestorven vrouw zoo bitter
beweent, en (in dat zelfde midden der 18de eeuw) de ouders der bekende
Belle van Zuylen, en de Amsterdamsche koopman Jacob de Clercq, van wien
zijn Zweedsche gast Ferrner getuigt, dat hij nooit gelukkiger getrouwd
man zag...
Zoo glijdt de stoet der »zwevende gestalten« voor onze oogen voorbij.
En als op zijne verheven geleidsters zien wij op de vorstinnen, die het
leven van de twee grootste Oranjevorsten hebben gewijd: Charlotte van
Bourbon en Louise de Coligny èn Maria, de vrouw des konings-stadhouders,
die, in dagboek en brieven hare reine ziel ons openlegt en die haren
echtgenoot, met zijne zonden en afwijkingen, heeft bemind met eene
liefde, zooals er inderdaad »geene Gods liefde naderkomt«. Zoet is ons
de gedachte, dat, toen Willem III, groot bij zijne niet geringe fouten,
in den morgen van 19 Maart 1702, stierf, hij op zijn borst bleek te
dragen een zijden lint met een haarlok en een gouden ring der vrouw, die
eindelijk ook zijne liefde gewonnen had.
Geen beteren naam dan den haren konden wij schrijven aan het einde van
dit hoofdstuk over het huwelijksleven der vaderen, het einde meteen van
het gansche boekje, dat over hun verloven en trouwen den toegenegen
lezer eenige kennis moge hebben aangebracht.
7 Maart 1914.
+----------------------------------------------+
| |
| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
| |
| De volgende correcties zijn in de tekst |
| aangebracht: |
| |
| Bron (B:) -- Correctie (C:) |
| |
| B: Inleiding 3 |
| C: Voorrede 1 |
| B: ons een ooggetuige. »twee |
| C: ons een ooggetuige, »twee |
| B: Anna Adlischweiler, brief dien men |
| C: Anna Adlischweiler, een brief dien men |
| B: dravers komt voor of de |
| C: dravers« komt voor of de |
| B: gezelschapsspelen, vrijer en osser |
| C: gezelschapsspelen, vrijer en losser |
| B: ende anders voirdeel te hebben) |
| C: ende anders voirdeel te hebben«) |
| B: gemeente.« »Dat nochtans, ook |
| C: gemeente.« Dat nochtans, ook |
| B: wife Jane was »»about the |
| C: wife Jane was »about the |
| B: den ondertrouw diende partijen |
| C: den ondertrouw dienden partijen |
| B: geneigd het een »abonimabel |
| C: geneigd het een »abominabel |
| B: huwelijk vader was van Ariaantje. |
| C: huwelijk vader was van Arriaantje. |
| B: Philogamos in Cat's »Weduwenhouwelijk« |
| C: Philogamos in Cats' »Weduwenhouwelijk« |
| B: nog eerder Rembrandt's »Joodsche |
| C: nog eerder Rembrandts »Joodsche |
| B: ende vooght A.A.?«« Beyde geantwoort |
| C: ende vooght A.A.?« Beyde geantwoort |
| B: wijders aldus: »»Ende belooft malcander |
| C: wijders aldus: »Ende belooft malcander |
| B: doot scheyden sal?«« Weder geantwoort |
| C: doot scheyden sal?« Weder geantwoort |
| B: armen.« |
| C: armen.«« |
| B: officieële inschrijving wel op prijs |
| C: officiëele inschrijving wel op prijs |
| B: But thou, foul Cupid, sire |
| C: »But thou, foul Cupid, sire |
| B: En dit alles niet maar theorie. |
| C: En dit alles was niet maar theorie. |
| B: alleguéz et aux aultres |
| C: alléguez et aux aultres |
| B: losgelaten, zoo daarover met Verdugo |
| C: losgelaten, zou daarover met Verdugo |
| |
+----------------------------------------------+