Maar meest ging in de dorpen de optocht te voet en het was dán, gelijk

natuurlijk is, dat de taaiheid van oude gebruiken zich openbaarde.

In Drenthe ging de bruidegom met zijne verwanten naar het huis der

bruid, vroeg haar buiten te komen en daarna toog de blijde stoet,

soms de speellui voorop, ter kerke. Het is geheel de Oudgermaansche

bruidsopeisching, op haar beurt weder herinnering aan den vrouwenroof.

In Noordholland begaven bruidegom en bruid zich na den trouw ieder weêr

naar eigen huis. Dan toog de bruidegom naar de herberg en zond vandaar

enkele vrienden om de bruid te halen. Zij kwam... maar vóór haar uit

droegen hare gespelen allerlei spijs en drank: teeken, dat zij niet

van honger en dorst haar ouders huis verliet. Vooral vertoont dat oude

zich in het vangen, het schutten der bruid, dat wij kennen uit Brabant,

Limburg, Drenthe, Arnhem, Rijnland, het spannen van een lijn, het leggen

van een balk over den weg, beletsel, dat dan voor eene kleinigheid werd

afgekocht.

Is dit een overblijfsel uit den tijd, dat het trouwen van een vrije

met eene lijfeigene werd tegengegaan? Aldus sommigen. Maar evenzeer

mag men denken aan den tegenstand, den vrouwenroover geboden. Al het

genoemde vormt daarvan de nog maar weinig samenhangende overblijfsels.

Maar de Oudromeinsche huwelijksplechtigheid bewaarde nog tal van

die schijndaden van geweld, het wegvoeren van de bruid uit het huis

harer ouders, men ontrukt haar aan de armen harer moeder, men voert

haar, luidschreeuwende, weg. Bij het huis des bruidegoms tillen de

vrienden haar over den drempel: laatste herinnering aan het rooven.

Ook de bruiloftsliederen wezen daarop, en de fakkels, door de

bruidegomsvrienden gedragen, herinnerden aan den nacht, waarin men

immers op roof uitgaat.

Van deze »wegvoering naar het huis (des bruidegoms)« bewaren ook onze

gebruiken de sporen, men verstopt de bruid, men vindt haar, men eischt

haar op, men brengt haar in triomf naar hare nieuwe woning, men tracht

de roof te verhinderen.

»Het schijnt alsof de maeght een krijghsgevangen waer«,

rijmt Cats en dit was niet ver van de oude waarheid, gelijk ook later:

»Wegh met dat oude vuyl! In Zeeland is de bruydt

Geen ruyters eygen slaaf, geen rovers eygen buyt«.

Maar de bruidsgang naar de kerk bewaart nog andere overoude

herinneringen. In 1610 klaagden enkele leden ter synode van Appingedam,

dat »bij copulatie van eheluden einer mith einem blothem schwerde

vorahntrede.« Drie eeuwen vroeger, 1327, hadden die van den gerechte in

datzelfde Appingedam uitdrukkelijk bepaald, dat de naaste bloedverwant

der bruid de aangewezen man was, om met het uitgetogen, blanke zwaard

vóór den stoet uit te gaan. Ziehier (bijna schreef ik: in levende

lijve) het Oudgermaansche (bepaaldelijk Oudfriesche) huwelijkszwaard,

»aeftswird«, waarvan weder Jacob Grimm ons leert: »Die friesen trugen

der braut ein schwert vor zum zeichen, dasz der mann gewalt über ihr

leben habe«. Oude Friesche kronieken vertellen ons hetzelfde: de

zwaarddrager houdt het zwaard voor de deur der echtelijke woning en

daaronder door treedt de bruid het huis binnen. In geval van overspel

zal haar man haar met dat zwaard mogen dooden. Dat wist ook Kiliaan,

toen hij in zijn beroemd woordenboek (1598) schreef: »Sweerdhouder, sax.

fris. sicamb. bruydleyder, paranymphus, agnatus sponsi proximus« (d. i.

naaste verwant van den bruidegom), in dit laatste dus verschillend van

de Appingedammer wetten, die het zwaard, zagen wij, door den broeder der

bruid lieten dragen. Overigens--de 17de-eeuwsche dorpelingen, over wie

de kerkvergadering van Appingedam zich bezwaard gevoelde, waren zeker

het rechtssymbool vergeten en droegen hun zwaard vóór de bruid uit,

omdat dit altijd zoo gebeurd was, met die taaiheid van volksgebruiken,

die ons zooveel uit eene lang ten onder gegane gedachtenwereld bewaard

heeft. Wij moeten daarvan nog een treffend voorbeeld geven.

Uit datzelfde Groningen en uit Drenthe weten wij, dat, althans nog in

den aanvang der 17de eeuw, het gewoonte was »bij den kerckganck van

brüdt ende brödegam den brudigam tho schlahen«, of ook, met eene kleine

wijziging, hem te slaan »nae die copulatie« of ook »in der kercke

wanneer eluyden worden gecopuleert«. Dit »brüdegomslahen« (soms is

het de bruid, die onder het gaan van de kerk naar huis met geschilde

berketakjes geslagen wordt) geschiedt nog heden in Westfalen, in

den Oberpaltz, bij de Letto-Slaven, Rabelais vertelt ervan in zijn

»Pantagruel« en zoo doet ook Olaus Magnus, de bisschop van Upsala, de

geograaf, een tijdgenoot van Luther. Maar wat beteekent het? Heeft Kuhn

gelijk, als hij zegt, dat de bruidegom moest voelen wat slagen zijn,

opdat hij later zijne vrouw sparen zou? Veeleer (heeft Mannhardt

ons doen zien) hebben wij hier een spoor van die oud-animistische

wijsbegeerte, die leerde dat er booze geesten in den bruidegom konden

huizen, die hem in den bruidsnacht ongeschikt tot de copula konden maken

en dus vooraf met slagen verdreven moesten worden. Daarvan wisten de

Groningers en Drenthen in de dagen van prins Maurits niets meer, maar

zij sloegen den bruidegom onder den, hùn onbewusten, invloed van lang

verdwenen, in gebruiken voortlevende, denkbeelden.

* * * * *

Maar thans is de bruidsstoet aangekomen, laat ons eerst zeggen, bij de

gereformeerde kerk. Hoe kwam daar nu het huwelijk tot stand? Hoe werd de

verloving als een »aangevangen vereeniging« tot een »volslagen

huwelijk«?

Aanvankelijk, bij de onzelfstandigheid der vrouw naar Germaansch recht,

trad bij den kerkelijken trouw de priester op als vertegenwoordiger van

het meisje en gaf de bruid aan den bruidegom. Langzamerhand trad nu die

voorstelling van de onzelfstandigheid der vrouw terug en dus ook het

besef, dat, zoo er iemand moest gegeven worden, het de vrouw zijn moest.

In plaats daarvan kwam nu de meening, dat beide echtgenooten gegeven

worden aan elkander door den priester. De priester copuleerde hen,

voegde hen te zamen, wat dan overeenkwam met zijn functie volgens

kanoniek recht, hij reikt den ring, hoort de gelofte, zegt de gebeden

en houdt de aanspraak en bindt te zamen. Hier is b.v. het formulier

waarmede »op manendach post thome anno 1534« een pastoor het huwelijk

van zekeren Claes Dirricks sloot: »Soe bynde ick u tsamen mytten bandt

daer Godt Adam jnd Eva myt bande.«

Het »trouwen door den paap« maakte dus op kanoniek standpunt het

wettig huwelijk. Daarop slaat het weinig stichtelijke, Amsterdamsche

straatliedje, dat bij de nadering van het Paaschfeest en na afloop der

Dommelde metten (nachtofficie op Woensdag, Donderdag en Vrijdag van de

Goede week) door den hondenslager en de schooljongens, nog kort vóór de

Hervorming bij beurtzang aangeheven werd. Lelong heeft het ons echter

niet geheel ongerept, denk ik, overgeleverd. De kerkedienaar begaf zich

met zijn ratel, vergezeld van een groot aantal schooljongens, ook met

ratels, op straat; voor de huizen der aanzienlijke poorters stonden zij

stil, waarop de man riep:

»Zijt gij allegader hier?« »Ja!«

»Moecht gij wel goedt Hamburger bier?« »Ja!«

»Heeft de paap uw moeder getrouwt?« »Ja!«

»Zijt gij al te samen hoerekinderen?« »Neen!«

Man en jongens ontvingen als loon een pint bier, dat zij uit hun mutsen

opdronken.

Het ligt nu voor de hand te meenen, dat bij de nieuwe bedeeling

predikant en magistraat in de rechten des priesters traden en dus het

huwelijk sloten, dat hun eene actieve, huwelijkscheppende rol werd

toebedeeld. Maar, zegt prof. Fockema Andreae, »ik houd dat voor niet

meer dan schijn«. De predikant treedt volgens de hervormde formulieren

nimmer in die rol op, toch is het huwelijk voor den predikant overal

rechtskrachtig. Attestatiën van gesloten huwelijken, door hem afgegeven

(eene synode van Den Briel anno 1593 zegt het zeer juist), zijn

officiëel, daar zij door een publiek persoon zijn gegeven over wat

op eene publieke plaats verricht is. Zulke attestatiën werden dan ook

door de Hoven aangenomen. Goed gereformeerd zeide reeds in 1566 de

Rotterdamsche predikant Adr. Damman na de voltrekking van een huwelijk,

dat het »bij hen geen sacrament werd geacht, maar eene belofte, die de

contrahenten elkander doen«.

Was het nu aldus bij de kerk, is het dan denkbaar, dat men voor het

burgerlijk huwelijk, waaraan men dezelfde rechtsgeldigheid verleende,

een samengeven _door_ den magistraat zou hebben geëischt, dat de kerk

niet vorderde? Neen, predikant en magistraat schiepen niet door hunne

handeling het huwelijk: partijen solemniseeren hun huwelijk zelven voor

de gemeente of voor schepenen, waarvan akte gegeven wordt. Dit geldt van

alle provinciën.

In de onderscheiden in gebruik zijnde formulieren heerscht echter door

slordige woordkeuze soms verwarring. Niet in het kerkelijke. Ook hier

heeft de Dordtsche synode uniformiteit gebracht. In de 178ste zitting

der (na)synode, 28 Mei 1619, besloten de leden, dat de »Nederlantsche

liturgie, waarin begrepen sijn de publijcke gebeden en de formulieren

van de bedieninghe der sacramenten, oeffeninghe der kerckelijcke

discipline, bevestinghe der kerckendienaren ende insegheninghe des

huwelijckx sal worden oversijen.« Dit is ook geschied, maar voor eene

officiëele uitgave hebben zij niet gezorgd. Ten grondslag legden zij den

tekst der Zeeuwsche kerk van 1611, terwijl eene uitgave, bezorgd door de

Zuidhollandsche van 1737, zeer gebruikelijk is geworden.

In het formulier dan »om den houwelicken staet voor de gemeente Christi

te bevestigen« luidt het: »Overmits den gehouwden gemeynlick velerhande

tegenspoet ende kruys van wegen de sonde is toekomende; opdat gij N.

ende N., die uwe echtelicke verbindinge in Godts name opentlick alhier

in de kercke wilt laten bevestigen, oock in uwe herten versekert

zijn meugt van de gewisse hulpe Godts in uwen kruyce...« volgt eene

uiteenzetting van het doel des huwelijks, daarna stelt de dienaar de

vragen, waarin o. a.: »Bekent gij voor Godt en dese gemeynte, dat gij

genomen hebt ende neemt tot uwe wettelicke huysvrouwe...« en desgelijks

tot de bruid: ... »dat gij genomen hebt ende neemt...« en eindelijk

geeft hij den zegen: »De Vader der barmhertigheydt, die u door sijne

genade tot desen heyligen staet des houwelicks beroepen heeft, verbinde

u met rechte liefde ende trouwe ende geve u sijnen segen«.

Het is duidelijk: het is de bevestiging van wat beide partijen ten

opzichte van elkander willen. De predikant neemt voor Gods aangezicht

akte van wat partijen elkander beloven en roept daarover Gods zegen in.

Thans laat ik enkele burgerlijke formulieren volgen. Te Amsterdam

geschiedde de trouw voor twee schepenen, van wie de voorzittende schepen

vroeg (de opgave is van 1658), nadat bruid en bruidegom elkander de hand

hadden gegeven: »»Gij A.A. bekent aengenomen te hebben tot uwe wettige

huysvrouwe B.B.? ende gij B.B. bekent aengenomen te hebben tot u wettige

man, huysheer ende vooght A.A.?« Beyde geantwoort hebbende: ja, seyt

wijders aldus: »Ende belooft malcander aen wedersijden getrouw te sijn

en als echte man en wijff eerlick ende godsalichlick na des Heeren

insettinge te leven, totdat u de doot scheyden sal?« Weder geantwoort

hebbende: ja, seit dan nogh: »De Heere segene u huwelick. Gedenkt den

armen.««

Men ziet, in dit formulier, gebruikt bij den trouw van

niet-gereformeerden, is evenmin van huwelijksschepping _door_ den

magistraat sprake: partijen bekennen elkander aangenomen te hebben.

De schepen neemt daarvan akte en zegt: »de Heer zegene uw huwelijk.«

Te Kampen had het formulier voor den trouw ten raadhuize den volgenden

inhoud (1658, vernieuwd 1664): »Gij bruidegom ende bruid... verklaert

gij... met uwen vrien wille malkanderen met hande ende monde

trouwbeloften te hebben gedaan... om malkander trouwe te houden als

wettige man en wijff, in eendragt, minne en liefde met den anderen

te leeven nae instellinge des Heeren en het uytwijsen van sijn heylig

woord, alles met hulpe van den Heere, sonder wijns genadige bijstant

wij het allerminste niet en vermogen?« Antwoord: Ja. »So wil dan God

almagtig ul. in desen egtenstaat segenen en u verbinden met regte liefde

en trouwe. Gaet in vrede!« Hetzelfde formulier gebruikte men ook te

Deventer. Ook hier hetzelfde beginsel, gelijk het mede is neêrgelegd in

het advies der Hoven omtrent de staatskerkorde van 1601, waarin deze

verklaring: »Op huiden zijn voor schepenen van... gekomen en verschenen

N. N. als bruidegom ter eene en N. N. als bruid ter andere zijde...

gevende hij haar zijne mannelijke trouwe... en wederom zij hem hare

vrouwelijke trouwe... Tot al hetwelk zij Godt almagtigh tot een getuige

aangeroepen en gebeden hebben. Aldus gedaan bij schepenen...«

Echter zijn er ook ordonnantiën op dit punt, waarin sprake is van »sich

laten copuleeren«, zich laten »thosamen geven und conjugeren« door den

predikant, maar men was weinig zorgvuldig in zijn woordenkeus, als in

Zwolle, waar in één stuk sprake is van trouwen _door_ een predikant en

_voor_ schepenen. Wezenlijk heeft overal gegolden: partijen geven zich

aan elkander, predikant of schepenen scheppen niet het huwelijk.

Omtrent die burgerlijke formulieren nog een woord. De hervormde kerk

achtte het onbetamelijk, dat sommige secretarissen ten stadhuize het

formulier voorlazen 't zij uit de liturgie der hervormden, 't zij

uit die der lutherschen. Ja er waren schepenen of schouten, die een

gebed uitspraken, die den zegen gaven, waartegen de kerk altijd heeft

geprotesteerd. Waarom? Was zij naijverig op wat haar alleen toekwam?

Wilde zij het huwelijk ten stadhuize neutraal houden?

[Illustratie: Een huwelijksvoltrekking in een gereformeerde kerk.

Naar een prent van Bernard Picard.]

De trouw in de hervormde kerk geschiedde nu gemeenlijk als volgt,

waarbij, wat de versiering aangaat, de gegoedheid van partijen

natuurlijk verschil maakte. Of in het koor, of in het doophek, of

daarvóór in het midden der kerk lag een tapijt, stonden armstoelen en

taboeretten, de poort van het doophek was vaak met groen versierd en

in de tweede helft der 18de eeuw, de dagen der hooge kapsels, was het

voor vele dames een zwaar stuk onder die poort door te gaan. Onder

psalmgezang trad de staatsie (wij vertellen hier Schotel na) binnen,

de leeraar beklom den kansel en las het straksgenoemde formulier. Dan

liet hij bruidegom en bruid elkander de rechterhand der trouw geven en

stelde de vragen, over het neergeknielde paar sprak hij dan den zegen

uit, waarna het gebed volgde. Onder het gezang werd gecollecteerd.

Daarna begaf zich de stoet, waarbij thans de man de hoogerhand had, naar

de consistoriekamer, waar men ververschingen gebruikte. Dit was de trouw

op zijn deftigst. Maar zeer dikwijls ging het minder statig toe, als de

bruiloftsgasten zich niet ontzagen pratend en joelend de kerk binnen te

treden.

Alleen geordende predikanten mochten den dienst leiden. Toch kwam

het voor, dat proponenten het deden, gelijk bij het huwelijk van

Willem Albert van Hout en Antonia Magdalena van Breda te Hoeven

gem. Oudenbosch, 22 Juli 1787, dat door den proponent J. M. Visser

werd ingezegend. In Utrecht echter was dit werk ook aan proponenten

toegestaan. Te Leiden schijnen soms zelfs voorzangers zich de inzegening

te hebben aangematigd. De kosten waren natuurlijk afhankelijk van den

stand van het bruidspaar, van de plaats en van de vraag, of de trouw op

gewonen of buitengewonen tijd geschiedde. In 1788 kostte te De Bildt

zulk eene extra-inzegening 2 dukaten aan de armen (de gouden dukaat deed

ongeveer f5.50), tabak en pijpen, 12 flesschen malaga met een schotel

best banket aan den kerkeraad, ½ anker wijn aan den predikant, f3 aan

den koster.

Als een voorbeeld van huwelijksinzegening in eene hervormde gemeente in

het buitenland geven wij die in de beroemde, reeds vroeger vermelde,

Hollandsche kerk te Londen, die ook voor deze liturgische handelingen

zooveel heeft gedaan en voor wie Maarten Micron reeds in 1554 zijne

»Christlicke Ordinanciën« opstelde, waarin ook »Van de ceremonie

des huywelicx«. Nadat het paar in de trouwboeken was ingeschreven

(ze beginnen in 1571: »Hier achtervolgen die namen der gheener die

onser Nederduytscher gemeinte getrouwet zijne«) en de drie Zondagsche

proclamatiën waren »uutgheropen«, had de bevestiging op den volgenden

Zondag in den morgendienst plaats, in diezelfde prachtige kerk in

Austin-friars, waar thans nog de gemeente samenkomt.

De dienaar hield eene toespraak over het huwelijk, wees het bruidspaar

op zijne verplichtingen en deed de vragen. Daarna legde hij hunne

rechterhanden inéén en sprak: »God Almachtich, die u tot den huywelicken

staet gheropen heeft, binde u te samen met den bandt der warachtigher

liefden, opdat gij u gansche leven de groote verborghen eenicheit

Christi ende sijnder ghemeinten uitdrucken moecht, ende wille u

vermeerderen, ter eeren sijns naems ende uwer sielen salicheit doer

denselven Christum Jesum. Amen.«

Naar aanleiding van Matth. XIX sprak de predikant dan nog over de vaste

onverbrekelijkheid van den huwelijksband, en de gemeente, bij monde van

den dienaar, zegende het neêrgeknielde paar: »God wil u vruchtbaer maken

ende ghenade gheven uwe kinderen, die hem sal believen u te gheven op te

voeden, door leeringe ende straffinghe des Heeren. God blijve met u ende

met ons allen.« Met psalmgezang eindigde de plechtigheid.

Hoezeer wij bij ons onderwerp telkens verdacht moeten zijn op

plaatselijke afwijkingen leert ons de huwelijksinzegening op Ameland,

waarvan ik daarom met een enkel woord melding maak. Dit merkwaardige

eiland was staatkundig onafhankelijk (in den 80-jarigen oorlog sluit

het een verbond van neutraliteit met de Republiek en met Spanje) en

even onafhankelijk was de gereformeerde kerk, eene naar inrichting en

bestuur op zich zelve staande gemeenschap. Vandaar op Ameland groote

verdraagzaamheid tegenover dissenters. De doopsgezinde leeraren mochten

huwelijken voltrekken, maar alleen tusschen leden hunner eigen gemeente.

De hervormde predikanten deden het, als bruidegom en bruid (of een van

beiden) ongedoopt, hervormd of van eene andere doopsgezinde gemeente

waren.

Op Terschelling viel de magistraat de doopsgezinden lastig over hunne

huwelijksinzegening, maar Gedeputeerde Staten van Friesland stelden

hen in 't gelijk (19 Juni 1623), zoodat zij op dat eiland schijnen te

hebben mogen doen, wat elders ongeoorloofd was, gelijk nog eens, in 1676,

door acte van een Harlingschen notaris, de geldigheid der doopsgezinde

huwelijksinzegening wordt bekrachtigd, d. i. dus van de door een

doopsgezind leeraar afgegeven attestatie. Het eene gewest, de eene

stad begunstigde de doopsgezinden meer dan de andere, zoodat het aan

sommige gemeenten vrijstond om de huwelijken in haar eigen vergadering

te sluiten, maar dit aan andere weder werd geweigerd. Ook schijnen de

doopsgezinden op Terschelling, na hunne inzegening, ten stadhuize

ingeschreven te zijn geworden. Trouwens ook in Holland heerschte

er te dezen opzichte nog geen vaste regel en vandaar klachten over

moeielijkheden hun in den weg gelegd, wat toch vaak slechts gehoorzamen

was aan eene ordonnantie.

* * * * *

Voor het katholieke deel der bevolking ontstonden er groote

moeielijkheden uit de bepaling, dat geen huwelijk wettig zou zijn

tenzij voor predikant of schepenen gesloten. Hier bracht wetsontduiking

uitermate verwarde toestanden, toch al verward genoeg. Vooreerst kwam

het voor, dat hervormden, om in verboden graad te kunnen trouwen of het

consent der ouders niet kunnende erlangen, zich door pastoors lieten

trouwen, in den waan nog bovendien, dat dit huwelijk wettig was.

In 's-Hertogenbosch kwam het voor, zooals de hervormde kerkeraad in 1632

aan de »militaire en de politijcke collegiën« klaagt, dat soldaten, die

»met bossche vrouwspersonen comen te trouwen, gaen, om haere bruydts te

gelieven eerst trouwen bij de papen ende comen daerna trouwen in de

kercke«.

Het was noodig, al verder, te bepalen, dat al had iemand zijne geboden

voor een priester laten gaan, hij toch in de hervormde kerk trouwen

moest en dat (omgekeerd), al waren de proclamatiën bij predikant of

magistraat gegaan, het huwelijk voor den priester nochtans onwettig was.

Eindelijk (het ligt voor de hand), bij de herhaalde wetsontduiking

wat aangaat de sluiting zelve des huwelijks, werd er ook met andere

voorschriften de hand gelicht, zoodat wij b.v. hooren klagen, dat de

priesters in het markiezaat van Bergen op Zoom personen trouwen, die

zij nooit zagen, zonder voorafgaande geboden, zonder oudrenconsent.

De wetten, te dezen door H.H. Magistraten voor de generaliteitslanden

gegeven, zijn mede een deel van hunne politiek tegen deze gewesten, die

met harde hand, naar hun oordeel, moesten worden geregeerd.

Een plakkaat van 8 April 1644 verbood roomsche priesters, die nog in

Brabant werden geduld, lieden in ondertrouw op te nemen, ook al zouden

zij niet van plan zijn het huwelijk zelf te sluiten. Aan die van Hulst

en Hulster-Ambacht gaven de Alg. Staten, 31 December 1647, nog eens

expresselijk te kennen, dat, als zij buiten de publieke kerk wilden

trouwen (want dit mochten zij overal) hun huwelijk, na drie voorafgaande

Zondaagsche proclamatiën, bij klokslag te doen, moest worden voltrokken

voor (een burgemeester met) twee schepenen en secretaris, terwijl elk

ander huwelijk onwettig zou zijn.

In de landen van Overmaze (Valkenburg, Dalhem, 's-Hertogenrade) was

1632, na de verovering van Maastricht, de gereformeerde religie

ingevoerd, tijdelijk onderbroken door de herovering in 1635. Na den

Munsterschen vrede verbande de regeering »alle praetense geestelijke

personen« en in 1656 maakte ook daar het Echtreglement het huwelijk

politiek. Toen nu bij den vrede van Nijmegen in 1678 de uitoefening van

den katholieken godsdienst werd toegestaan, waanden die van de landen

van Overmaze, begrijpelijkerwijze, dat nu ook het huwelijk weêr

kerkelijk was geworden, waan, waaraan toen eene resolutie van 21

Augustus 1683 een einde maakte.

Voorzoover de roomschen in de generaliteitslanden dicht genoeg bij de

frontieren woonden, lieten zij de plechtigheden van huwelijk (en doop)

over de grenzen geschieden. De anderen moesten zich onderwerpen en

overtraden de wet, als zij konden.

Er is menig hard woord gezegd over deze en dergelijke maatregelen

in de generaliteitslanden. Tot de geschiedkundige verklaring ervan

bedenke men, dat de roomsche bevolking in de grenslanden voortdurend

onbetrouwbaar bleek en groot gevaar opleverde voor de veiligheid der

Republiek. Het ergste was, dat waar de schout ontbrak, het wettig

huwelijk diende gesloten voor den predikant. Dit was hatelijk. »Nos

pères«, zegt een hedendaagsch katholiek, »ont du se résigner alors à se

faire marier devant le ministre protestant avant de se presenter devant

leur curé. Ils durent passer du temple réformé à l'église catholique

comme de nos jours on passe de la mairie à l'église«.

Ook hier worde weêr bedacht, dat deze predikanten louter optraden als

ambtenaren van den burgerlijken stand, dat zij in dat opzicht orde

hebben gebracht in de nu getrouw bijgehouden huwelijksregisters--en dat

zij, in zoo vijandige omgeving en met zulk eene taak, ook niet voor hun

genoegen in de wereld waren. Daarvan is eene geschiedenis als van ds.

Paulus Arleboutius te Tilburg (1633), een uiterst leerzaam en tegelijk

schilderachtig voorbeeld.

Eindelijk--het blijkt duidelijk, dat de katholieken toch ook de

officiëele inschrijving wel op prijs stelden. In de Roermondsche

trouwboeken (1632-1637, jaren, waarin die stad Staatsch was) komen de

namen voor van tal van roomsche officieren: zij hebben daaraan als

maatregel van burgerlijke wettigheid waarde gehecht.

Keeren wij thans tot het algemeene terug, dan rest ons nog te vermelden,

dat niet zonder reden de kerk het trouwen voor den magistraat verdacht.

Het staat zoo onschuldig in het trouwboek te Vianen op 20 Juli 1604:

»Compareerden joncker Balthasar van der Vecht en jonckvrouwe Theodora

van Weer en hebben, na voorgaande geboden, voor den stadhuyse alhier

gedaen, malcanderen bij desen getrouwt ende beloeven de een den

anderen nyet te verlaten volgens Godts inzetten. Actum voor Michiel van

Riemsdijk en Willem Pijll, schepenen.« Dat »hebben malcanderen getrouwt«

is (wij zagen het) naar het juiste beginsel. Maar overigens--Vianen

had, zoomin als Kuylenburg, een goeden naam, het waren wel-aangename

vluchthavens voor velerlei soort van avonturiers, die daar gemeenlijk

vriendelijke herberg en hartelijke ontvangst vonden. De magistraat zag

er niet zoo nauw, ook waar het een huwelijk gold.

Verloving en Huwelijk in vroeger dagen · 第 7 / 11 段