En dit geldt waarlijk ook buiten Vianen. Het gelukte al te vaak eene

overeenkomst te treffen, als het met verboden graden of getuigenissen

van vrijigheid niet in orde was, en trouwlustigen, die wat op hun

geweten hadden, konden voor klinkende munt al te lastig onderzoek

afkoopen. Geldzucht (heeft Fruin eens gezegd) was de groote zonde van

den tijd, en tal van schouten waren helaas omkoopbaar. Wat wonder,

dat de predikanten, die op dit punt zuiver van wandel waren, dat

trouwen voor den schout soms niet vertrouwden? Gelijk zij evenmin konden

toestaan, dat wie anders wel in de kerk kwamen, op 't stadhuis trouwden:

het was een »misbruijck der ordonnantie van de policye«.

Op den trouwdag werden de ringen veranderd. De vrijster draagt den

(verlovings)ring aan den linkerringvinger, dikwijls ook aan den duim,

na haar huwelijk aan rechtervinger of -duim. Zoo was het nog op 't

einde der Republiek. Wij durven, om ons bestek, over trouwringen niet

uitweiden, er zijn meesterwerken van kunst bij en sommige hebben een

Europeeschen naam, zooals de »ring van Frangipani«, ± 1514, thans te

Augsburg, met de ingegraveerde, bekoorlijke woorden »Myt wyllen dijn

eygen«, ring, die misschien gedragen is door Christoffel, graaf van

Frangipani bij zijn huwelijk met Apollonia von Wellenbrug en door H.

Thode bezongen werd. Wie deze en enkele andere ringen wil afgebeeld

zien, kan »Die Woche« 1913, S. 1913-1916 opslaan en er de toelichtingen

van Willy Bauer bij lezen.

* * * * *

Wanneer nu aldus bruidegom en bruid zich elkander in huwelijk gegeven

hadden volgens wet en gewoonte, wachtte thuis het bruiloftsmaal.

»Daer twee geliefden trouwen

Met weêrzijds vrinden raad,

Daer mag bij 't bruyloft houwen

Wel zijn een blij gelaad...«,

zagen wij vroeger.

Bij aanzienlijken en gegoeden was de tafel prachtig versierd met

bloemen, met slingers, met gekleurd zand ook kunstig bestrooid. De

suikerbakkers wedijverden in het scheppen der kunstwerken, die den disch

zouden versieren, jachtpartijen, zeeën met schepen, waranden met dieren,

de Hof van Eden natuurlijk met Adam en Eva, welke laatste heerlijkheid

Cats de vraag doet stellen:

»Waerom toch voor de bruyt een hof op tafel staat?«

wat hij dan beantwoordt met eene bespiegeling over Hooglied IV, 12:

»Mijne zuster, o bruid, gij zijt een besloten hof, eene beslotene wel,

eene verzegelde fontein,« volgens zijne en de theologie zijner dagen

alles zinnebeeld van het huwelijk tusschen Christus en zijne kerk,

in waarheid--dit gansche Hooglied--eene verzameling Oudoostersche

bruiloftsliederen, in verheerlijking der zinnelijke liefde gelijk, aan

wat in zijn eigen dagen nog aan het bruiloftsmaal gezongen werd. De

tafel boog door onder den last der gerechten, tegen de weelde waarvan,

tegen het aantal gasten en schotels, de overheid wel door keur bij keur

optrad, maar zonder veel gevolg, al moest, te Groningen, de bruidegom

zelf ten stadhuize onder eede komen verklaren, dat op zijn feest naar

die keuren was gehandeld.

Maar de vaderen hadden gezonde magen (misschien zij het ons vergund

te verwijzen, naar wat wij over hun eten en drinken schreven in »Het

huiselijk en maatschappelijk leven onzer voorouders«, blz. 157-164) en

op Susanna Huygens' bruiloft zaten de gasten vijf uren aan tafel te

midden van »la senteur des viandes« en toen kon M. du Thou, de Fransche

ambassadeur, het niet langer uithouden en moest noodig eens opstaan

»pour se degourdir le jarret«. Ook de kerk heeft geijverd tegen den

overdaad, de brasserijen en de verspilling bij de bruiloften, bij de

schouten aangedrongen op maatregelen »om de ongeregeltheden, die in

de landsbruyloften ommegaan te bekampen«. Dubbel erg dus, dat soms

predikanten zelven het slechte voorbeeld gaven, zooals Franc. Pontanus,

predikant te Odoorn, door »ongeregeltheiden, bi hem alhijr binnen Assen

begangen als sijn bruloft gecelebreert werde« (1608).

[Illustratie: Het Boerenbruiloftsmaal (16e eeuw).

Naar Peter Brueghel den Oude.]

Van die bruiloftsliederen gesproken--gedicht en gezongen werd er

bij het feest uit den treure. Huwelijken, klaagde reeds de groote

hervormer Anastasius Veluanus (1554) »beginnen met gasterijen, onkuys

dantssen und singen...« De gasten droegen de liederenboekjes bij zich,

duodecimo-bundeltjes, vaak prachtig gebonden, met allersierlijkste

slootjes en bevattende minne-, bruilofts- en drinkliederen op aangegeven

wijs. De inhoud is zeer verscheiden, oude balladen en volksliederen,

zooals het lied van de Soudaensdochter:

»Hoord toe al die vol liefde zijt,

Het lust mijn geest te zingen...«

of »Het daghet in den Oosten«, of »Na Oostland wil ik vaaren«; dan

verzen aan de beste dichters van den eigen tijd ontleend, soms deerlijk

verminkt, goede en slechte, waarin onbeschroomd het mingenot bezongen

wordt, dat zoo straks het bruidspaar wacht, of waarin de gasten tot

zingen en kussen worden opgewekt, kussen, geen klein deel van der

vaderen gulle bruiloftspret, »des coups de baiser«, zegt alweêr Huygens,

»francs et bien appuyez, enfin baisers apostoliques et de bonne foy,

qui firent un bruit dans la sale, comparable à celuy que les chartons

d'Anvers et de Bruxelles font avec leurs fouets, quand quelque douzaine

de charrettes enfile les premières rues«. Dan weer plotseling tusschen

de dartelste minneliedjes in een geestelijk: »O kerstnacht schooner dan

de dagen« of, zooals in het »Groot Hoorns liedeboeck« eene berijming van

Spr. XXXI, eene rijmelarij uit het Hooglied:

»Wanneer zal hij mij kussen fijn,

Zelfs met de kus zijns monds divijn..«

dan de psalmen 23, 33, 45, 100, 128 naar Datheen, het Onze Vader berijmd

en (met doorloopende coupletten) het Ave Maria:

»Maria, vol van gratie,

Uw name groeten wij

Met groote jubilatie,

Zoo is de Heer met dij..«

Deze liederen mag de lezer niet verwarren met de verzen, voor eene

bepaalde bruiloft gedicht, door de grootsten onzer zangers of door de

pooversten onzer poëtasters, de heerlijkste kunst dus of het ellendigst

gerijmel, vrij uit het dichterlijk gemoed geweld of nagelbijtend op

bestelling geleverd. Sommigen zijn gemeen, ook de beste dikwijls dartel,

Vondel is af en toe van gloeienden hartstocht en bij Hooft slaat ook

soms, zegt Kalff, »de vlam der gezonde zinnelijkheid uit«. Verbood ons

bestek het ons niet, wij zouden gaarne van 't schoonste afschrijven,

zooals van Vondel op de bruiloft van J. Linnich en Kathar. de Vries:

»Hoogste wijsheid, wiens beleid

D'eeuwigheid

Van het menschdom door het paren

Handhaaft, en met volle vreugd

Onze jeugd

Zegent onder 't zoet vergaren...«

In deze liederen zijn, naar de mode van den tijd, Venus en Cupido de

graag aangeroepen goden, die het genot der liefde smaken doen. Zijn er

ten onzent ook geweest, die ze juist wilden weren als beschermers van

de grofzinnelijke liefde, als in een bruiloftslied van Philip Sydney

(1581):

»But thou, foul Cupid, sire to lawless lust,

Be thou far hence with thy empoisoned dart,

Which, though of glittering gold, shall here take rust,

Where simple love, which chastness doth impart,

Avoids thy hurtful art?«

In den loop der jaren werden de bruiloftszangen gekuischter, verzwegen

de zangers, wat niet meer gezegd worden mocht, en in 1824 zingt Spandaw

in een »Echtzang«:

»Gij wacht hier, bruidegom, geen dartle minnezangen,

Geen cithertonen, waar Idalisch vuur in gloeit..«

Maar Bilderdijk kon zich niet weerhouden, bij de bruiloft van Pieter N.

en Celia V., van woordspelingen als:

»Pietercelie, roem der hoven

Ja gij watert ons den mond!

Laat vrij Pieter Celie stoven

Dat gerechtje is gezond.«

De vroegere, zeer openhartige zinspelingen op het te wachten kroost zijn

op 't einde onzer periode geworden tot een »toast aan een

bruiloftsdisch« (van C. G. Withuys):

»'k Breng een toast aan 't eerste wiegje,

Bruidje bloos er maar niet om!

't Eerste wiegje is bij gehuwden

Boven alles wellekom.«

Wil men zich over deze grooter ingetogenheid verheugen, het is ook waar,

dat oudtijds onze liederen nog in den volksmond leefden, waaruit ze

thans, helaas, verdwenen zijn. De dienstmaagd in Asselijns »Saartje

Jansz. of de gewaande dienstmaagd« zingt onder den arbeid een

bruiloftslied op Tromp:

»Tsa trompen en trompetten

Blaas op een gouden toon,

Nu Tromp de oorlogswetten

Verlaat om Venus' zoon..«

Omdat bruiloftsverzen somtijds hatelijke, politieke toespelingen

bevatten, stonden zij hier en daar onder censuur, welke taak te

Groningen was opgedragen aan den... Rector magnificus der hoogeschool!

Tegen het al te losse, het soms gemeene erin verzette zich al wat

puriteinsch dacht onder de vaderen. Kan het Gode aangenaam zijn, vroegen

zij, als men de beginselen des huwelijks zoekt in die ijdele, afgodische

namen en grillen van Venus, Cupido en ander duivels gespuis? Wordt niet

door zulke venusdichten eene ontuchtige manier van spreken ingevoerd en

de jonge jeugd schrikkelijk afgetrokken in hare vrijagiën? Het was beter

deze lichte en dartele galmen, deze venusjes en voddekens, dit »singen

en lollen van lichtveerdige en onkuysche liedekens« te vervangen »door

geestelijcke en stichtelijcke propoosten«. Het was slechts jammer,

dat zij, zooals zoo dikwijls, reeds kwaad zagen, waar wezenlijk was

onergerlijke blijdschap aan het leven en zijne volheid en dat zij,

zooals ook vaak, met het badwater ook het kind uitgoten.

Jodocus van Lodenstein zat eens aan zekeren bruiloftsdisch en zorgde,

dat men over tafel slechts hoorde »geestelijcke gezangen of gebeden of

stichtelijcke redenen«. En toen Jacobus Arminius, toen nog predikant te

Amsterdam, te Leiden de bruiloft vierde van Kuchlinus met zijne tante,

voerde hij met zijn tafelbuurman, den uitnemenden hoogleeraar Franc.

Junius, een druk gesprek over den val van Adam, de oorzaak, de manier

waarop en de gevolgen van dien. Men kan niet nalaten te denken, dat dit

toch wel het andere uiterste is.

Op eene bruiloft werden vertooningen gedaan en even natuurlijk, dat er

gedanst werd, die bevallige, die statige dansen, die thans vergeten

zijn. Ook tegen dit dansen heeft de kerk zich altijd verzet, wederom

zonder eenig onderscheid te maken tusschen het wezenlijk wulpsche en

gemeene èn het sierlijke, losse, gracelijke van den onergerlijken dans.

Eens is gansch Groningen in rep en roer geweest, omdat een ouderling

op de bruiloft zijner dochter, het was in 1772, het gewaagd had met

zijne dame en het jonge paar een menuet te dansen. Betje Wolff heeft

het schrikkelijke geval vereeuwigd in haar gedicht: »De menuet en de

domineespruik«. Bij boerebruiloften was het dansen zeker niet altijd

los en bevallig: wie den »Boerenbruiloftsdans« van Pieter Brueghel (den

vader, gest. 1569) ziet, kan daaromtrent geene groote verwachtingen

koesteren.

Maar thans--na een poos dansens--komt het oogenblik, dat de bruid »te

bedde gedanst« wordt. Zoo nog in de 17de, niet meer in den loop der

18de eeuw. In de liedjes gaat dat nog kalm toe:

»Strooyt kruytjes en bloemtjes, de bruyd moet te bed!

Geleyt er, bereit er

Ontkleet haar te met

En kust haar goe nagt

En slaat dog wel agt,

Dat niemand haar ruste verstoort of belet!«

[Illustratie: Dansend paar (16e eeuw).

Naar H. Aldegrever.]

[Illustratie: Dansend paar (16e eeuw).

Naar C. Bos.]

Maar in werkelijkheid ging het ruwer. Schrikt niet! Daar grijpen midden

onder den dans de jongere gasten de bruid aan en dragen en sleuren

haar naar het bruidsvertrek--vage herinnering aan den ouden bruidsroof.

Wel snelt de bruidegom den troep achterna en koopt de bruid terug door

een feestje te beloven, het »weerom-vetje« op een der komende dagen.

Maar nu barst de storm eerst recht los. Bed, dekens, kussens, al de

geheimen der slaapkamer begluren zij, betasten zij en eindelijk vallen

zij op de arme bruid aan en »plukken haar als een vogel« en nemen haar

af sluier en lint, ketting en kroon, tot hare kousebanden toe, welke

laatste vooral als gewenschte buit, als eene oorlogstropee, worden

meêgenomen en aan tafel vertoond. De jonge echtgenoot raakt de dolle

bende eerst kwijt, als hij doet, alsof hij zich ontkleeden gaat. Op

deze manier werd bij de deftigste families de bruid te bedde gedanst.

Gelukkig nog, zoo men haar en haar echtgenoot voor 't overige van den

nacht met rust liet! Wel mocht Edmund Spenser in zijn »Epithalamion«

(1594) smeeken:

»Let no false treason seek us to entrap,

Nor any dread disquiet once annoy

The safety of our joy;

But let the night be calm, and quietsome,

Without tempestuous storms or sad affray,

Like as when Jove with fair Alcmena lay....

And let the maids and young men cease to sing,

Ne let the woods them answer, nor their echo ring.«

Wel mocht nog twee eeuwen later Goethe zingen:

»Im Schlafgemach, entfernt vom Feste,

Sitzt Amor dir getreu und bebt,

Dasz nicht der List muthwill'ger Gäste

Des Brautbetts Frieden untergräbt...«

Van huwelijksreizen wisten de vaderen niet; nog van 1800 vertelt Jacob

van Lennep, dat zulke dwaze, onkiesche dingen toen nog niet voorkwamen.

Den eersten morgen komen de naaste vrouwelijke bloedverwanten de

jonge vrouw begroeten en bij 't kleeden helpen (zóó nog bij Saartje

Burgerhart, bij Chrisje Helder), de dienstbode brengt het morgenwater

en ontvangt haar bruidsstuk als loon. Lang vergeten was de oude

gewoonte van te onderzoeken, naar wat wij boven (blz. 90) hebben

aangestipt. Lang ook vergeten (sommigen hebben ontkend, dat het ooit

bestond: zóó Karl Schmidt, zóó Bismarck) was in onze periode het recht

van den landsheer op den eersten nacht. Wie het vroeger bestaan ervan

nog trachten te handhaven zeggen, dat het wijst op een »tijdperk van

overgang tusschen de vroegere, als heilig beschouwde, rechten van den

stam én de langzaam opdagende persoonlijke rechten van den echtgenoot.

Later wordt het dan beperkt tot enkele voornamen, nog later afgekocht,

om eindelijk te verdwijnen.« Het is mogelijk, wij stellen ons geen

partij; in elk geval was dit gebruik in den nieuwen tijd verdwenen.

Dit geldt wezenlijk ook van de morgengave, het geschenk door den man

den eersten morgen aan zijne vrouw gegeven. Dit werd langzamerhand eene

som gelds, waarvan het bedrag in het huwelijkscontract werd bepaald,

maar waarvan de oorspronkelijke beteekenis geheel verloren was gegaan.

Op deze manier: »Eyndelick (het is een stuk van 1626) soo heeft de

bruydegom, Johan Witten, siin toecomende huysvrouw (Johanna van Brienen)

een morgengave ende nae morgengaevesrechten uyt siin gereedste goederen

gegeven 1200 caroli guldens«. Ook kwam het voor, dat de morgengave niet

was betaald en werd opgeëischt. Het volgende signaat, d.d. Putten 26

Juni 1544, dat in zijn kortheid toch veel vertelt, lichte dat toe. Griet

Jans spreekt aan de vier erfgenamen van haren overleden man, die haar

schuldig zijn 12 rijderguldens »van de morgengaeve, gelick die frunde

sulx verdedingt ind gemaeckt hebben.«

Te dezer plaatse voegt nog de herinnering vooreerst aan huwelijken op

de graven gesloten, opdat (wonderbaar taaie nawerking van den ouden

doodenkultus) daardoor lafenis zou geboden worden aan de zielen, wier

stoffelijk omhulsel in die groeve rustte. De schilder Maerten van

Heemskerck bestemde in 1558 de opbrengst van een stuk land voor

»schamele doch eerlijcke jongelieden«, die op zijn graf en dat zijner

vrouw te Haarlem zouden trouwen.

Niet minder eigenaardig was de ten onzent (maar ook reeds den Romeinen

bekende) diepgewortelde gewoonte (voortgekomen uit de gedachte, dat de

dood moet wijken voor wat de kweekplaats des levens is), dat, wie op weg

naar het schavot door eene vrouw ten huwelijk werd gevraagd, van den

dood vrij kwam. Toen den 3den Juni 1572 de jonge Theodoor Bommer te

Gorinchem door Lumey's geuzen naar de galg werd gevoerd, redde een

meisje hem op die wijze van den dood. Zoo erlangde 17 September 1603

een door Maurits ter dood veroordeeld Spaansch soldaat lijfsbehoud,

»verboden synde door eene jonghe dochter«. Ja, nog in 1672 gold het

gebruik in de rechtspraak. Te Amsterdam zouden toen vier Fransche

soldaten worden gehangen. »Eenige juffrouwen, met groote meedogenthijt

ingenomen«, vroegen aan burgemeester Outshoorn pardon voor de

»gecondemneerdens«. Daarop »den heer Outshoorn sijde of de juffrouwen

of eenige derselve, souden genegen wesen daarmede te trouwen?« Maar

ongelukkig kon het middel deze maal niet worden toegepast: de juffrouwen

»antwoorden alle getrout te sijn«. Toch kwamen de Franschen er af

met brandmerking en gewipt worden aan de wipgalg. Soms echter ging

strengheid boven gewoonte, als toen de jonge officier Nicolaas de Maulde

de Mensard, betrokken in de leycestersche samenzwering te Leiden, 27

October 1587 werd terechtgesteld, niettegenstaande een »juffrouw genaemt

Uytenbroeck« hem ten huwelijk vroeg.

Na de bruiloft volgden nog de »navetjes«, ook plachten de jonggetrouwden

bezoeken te brengen aan magen en vrienden, binnenlandsche reisjes,

waaraan toen zooveel meer vast zat dan nu, maar waarvan nog zoo

kinderlijk, zoo volop in de ongerepte natuur genoten werd. Dan loopen

echter de wittebroodsweken ten einde, de speelman is van het dak, het

gewone leven herneemt zijn eischen.

HOOFDSTUK VII.

ECHTSCHEIDING, ECHTMIJDING EN HERTROUW.

Naar Germaansche rechten gaf overspel der vrouw aanleiding tot hare

verdrijving uit de echtelijke woning en dus tot scheiding. Zij had

inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van den man. De man daarentegen

had geene gelijke verplichtingen, zijn omgang met andere vrouwen

leidde niet tot echtscheiding. Hij kon alleen inbreuk maken op het

eigendomsrecht van een anderen echtgenoot en dáárvoor worden gestraft.

»De man kon alleen vreemd, de vrouw alleen eigen echt breken.« Voorts

kon--wij laten ons leeren door Fockema Andreae--het huwelijk worden

ontbonden door vredeloosheid van een der echtgenooten, door onderlinge

overeenkomst, door verstooting door den man op zekere gronden als b.v.

onvruchtbaarheid.

De roomsche kerk stelde daartegenover haar volstrekt verbod: slechts de

dood snijdt den huwelijksband door; toch heeft het tot de elfde eeuw

geduurd vóór zij haar stelsel zonder beperking vermocht in practijk te

brengen. Tegelijk werd hare rechtspraak in gevallen van echtscheiding

telkens gehoorzamer gevolgd, ook in ons vaderland, waarmede wij hier

vooral te maken hebben. Daarbij moeten wij onderscheiden tusschen

scheiding van tafel en bed èn echtscheiding. De eerste was, natuurlijk

ook alleen met medewerking van het kerkelijk gezag, geoorloofd. Toen de

geestelijke rechtbanken hunne bevoegdheid in wereldlijke zaken verloren

hadden, sprak de lagere rechter de scheiding van tafel en bed uit, soms

ook een Hof, op grond van overspel, ziekte, kwaadwillige verlating of

ook na onderlinge toestemming. In Amsterdam, kort vóór de Reformatie,

las de pastoor van de St. Jacobs-kapel aan den Nieuwendijk de vonnissen

der overheid in zake scheiding van bed en samenwoning van den kansel af.

Daarna gingen partijen uit de kerk, de een door de hoofddeur, de ander

door die in de Hasselaarsteeg, daarom ook Trouweloossteeg genoemd. Zoo

althans vertelt Lelong.

Over andere redenen heerschte niet overal gelijkheid van rechtspraak.

Scheiding van goederen was er altijd het gevolg van. Maar de

huwelijksband bleef bestaan en naar hereeniging moest worden getracht.

Echtscheiding daarentegen was toegelaten op grond van overspel en van

verlating. De toestand bij den aanvang van de nieuwe bedeeling ten

onzent was dus, naar de woorden van Huig de Groot: »Volgens Christus'

vermaninge wordt in dese landen geen scheydinge des egtbandts

toegelaten, dan door de doodt van een der egtgenooten ofte door

overspel. Alle andere willige ofte regtelijke scheydinge konnen den

egtbandt nogte de regten daar uyt ontstaande niet verbreeken.«

Vragen wij thans naar de houding der gereformeerde kerk en naar haren

invloed te dezen. Men kan zeggen: zij heeft huwelijksscheiding zeer

moeielijk gemaakt en aarzelend toegelaten. De gezaghebbende Geneefsche

theoloog Beza gaf wel toe, dat wat God vereenigd had door den mensch

niet mocht worden gescheiden, maar hij liet dit niet gelden voor zulke

verbintenissen, die tegen Gods eigen wetten waren aangegaan. Daartoe

rekent hij, als na het huwelijk blijkt van eene ongeneeselijke ziekte,

geslachtelijk onvermogen, en voorts overspel, verlating en verwisseling

(zie boven blz. 125).

Latere, Nederlandsche theologen oordeelden strenger. »Ons wordt«, zegt

prof. Van Renesse in een insgelijks reeds genoemd boek, »geen keur

gegeven, wij mogen deze banden onzes Gods niet verscheuren en zijne

touwen van ons werpen.« En met verontwaardiging maakt hij melding van

»dat beklaaglijk spreekwoord«: 't geene Venus t'zamen voegt, dat scheid

de knuppel. Het spreekwoord luidt ook, o. a. bij Campo Weyerman, den

beruchte: »Dat Venus voegt scheidt de knuppel«. En mr. Joan de Brune

houdt er deze bespiegeling over: »Te veel hitte verbrant en bederft de

vlaede. Een matighe stokinghe maeckt het beste mout. 't Is wel gezeght:

mint mij niet veel, maar mint mij langh. Heete liefde is haast kout.«

Welke oudvaderlandsche huwelijksfilosofie Cats, al rijmend, aldus

uitdrukt:

»Eedt te sweren op de pluymen,

Dat en sijn maar minne-luymen.«

Ook prof. à Limborch is onverbiddelijk en zou alleen om echtbreuk

scheiding toestaan. Als eene vrouw den man verlaat b.v. om des geloofs

wille, mag, zegt hij, de man geen nieuw huwelijk sluiten; het oude is

niet gebroken. In dezen geest nu, mag men zeggen, spraken ook de synoden

zich uit. Al van den beginne oordeelen zij, dat een echt bevestigd met

consent van ouders of voogden en ook van de jongelieden, niet mag

verbroken worden. En als dan de overheid in een bepaald geval geen

uitspraak wil doen (wat dikwijls voorkwam b.v. uit vrees voor een

der partijen) dan mogen de consistories toch de echtgenooten niet

veroorloven een nieuw huwelijk aan te gaan. Opdat niet, zeide eene

synode in 1575 zeer correct, de hertrouwden zich op het oordeel der

kerkeraden in plaats van op de sententie der overheid zouden gaan

verlaten. Van ditzelfde, juiste beginsel blijkt telkens.

In 1577 besloot de Alkmaarsche kerkvergadering, dat, zoo iemand

wegens overspel geene echtscheiding van den magistraat verkrijgen kon

en toch hertrouwen wilde, de predikanten dat huwelijk zouden mogen

sluiten, omdat (overspel ook voor de kerk als scheidingsgrond gold en)

de overheid er zich niet mede verkoos in te laten. Maar de volgende,

Hoornsche, synode vernietigde dat besluit, omdat kerkedienaren niet

den schijn op zich mochten laden zich in overheidszaken te mengen.

En ook hierover waren de kerken het eens--altijd strijdende voor de

vastheid des huwelijks--dat zij in geen geval lichtzinnige verlatingen

zou bevorderen door--waar zij te beslissen had--echtscheiding te

vergemakkelijken. In Noord-Holland stelde een oud plakkaat f300 boete

op het uitééngaan van getrouwde personen, waarvan velen natuurlijk

gaarne gebruik maakten, liever die som verliezend, dan in onvrede

samenblijvend. Doch de kerk, streng, onverbiddelijk, beginselvast,

eenzijdig wilde op geenerlei manier dit lichtvaardig bedrijf in de hand

werken, zij vroeg H.H. Staten opheldering omtrent dit afkeurenswaardig

stuk en gebood haren dienaren middelerwijl zulke personen te blijven

beschouwen als nog gehuwd, en een nieuw huwelijk als overspel.

En dit alles was niet maar theorie. De Haarlemsche predikant Lucas

Hespius verhaalde eens ter synode zijner woonplaats, hoe onlijdelijk en

hoe bedroefelijk het hem was met eene onvreedzame huisvrouw te moeten

leven en tegelijk zijnen kerkedienst te betreden. Heeren burgemeesteren,

voor deze zaak ter vergadering gekomen, adviseerden, liever gezegd

schreven voor, dat Lucas drie maanden met verlof buiten Haarlem zou

gaan. Kwam in dien tijd geene verzoening tot stand, dan zou hij moeten

scheiden van... zijn ambt.

Verloving en Huwelijk in vroeger dagen · 第 8 / 11 段