Schoonhoven om scheiding, zij was getrouwd met een man, die weleer
furieus (d. i. krankzinnig) geweest, maar ten dage des huwelijks kloek
van zinnen was. Nu was hij echter weêr furieus. Haar verzoek werd
afgewezen en zij moest met den krankzinnige blijven leven--tenzij de
overheid ingreep. Deze strengheid der kerk ontaardt in rigorisme.
Want van haar is ook deze beslissing. Gevraagd »oft yemandt, eene
onsinnige oft rasende partuere hebbend, na veel jaeren, als de saeck,
na menschenoordeel, tot beteringe desparaet is, nyet en sal mogen
scheyden en eene andere trouwen«, antwoordt de kerk: »men vindt nyet,
dat sulx toegelaten moge worden ende daeromme sal deghene diet aengaat
vermaent worden sijn cruys met gedult te dragen ende te wachten op Gods
verlossinge«. Tot eene andere verlossing vond zij geene vrijmoedigheid
mede te werken.
Dit is zeker hard. Toch hebben wij voor dit rigorisme nog meer
bewondering dan voor eene slapheid als die der roomsche geestelijkheid
in de dagen van haar verval onder Karel V. Te Cats in Zeeland, laat ik
mij door dr. J. S. Theissen vertellen in zijn boek over de regeering
diens keizers, verslingerde zekere Pieter Yemants zich aan een meisje
van slechte zeden. Zij trouwden voor deken en provisor van Walcheren,
die hun echter later samenwoning verboden en te Utrecht een proces tot
scheiding tegen hem aanhangig maakten, toen hij niet gehoorzaamde. Ook
sloegen zij hem met den ban, toen hij de hem opgelegde boete weigerde te
betalen. Pieter beriep zich toen op de wereldlijke overheid, want »die
provisoer ende deken, tselve considereerende ende souckende nyet alleen
die salicheyt vanden sielen vanden voorsz. contrahenten, maar oick mede
die gecruyste sielen, daarmen die roode butter omme coopt« (nl. het
geld; maar de juiste beteekenis ontsnapt mij) »ende verhopende geen
schade, maer groote bate hier uyt te gecrigen, hebben middelen gesocht
omme den contrahenten wederomme te onttrouwen.«
* * * * *
Hoogst eigenaardige practijken treffen wij in de 16de en nog in de
17de eeuw aan bij de doopsgezinden ten onzent, de eenig overgebleven,
maar talrijke, groep van de vele anabaptistische uit het tweede en derde
tiental jaren der 16de eeuw. Maar ook deze doopsgezinden waren nog in
talrijke grootere en kleinere groepen gesplitst. Onder deze waren er,
die met strengheid den ban toepasten d. i. de uitwijzing uit de gemeente
en daaraan, even streng, verbonden den eisch tot echtmijding. Wanneer
nl. een man of vrouw uit de gemeente gebannen was, dan moest zelfs de
echtgenoot hem of haar met de gemeente mijden. De ban bracht dus (voor
't minst tijdelijke) echtscheiding met zich. Ik haast mij er bij te
voegen, dat er ook zeer milde secten en personen onder hen waren, die
(als Matthijs Servaes) niet wilden, dat echtgenooten elkander zouden
»schouwen ende mijden«, omdat zij één vleesch zijn, en die, mèt de
Hoogduitsche broeders op een convent van 1557, zeiden: »dat gebodt des
Echtstants draeght veel meer (heeft grooter gezag) dan de mijdinghe«.
Ook Menno Simons was aanvankelijk tegen de echtmijding. In een brief van
12 November 1556 aan de broeders te Emden over de geruchtmakende zaak
van Swaantje Rutgers, die weigerde haren man, schoon uit de gemeente
gebannen, aan tafel en in bed te mijden, koos Menno de partij der vrouw
en van wie haar gelijk gaven. Hij oordeelde, dat de afzondering uit de
gemeente tot betering niet tot verderving gegeven is. »Daervoor wil mijn
de bermhertighe Heere verhoeden, dat ick dat toestaen soude«, dat wie
elkander jaren lang als echtelieden toebehoord hebben, alzoo zouden
gescheiden worden. »Ende is derhalve mijn siel een groote smerte... dat
men Swaan Rutgers... daarom den duivel overgeven sal.« Hij begeerde, ook
in deze zaak, een evangelie te leeren, dat bouwt en niet breekt, dat wèl
en niet kwalijk riekt. Later is Menno echter, onder allerlei invloeden,
tot de strenge partij overgegaan, ofschoon hij in zijne laatste ziekte
daarvan weder berouw had en zeide: »Hoe leet is mij, dat ick die
echtmijdinge hebbe geconsenteerd«. Wij echter hebben met die strenge
richting onder de doopsgezinden alleen te doen.
Wanneer bij hen een huwelijk besloten was, ondervroegen de dienaars
bruidegom en bruid vooral over den ban, of zij bij geval elkander mijden
zouden? Zeiden zij neen, dan mocht het huwelijk niet doorgaan. De
echtmijding, in zichzelve al bedenkelijk, voerde tot allerlei ellende
en tot misdadige practijken, die ook buiten doopsgezinde kringen haren
invloed gelden deden. Vooreerst--gelijk de tegenstanders opmerkten--wie
de gave der onthouding niet heeft »ende nochtans tot afscheydinge
gedrongen wert, hoe can die sonder sonde ende besmettinge leven?«
Echtmijding voert tot ontucht.
Dan geschiedde het menigmaal, dat man en vrouw gewelddadig gescheiden
werden, »dat wijf van haren gebanden man heymelick ende subtijlick,
buyten weten en willen van denselven haren man, vervoert ende
verborgen... waardoor eenige totter doodt toe van hare huysvrouwen
deerlijck sijn berooft ghebleven.« Uit wanhoop sloegen zij dan vaak de
hand aan zich zelven, waarvan verscheiden voorbeelden tot ons gekomen
zijn, of, kalmer, maar niet minder tragisch, men deelde kinderen en
goederen en zag elkander niet weder.
De ellende, door dit barbaarsche stelsel veroorzaakt, treedt ons
duidelijk voor oogen in de geschiedenis van Dionies van Walle,
grijnwever van beroep, wonende in de korte Koppenhincksteeg te
Leiden. Deze man was getrouwd met eene doopsgezinde vrouw en hare
geloofsgenooten »hadden haar mèt hare kinderen ontvoerd en nu al 14
maanden bij zich gehouden«. Zóó luidde zijne klacht voor de Schiedamsche
synode in 1588. Zelfs zouden zij verklaard hebben, dat Dionies zijne
vrouw niet zou terug zien, zoolang zij vruchtbaar was. De synode, niet
ten onrechte vertoornd over deze »menschendiverie«, gaf den man zooveel
troost als zij kon: de magistraat te Leiden had al besloten, dat de
vrouw met klokslag zou worden ingeroepen. Ook spreekt het van zelf, dat
de schout de zaak onderzocht, waarbij hij den indruk kreeg, dat Maaiken
van Rebaus, zoo heette de vrouw, minder was weggeroofd dan wel haar man
had verlaten, zooals zij vroeger ook al eens te Haarlem had gedaan »omme
vant kinde daer mede zij swanger was heymelijken te geleggen ten eynde
tselve haer kint niet en soude worden gedoopt«. Zij wilde terugkeeren,
als de man beloven wilde het kind niet gereformeerd te doopen--en daarop
is de zaak afgestuit. Het verder verloop der geschiedenis is ons niet
overgeleverd, maar duidelijk blijkt welk eene verwoesting de echtmijding
in de gezinnen bracht, waarbij het er weinig toe doet of Maaiken is
ontvoerd, dan wel in overleg met hare geloofsgenooten zelve is gegaan.
Wel begrijpelijk zeide nog Jan Vos in een zijner puntdichten:
»Gij bant het wijf als 't met haar echte man wil eeten,
Zoo 't bannen duivels is, zoo moet gij duivels heeten.«
Ook was het natuurlijk, dat de overheid deed wat zij kon, om het kwaad
tegen te gaan, wat zeer moeielijk viel, omdat het 't inwendig leven der
gemeenten raakte. De Staten van Friesland namen b.v. 8 April 1597 deze
resolutie aan: »Alsoe eenige mennonyten hen onderwynden niet alleen
echteluyden te scheyden, maar oock (afvalligen).. te scheyden, bannen
ende den duyvel overgeven...« verbieden zij de toepassing van den
ban, die tot echtscheiding voert, waarvan ook echtbreuk, wanhoop en
dergelijke het gevolg zijn en bedreigen leeraren en vermaners, die
er toe medewerken, de eerste maal met geldboete, daarna met eeuwige
verbanning.
Voorts hebben calvinistisch-gereformeerden en
remonstrantsch-gereformeerden (want op dit punt trokken zij één lijn)
de echtmijding bestreden met de pen. Petrus Bloccius veroordeelt (1567)
»sommige, die willen verstandt hebben van den ban, drijven die so
tyrannisch als dat se man ende wijf scheyden tegen de leer Christi,
Matth. V, Rom. VIII..« Ook theologen als à Limborch en Episcopius
veroordeelen de echtmijding op bijbelsche gronden; Episcopius wijdt er
20 November 1633 eene gansche predikatie aan, later door à Limborch
gebruikt voor zijn boek, waarin hij opsomt, waarom zij te veroordeelen
is, de argumenten en teksten der doopsgezinden vóór de echtmijding
uitvoerig weêrlegt en dan zegt: Wij zouden nog veel andere dingen kunnen
noemen, »maar de tijt en onse krachten en laten het niet toe«. Dit
gelooven wij gaarne. Zelfs het uithoudings- en verduwingsvermogen der
vaderen voor lange predikatiën werd door dit (juiste, maar) al te lange
vertoog op te zware proef gesteld.
* * * * *
De gevoelens over hertrouw hangen met die over scheiding samen. Hertrouw
was volgens staats- en kerkrecht geoorloofd onder zekere voorwaarden.
Het Romeinsche zoowel als het Germaansche recht staan het tweede
huwelijk toe met een treurtijd van een jaar, het rouwjaar, opdat er
geen »bloedsverwarring« zou plaats hebben en er geene onzekerheid zou
zijn, wie de vader was van het, na den dood des eersten mans, geboren
kind, voorts ook om het openbare eerbaarheidsgevoel te eerbiedigen.
De protestantsche theologen beriepen zich, om het geoorloofde van eene
»huwelijksherhaling« te bewijzen op Jozef, die weduwnaar was, toen hij
zich met Maria verloofde, zoodat God heeft gewild, dat Zijn Zoon uit
een tweede huwelijk werd geboren! Ook de stamvader van David was immers
uit Ruth's tweede huwelijk gesproten? Zoo het geestelijker ware bij één
huwelijk te blijven, dan ware het coelibaat nog geestelijker. Als God
zegt: 't is niet goed, dat de mensch alleen zij, of: vermenigvuldigt
u, dan geldt dit ook voor een weduwnaar enz. enz. Niet-kerkelijke
schrijvers ontleenen hunne argumenten insgelijks aan het goddelijk en
menschelijk recht. Jacob Cats zegt, dat veroordeeling van het tweede
huwelijk roomsch is en dus onder ons niet behoeft te gelden:
»'k En wil nogh evenwel geen menschen wederhouwen,
Van weder als het dient of andermaal te trouwen,
Al wat hier tegen wrocht is oude ketters werck,
Dat noyt en heeft behaeght aan Godes ware kerck,«
maar hij raadt toch groote voorzichtigheid aan:
»Het is van outs gelooft, dat veeltijts nieuwe trou
Gedijt tot nieuwen twist of tot een nieuwen rou.«
Een schoen, gevormd alreede naar den eersten voet, voegt zich met moeite
aan den tweeden.
De practijk liet zich door deze waarschuwing echter zelden tegenhouden.
Er zijn zeker voorbeelden, van wie na een eerste huwelijk weduwnaar
bleven, zeer bekend zijn die van Vondel en van Constantijn Huygens,
welke laatste in zijne gedichten daarvan uitleg geeft en zegt, dat hij
geene opvolgster wil geven aan wie met geene te vergelijken was, en dat
zijne vrienden hem niet langer moeten aanraden te hertrouwen: hij wil
geen slechte vrouw en een goede niet opnieuw verliezen. Het zijn verzen
van 6 Januari 1641, 14 Februari 1642 (in 't Latijn): den 13den Maart
1637 was Susanna van Baerle van eene dochter bevallen, den 30sten
ziek geworden en 10 Mei overleden. Maar regel was toch de hertrouw. De
vaderen, die zoo nadrukkelijk als huwelijksargument zich beriepen op het
paulinisch woord, dat trouwen beter is dan branden, voerden dit ook voor
het tweede huwelijk aan.
Dit zijn geen dingen, waarover men heden ten dage openlijk spreekt;
er was een tijd, dat men er eerlijk voor uitkwam. En wel zelden heeft
iemand dit nobeler en treffender gedaan dan prins Willem I. In 1575 was
hij voor de derde maal gehuwd met Charlotte van Bourbon, die hem door
hare lieftalligheid, trouwe zorg en weinig-voor-zich-zelve-eischen
zeer gelukkig maken en de ellende van zijn tweede huwelijk zou vergeten
doen. Welnu, het was 7 Juli 1575 dat de prins (kort dus na zijn
bruiloftsdag) uit Dordrecht aan zijn broeder Jan schreef: »Car, quand
à ce que vous alléguez qu'en priant Dieu et m'efforçant j'eusse bien
peu obtenir plus longtemps la graçe et le don de continence sans prendre
le soubdain conseil de me marier--je ne veulx pas le desbattre; mais
puisque le dilay n'eust peu remédier à aucuns inconvéniens par vous
alléguez et aux aultres y eust peu beaucoup nuire, j'estyme que ce
seroit esté peine perdu de pourchasser ceste requeste de Dieu, lequel
ne m'a jamais promis de le donner..«
Wat in de tweede plaats ook niet mag vergeten worden is de groote en
droevige sterfte onder de vrouwen toenmaals. Wie eenmaal geleerd heeft
op dit verschijnsel te letten, ziet het onze gansche geschiedenis
door: de kraamvrouwensterfte is groot door de slechte verloskunde, en
daarnaast putten de talrijke bevallingen de moeders uit. Vandaar, dat
wij bij al die mannen, die maar eenigszins voor ons uit de vergetelheid
in 't licht treden, staatslieden, geleerden, kunstenaars en dergelijken,
vinden, dat zij (in den regel) twee- driemaal gehuwd zijn geweest.
Langer kan ik bij dit punt hier niet stilstaan, omdat het niet tot ons
eigenlijk onderwerp behoort, maar »De Rijn« van Borger bezingt, wat in
tal van gezinnen oorzaak was van diepen rouw... én oorzaak meteen van
eene nieuwe verbintenis.
Voor de goede orde nu kwam het vooral aan op de vaststelling van den
tijd, die tusschen eerste en tweede huwelijk verloopen moest. In 1619
nog was het noodig te vragen, of het niet goed zou zijn, dat men eene
orde beraamde op het hertrouwen, opdat er een goede tijd tusschen
afsterven en hertrouwen zijn mocht? Reeds in 1583 was er bij de Staten
van Holland en West-Friesland aangedrongen op eene wet »op 't punt der
weduwen, die te vroeg hertrouwen«. Want wel gold, gelijk wij zeiden en
om nog eens met Cats te spreken: »een jaar is voor den rou, dat is een
oude wet«, maar hij laat er terecht op volgen:
».. of immers naar de keuren,
Die yder lantschap heeft als eygen om te treuren.«
En zoo was het ook. In Groningen gold ten jare 1639 de rouwtijd voor de
vrouw één jaar en zes weken, of zóólang als zij van haren eersten man
zwanger ging. Tegelijk werden dan beschermende maatregelen getroffen
voor de kinderen uit het eerste huwelijk. In de Ommelanden mochten de
geboden voor het tweede huwelijk niet gaan, vóórdat voor die kinderen
gezorgd was. Desgelijks bepaalde ook het Drenthsche landrecht. Bij
hertrouw moesten de voorkinderen door voormombers verzorgd en hun de
goederen van eigen vader of moeder gewaarborgd worden, bij gebreke
waarvan man of vrouw hunne bezittingen uit het eerste huwelijk verloren
en tien goudguldens boete hadden te betalen. »Ende de predikant, die
hier tegens de kundiging mogte doen, vijf goutguldens«.
Zoo ging het ook met Nederlanders in den vreemde. In het oud-notarieel
archief te Rome bevindt zich o. a. (volgens vriendelijke mededeeling
van prof. Hensen te Warmond) eene door notaris Cusano opgemaakte
akte, waarbij twee gevolmachtigden »Guiseppe Campo« d. i. à Camper
en Guglielmo Blomaerts, burgers van 's-Hertogenbosch opkomen voor het
kindsgedeelte uit de nalatenschap van Gerrit Ameyden, vader van den
grooten advocaat en journalist te Rome, Dirk Ameyden (1586-1656). De
moeder, Maria à Camper, wilde hertrouwen en deze beide burgers zorgden
voor de belangen van het voorkind.
Om naar het vaderland terug te keeren: in de ordonnantie op den
houwelijken staat in Overijsel van 18 Juni 1603 staat voorgeschreven,
dat als de »verknuppinghe des houwelijcks« door den dood of wettelijke
oorzaken wordt verbroken, de hertrouw geoorloofd is, voor den man na
drie maanden, voor de vrouw na zes. In Utrecht gold als treurtijd
twintig weken. In Leiden mocht de weduwe niet trouwen vóór zes maanden
na haars mans dood, tenzij zij binnen dien termijn was bevallen. Maar
trouwde zij, zwanger zijnde van haren eersten man, dan werden zij
en hare getuigen »arbitralijck gecorrigeerd«. In Amsterdam golden
dezelfde zes maanden, in de generaliteitslanden moesten de weduwen
negen maanden geduld hebben, in Zeeland (niet van overheidswege, maar
volgens kerkelijke bepalingen) achttien weken voor weduwen, acht voor
weduwnaars... maar vier en twintig weken, zoo zij predikant waren. Die
moesten wat meer zelfbeheersching toonen.
Omdat echtscheiding werd toegestaan o. a. bij verlating, moest ook
hertrouw bij verlating geregeld worden. In de generaliteitslanden
moest de verlaten vrouw vijf jaar met een ander huwelijk wachten. Zoo
ook in Zeeland. Elders korter, maar in Overijsel ook vijf jaar. Echter
geschiedde ook andersom: vrouwen, die van haar mannen wegliepen. In
zulke gevallen placht de kerkeraad bij de magistraat ter plaatse verlof
tot hertrouw te vragen, bij weigering zich te wenden tot het Hof.
In Enkhuizen deed zich in 1599 't volgend geval voor. Daar was een
manspersoon komen wonen, die »in Brabant sijn huysvrou int leven heeft
gelaten... ende heeft hier 14 jaren in overspel bij een andere geseten,
hoewel hij te vooren devoir hadde gedaan om sijn huysvrou bij hem te
ontbieden. De vrouwe, die hij in Brabant verlaten heeft, heeft getoeft
7 jaren, daerna is sij in 't pausdom met eenen anderen getraut, daer
sij vijf kinderen bij heeft.« Nu had intusschen de man te Enkhuizen
zijne »bijzittige« door den dood verloren en vroeg te mogen hertrouwen,
»voorgevende niet te hebben donum continentiae«. De kerkeraad besloot
toen voor hem bij de overheid verlof te vragen.
Wij besluiten met eene soortgelijke geschiedenis anno 1624. In
Dordrecht woonde iemand, wiens vrouw aan eene ongeneeselijke ziekte
leed. Hij was toen naar Leiden gegaan en had daar eene vrouw
»aengeslagen«, die in tien jaren van haren man, een matroos, niets had
vernomen. Na eenigen tijd kregen zij bericht van den dood, zoowel der
zieke vrouw als van den zeevaarder, waarop zij te Delft waren getrouwd,
maar te Leiden blijven wonen. De man, door den kerkeraad te Leiden van
het avondmaal geweerd, verzocht thans weêr daartoe te mogen worden
toegelaten. En hij verklaart, dat »soo hij de vrouw verlaeten moet
om te moogen saligh werden, dat hij liever haer, dan sijne salicheyt
verlaeten wil, hoewel hij liever bij haer blijven soude, indien het
buyten verlies sijner salicheyt conde geschieden«. Omdat nu het huwelijk
reeds was gesloten, werd goedgevonden »dat men desen man, hem vroom
dragende, met leetwesen ende schultbekenninge sal mogen aennemen.« De
lezer heeft bespeurd, dat deze en dergelijke gevallen van verlating
natuurlijkerwijze overgaan in gevallen van overspel. Deze dordtrechtsche
overtreder had niet mogen trouwen. Want immers, wie bij het leven zijner
vrouw met eene andere had geboeleerd, mocht na den dood zijner vrouw
geene geboden met die andere laten gaan. Met deze overweging hebben wij
ons meteen den weg gebaand tot ons laatste hoofdstuk.
HOOFDSTUK VIII.
HUWELIJKSLEVEN.
Wij wenschen ten besluite eenig licht te laten vallen op het
huwelijksleven der vaderen, het goede en het booze, maar mogen de
belijdenis niet achterhouden, dat wij daarin maar zeer gebrekkig slagen
zullen, met name wat betreft de eigenlijke huwelijksverhoudingen. Want
vooreerst dient daartoe nog allerlei ruw materiaal te worden bewerkt; en
vooral ontsnapt het beste ervan aan onze waarneming, omdat het intieme
geluk geen openbaarheid wil en wilde, het slechte daarentegen zich aan
ons opdringt en (b.v. door processtukken) brutaal aan den dag treedt.
De rechtstoestand der gehuwde vrouw herinnerde (in hare
ondergeschiktheid en minderwaardigheid) in onze periode nog sterk aan
vroeger eeuwen. Naar Oudhollandsch recht was de vrouw haren echtgenoot
onbeperkte gehoorzaamheid schuldig, hij beheert hare goederen, hij kan
roerend goed vrij vervreemden, zijne schulden binden ook haar. Voor het
drijven van koopmanschap behoeft zij zijne toestemming; daarentegen
mag zij bepaalde goederen (b.v. speldegeld gelijk wij zagen) van het
beheer door den man uitsluiten en heeft zij ook vrije beschikking
over de benoodigdheden voor de huishouding. Zij mag niet in rechte
verschijnen zonder toestemming van haren echtgenoot en mag als regel ook
geen eed afleggen. Ook mist zij de ouderlijke macht. Aanvankelijk had
zij bij den dood van haren man ook niet het recht van boedelafstand.
Maar later kwam men haar hierin te hulp, en om te vóórkomen, dat
de man den gemeenen boedel met schulden bezwaren zou, welke de baten
overtroffen, kon de vrouw, bij overlijden van den man, de gemeenschap
verlaten en den doode met de schade alleen laten blijven. Daartoe had
zij slechts de sleutels op de doodkist te leggen en het huis uit te
gaan, of een korenhalm weg te werpen als zinnebeeld van boedelafstand,
waarna zij voor de betaling der schulden niet meer aansprakelijk was.
Nog later was eene verklaring voor schepenen en twee getuigen voldoende
met het in bewaring geven van den sleutel. In al deze dingen hebben
Romeinsch, Germaansch en kanoniek recht eendrachtig samengewerkt.
Want wel had de katholieke kerk verboden, om de vrouw bij overspel
te dooden, wel had zij het verstootingsrecht beperkt, maar de
minderwaardigheid der vrouw had ook zij, mede op bijbelsche gronden,
haren leden ingeprent.
Al verder had de man het recht zijne vrouw te tuchtigen en de bepalingen
daaromtrent zijn van de uiterste ruwheid, niet slechts in middeleeuwsche
keuren en handvesten, maar in ordonnanties tot op 't einde der
republiek: eene donkere bladzijde in onze beschavingsgeschiedenis.
Strafbaar was slechts zware mishandeling d. i. »enormelicken slaen mit
vuysten, stocken ende diergel., met hooftwonden of andere merckelijcke
quetsingen, indien daer bloet na volchde.«
Hoe Leidsche burgers in den aanvang der 16de eeuw van dat recht
gebruik maakten, heb ik lang geleden uit de vonnissen van de schepenbank
te Leiden aangetoond. Vrouwenmishandeling (buiten de grenzen van het
toen geoorloofde) scheen daar wel aan de orde van den dag, en voor
woestaards, die zich daaraan schuldig maakten, was de toren Eversteen
aan der stede veste bezuiden de Witte poort bestemd: »... sal geleyt
worden beneden in eversteen ende dair blijven liggen den tijt van 14
dagen ten exemple van alle degenen, die hoir huysvrouwen slaen...« Hier
is Cornelis Huygen, die »mit sijne huysvrouwe seer qualicken geleeft
heeft, hair smitende, treckende bij den hair ende onder de voet werpende
ende hair clederen ontwien snijende.« Hier verschijnt Cornelis Florisz.
alias Toet, die »wel droncken wesende up eenen heylighen dach omtrent
de middach thuys gecomen is vindende een huspot opt vier staan om te
coecken ende heeft dieselve huspot vant vier genomen ende mitte potte
over thuys (over den vloer) geworpen, zijne huysvrouwe zeer qualicken
toesprekende ende haer mitte schaerde vande selve pot enige gaten in
haer hooft gesmeten ende qualicken mit hair geleeft...«
Natuurlijk is dit niet de maatstaf voor den tijd: het zijn de rauwheden
van eene door armoede gedemoraliseerde weversbevolking in eene Leidsche
achterbuurt. Maar al ging dit de maat te buiten, ook tegen echtelijke
tuchtiging was de vrouw de gansche periode der republiek door maar
weinig beschermd. Wat de toestand althans niet beter maakte, was, dat de
gereformeerde kerk, die in veel opzichten eene tuchtmeesteresse geweest
is der onbesnoeide schare, te dezen opzichte, schoon hare dienaren
mishandeling straften, toch ook de onderworpenheid, de onwaardigheid
der vrouw leerde. Zij maakte de Oudtestamentische moraal van ettelijke
eeuwen vóór Christus zonder meer gezaghebbend voor Westersche toestanden
van 16 en 17 eeuwen n. C., en het is stuitend voor ons zedelijk gevoel
te bespeuren, hoe b.v. de moraal van Genesis III: 16 als onomstootelijk
bewijs geldt voor de leer, dat de man de meester, de vrouw de dienaresse
is. De theorie, zoowel van staat en kerk, stond dus laag, al willen wij
niet blind zijn voor kerkelijke uitspraken van hooger allooi, als daar
is, dat de dienaren twistenden zullen trachten wederom in trouw, liefde
en eenigheid te doen samenleven; dat een man, die met tirannie of fortse
zijne huisvrouw van 't avondmaal afhoudt, tot beter zal vermaand houden.