dat deden ergernis gaven aan anderen, »soo stellense oock haer selven
in perijkel van afwijckinge vande ware gereformeerde religie, gelijck
de droevighe ervarentheydt sulks wel heeft geleert«. Hetzelfde gevaar
dreigde bij een echt met lutherschen. Ook hier echter kon de kerk
slechts waarschuwen, niet verbieden. Waar zij wel tegen is opgekomen
(o. a. in 1621), was tegen het geven van proclamatiën door lutherschen,
waarop dan het huwelijk door gereformeerde predikanten werd bevestigd.
Dat was, wij zagen het, bij de bestaande wetgeving ook inderdaad eene
overtreding. Van hunne zijde waren de lutherschen, zelven in afgesloten
kringen levende (al kwam er in den loop der jaren wel toenadering), ook
op gemengde huwelijken weinig gesteld, en nog op 't einde der eeuw
konden de juffrouwen Wolff en Deken ons naar het leven een luthersch
koopman schilderen, den ouden heer Edeling, die niet wilde, dat de
»keten van luthersche wezens in zijn geslacht in de war zou raken door
eene gereformeerde stiefdochter«. Er kwamen, vonden de vaderen, maar
onrustige huishoudens van, volgens het spreekwoord:
»Selden sonder kruys
Twee gelooven in één huis.«
Helaas, dat de jonge jeugd zich aan al deze overwegingen weinig liet
gelegen liggen. »De kinderen«, klaagde de reeds genoemde Van Renesse,
»maken heimelijken ondertrouw, stille beloften, 't zij met woorden,
't zij ook met werken, en verloven haar met menschen, die in leer of
leven kennelijk afwijken van den weg der zaligheid.« De oude man zag
de lasten; de jonge jeugd, door de min vervuld, greep naar de lusten.
Het roomsch-zijn was wel geen wettelijk huwelijksbeletsel, toch kwam
een huwelijk tusschen roomschen en protestanten uiterst moeielijk tot
stand--van beide zijden. Om zich te dezen voor een onjuist oordeel
te bewaren, herinnere de lezer zich den eigenaardigen toestand in
de Republiek, waarvan wij niet mogen nalaten met een enkel woord te
gewagen. Het genie van Prins Willem heeft ons, onder zooveel andere
zegeningen, ook deze gebracht, dat het staatsrecht der Vereenigde
Nederlanden, sinds de Unie van Utrecht, het katholiek-zijn niet als
misdrijf beschouwde, wat het protestant-zijn in katholieke landen
wel was. Er stond bij ons geen straf op: geloofsonderzoek was daarom
noodeloos. Het verheven beginsel is later uitnemend uitgedrukt door den
Amsterdamschen burgemeester C. Pzn. Hooft, des dichters vader (van wien
eens Vondel zong:
»Hoe heeft hem Amsteldam ervaren wijs en simpel,
Een hooft vol kreuken, een geweten zonder rimpel.«)
toen hij zeide: »niemand in zijne consciëntie bezwaren, maar een ygelick
daarin sijne vrijheydt te laten, zoo veel zonder apparent perijckel van
de gemeene rust mach geschieden.« Even uitnemend had zich eens Hooft's
geestelijke vader, de Leidsche hoogleeraar Franc. Junius uitgelaten:
»Het is confusie ofte verwarringe, dat men sijnen medegesellen wetten
wil voorschrijven, en bovenal ist onredelick dat te willen doen in
saecken van consciëntie, daer geen ander wetgever is als Godt.«
Ware de tijd voor deze grootsche gedachte rijp geweest, er zou om
gewetensvrijheid in de Republiek niet hebben behoeven gestreden te
worden; hadde zij in 't geheel niet bestaan, er ware ook geen strijd
geweest. Thans zien wij vrijheid en dwang voortdurend om den voorrang
kampen.
Voor volstrekte godsdienstvrijheid was er ook ten onzent nog geen
plaats, aan onze hedendaagsche opvattingen gemeten, werd er dwang
geoefend, doch, vergeleken met alle andere landen van toen, stond de
Republiek als oord van vrijheid bovenaan en was het lot, voor wie niet
tot de bevoorrechte kerk behoorden, gunstig, ja te gunstiger naarmate de
practijk nog zooveel zachter was dan de theorie. Toen ten jare 1644 de
katholieken van Deventer over verdrukking klaagden, zeiden zij toch in
hun verzoekschrift aan den Franschen gezant dat dit was »chose dure et
jamais ouyë dans ces provinces, ou la liberté de conscience a toujours
esté permise«. Vergeten mogen wij evenmin, dat vele katholieken de
toepassing der vrijzinnige beginselen zeer moeielijk maakten. Er
waren er, die tijdens den opstand de zijde van Oranje gekozen hadden,
velen hadden zich onzijdig gehouden, maar er was ook eene sterke
Spaanschgezinde partij geweest, waarvan o. a. de Leidsche patriciër
Franc. Dusseldorp een duidelijk type is. En, toen nu in de 17de
eeuw, in plaats van de diepgezonken geestelijkheid der 16de, jonge
priesters optraden van onbesproken zeden en gloeiende overtuiging,
toen vertoonde zich (het zijn woorden van Fruin) een geslacht van
katholieken, dat, indien al niet volstrekt anti-nationaal, toch van
eene eindelijke overwinning des Spaanschen konings herstel en bloei
hunner kerk verwachtten. Na den vrede van Munster heeft dit alles zich
gewijzigd--toch is dit (en zooveel meer) noodig te bedenken, ook voor
wie de huwelijkswetgeving goed begrijpen wil. Daartoe keeren wij dan
thans terug.
Van roomsche zijde heeft eenmaal de genoemde Franciscus Dusseldorp het
trouwen met protestanten gelijkgesteld met de zonde, in Levit. XX, 15
vlg. met den dood bedreigd, zeggende, dat aldaar onder »beest« een
ketter te verstaan zij, en dat de kinderen uit zulk eene vermenging voor
muilezels moesten gehouden worden.
Van protestantsche zijde onderwierp men zulke huwelijken aan strenge
beperkingen. Als de man roomsch was, moest hij de verklaring afleggen,
dat hij zijne vrouw nooit om overgang zou lastig vallen en dat de
kinderen protestant zouden zijn--juist wat een roomsche nooit beloven
mag. Toch legde b.v. in 1734 Jan Boumeester te Meppel, die wilde trouwen
met de gereformeerde Jantje Giesbers, in handen van schout Hendrik
Olfen, bedoelde verklaring af. Natuurlijk gebeurde ook het omgekeerde,
dat »een papist zijne gereformeerde vrouw tot zijne religie trok.« Uit
den aard der zaak waren de bepalingen het strengste in de roomsche
gewesten. Nog den 3den juni 1750 vaardigden de Staten-Generaal een
plakkaat uit voor de generaliteitslanden, over huwelijken tusschen
personen van den gereformeerden en van den roomschen godsdienst, »welke
meer en meer komen in te kruipen en waardoor echtgenooten en kinderen
worden verleid, om zich te begeven tot de roomsche dwalingen«.
Het plakkaat schreef voor, dat er geen huwelijksgeboden mochten
gaan tusschen personen van beiderlei godsdienst, zoolang de jongeman
onder de 25 en de jongedochter onder de 20 jaren was, op straffe van
onwettigheid des huwelijks; dat alle trouwbeloften, tot heden tusschen
de zoodanigen gewisseld, volstrekt krachteloos en zonder effect zouden
zijn; dat alle geboden tusschen gereformeerden en roomschen boven
25 en 20 zouden gaan van 6 tot 6 weken; dat, zoo iemand den roomschen
godsdienst omhelsd had om te kunnen trouwen, de verloving hem eerst een
jaar daarna zou worden toegestaan, wat ook gold voor een roomsche, die
geveinsdelijk tot den gereformeerden godsdienst overging.
Reeds vroeger, 3 Maart 1738 en 11 Mei 1739, was bepaald, dat
gereformeerde officieren, die met roomsche vrouwen in het huwelijk
traden, zouden worden ontslagen, wat ook over de burgerlijke ambtenaren
werd uitgestrekt, drakonische maatregel, die eerst de Bataafsche
Republiek in 1795 zich haasten zou op te heffen. Volstrekt verboden zijn
deze gemengde huwelijken nooit--hoe moeielijk het was er een te sluiten,
is ook ons reeds gebleken (boven blz. 84 vlg.) uit de geschiedenis van
mevrouw Van Foreest.
Nog moeten wij (wij naderen het einde van dit lange hoofdstuk) iets
zeggen van de beletselen voor het huwelijk van christenen en joden.
Spinoza zegt in de voorrede van zijn »Godgeleerd-staatkundig vertoog«
(vertaling van Dr. W. Meyer): »Daar ons het zeldzame geluk is te beurt
gevallen van in een gemeenebest te leven, waar aan ieder volkomen
vrijheid van meening en van godsvereering wordt toegestaan en waar men
niets dierbaarder en lieflijker acht dan de vrijheid...« Zoo mocht hij
spreken, en ook vreemdelingen viel het op hoe groote vrijheid de joden
hier genoten. Het was in den geest van prof. Franc. Junius te Leiden,
die eens zeide: »men moet de joden onder de christenen dulden... dewijl
het geloof een gaeve Godts en sij daerenboven onze broeders sijn van
nature... en oock de kercke uit joden en christenen moet versaemelt
worden.« Treffende woorden voor het jaar 1612, waarin ze zijn
opgeteekend!
[Illustratie: Huwelijksplechtigheid van de Portugeesche joden te
Amsterdam (18e eeuw).
Naar een prent in Hurd, Gesch. v. alle Godsdiensten.]
Toch was ook te hunnen opzichte de verdraagzaamheid nog niet een boven
alles verheven wet, het was een »burgerschap van den tweeden rang«,
zooals Dr. J. Mendels dat uitdrukt, de »joodsche natie« stond als
afzonderlijk volk in het volk, zooals wij thans eene kolonie van Turken
of Perzen beschouwen zouden en zij zelven hebben dat ook altijd zoo
ingezien. Toen het jaar 1796 hun de volle vrijheid bracht, waren tal van
joden, onder leiding hunner parnassijns, tegen deze »incorporatie«, die
zij zich overigens volmaakt waardig hebben betoond. Ik heb dat elders
uitvoerig verhaald. Welnu de (voor die dagen) groote vrijzinnigheid der
landsregeering bracht er hun toe, 14 Mei 1712, der joodsche natie verlof
te geven te trouwen ook in die graden, die bij de christenen wel, bij
hen niet verboden waren, oom met nicht, man met de zuster der overleden
huisvrouw, man met de weduwe zijns broeders, als deze kinderloos
gestorven was, het leviraatshuwelijk. Het verlof werd niet voor altijd
geschonken, maar nu en ook later bij wijze van uitzondering verleend.
Echter kwam het ook voor, dat een rabbijn een huwelijk moest inzegenen,
dat hij met de joodsche wet in strijd had geoordeeld.
Maar wat den trouw tusschen jood en christen aanging, volgde men
in de Republiek het kanonieke recht, dat het strengelijk verbood.
Ook hier geen vaste wet, maar in Holland, Friesland, Gelderland werden
overtredingen streng gestraft. Alles (ook volgens protestantsche
theologen) ter voorkoming van geloofsverandering, waartegen reeds
de groote Dordtsche synode gewaarschuwd had. Het is waar, dat
zulke overgangen voorkwamen, sporadisch, en dat de joden in het
Noorderkwartier zelfs beschuldigd werden van zich familiaar te maken
met de landlieden en van »onder het deksel van eene bijzondere manier
van kaasmaken« in hun huizen te komen, om hen te verleiden en tot
huwelijken over te halen. Dit laatste was zeker niet waar, de joden
zelven zouden er den zwaren last van gedragen hebben. Huwelijken
tusschen hen en christenen kwamen voorts weinig voor.
Anders echter stond het in West-Indië en Brazilië, waar te midden der
kolonisten vele joden woonden, welvarend en niet zonder invloed, aan
onze zijde strijdende tegen de Portugeezen, maar, volgens klachten, die
bij de classis Pernambuco der Nederlandsch-hervormde kerk inkwamen, zich
ook schuldig makend aan verboden huwelijken met christenen en aan het
hebben van christinnen als bijzitten.
Met de joden te zamen worden vaak, bij het huwelijksverbod, mohammedanen
en heidenen genoemd. Dat kwam in ons land zelf weinig voor, maar ook
in de koloniën, ja op onze handelskantoren in vreemd gebied trachtte
men naar die wet te leven. Toen Johan Cunaeus--reeds boven door ons
genoemd--zijne zending van Compagnieswege aan het hof van Issahan had
volbracht, ging hij ook afscheid nemen van de padres Carmelieten en
maande hen bij die gelegenheid ernstig aan om, zoo een der dienaren van
de Compagnie met eene inlandsche vrouw in 't huwelijk wilde treden, »hun
dat t'excuseren en plad tontseggen, ten ware schriftelijke licentie van
den directeur verthoonde«. Een zelfde verzoek richtte Z. Exc. ook tot
de »Capusiner padres«. Overigens is in de vaderlandsche plakkaten onder
»heidenen« zeker vaak »zigeuners« te verstaan.
Ik eindig met nog twee huwelijksbeletsels, die volgens de kerk moesten
gelden. Voor een »dootslager noch onversount en zonder berou«. En,
als iemand bij den ondertrouw mist van de persoon, als bij Jacob, die
»zich verloofde (zegt Zanchius in deftig Latijn) met Lea, terwijl hij
haar hield voor Rachel.« Het ligt voor de hand, dat zulk eene (zeker
zeldzame) vergissing, gelijk ook voor het kanoniek recht, de verloving
nul en van onwaarde maakte.
Eerst nu is de laatste hindernis uit den weg geruimd. Eerst nu kan de
bruiloft aangaan met gezang en gerei.
HOOFDSTUK VI.
DE BRUILOFT.
Wij hebben in dit hoofdstuk eene dubbele taak, wij willen getuigen zijn
van de voltrekking van het huwelijk, zooals de Staat die eischte en van
de feestelijkheden aan den bruiloftsdag verbonden, naar gebruik en zede.
Op één punt vallen zij reeds aanstonds samen: de wet wil met nadruk de
openbare huwelijkssluiting, de volkszeden vragen het even nadrukkelijk:
luidruchtig bruiloft vieren moet het zijn met gezang en gejuich, opdat
de heele wereld wete, dat er een huwelijk gesloten wordt.
In de tweede helft der achttiende eeuw echter begonnen de aanzienlijken
er eene eer in te stellen, om in alle stilte te trouwen, bruid en
bruidegom gingen zonder eenig gezelschap, ja soms ieder afzonderlijk, in
hun daagsche pak naar kerk of raadhuis. En, om toch vooral maar deftig
te zijn en alle opzien te mijden, kozen zij niet de Nederlandsche, maar
de Fransche of Engelsche gereformeerde kerk, die minder bezocht waren,
al kenden zij vaak hunne talen zóó slecht, dat de koster hun had in te
fluisteren, als zij »oui« of »yes« moesten zeggen. Ernstige vaderlanders
voelden deze verachting van het openbare huwelijk als eene slappe
ontaarding, en Abraham Blankaart zegt, dat hij vreeselijk de nijd op
dat stille trouwen heeft, alsof men zich het heilig huwelijk schamen
moest en daarom wilde hij niet, dat Saartje indertijd in de Fransche
of Engelsche kerk trouwen zou. Toch was dit weer niet bij allen dwaze
deftigheid, het was ook vaak de eindelijke reactie tegen de overdaad en
de onkieschheden eener »ouderwetsche bruiloft«.
Waar in sommige steden, gelijk veelvuldig te platten lande, nog die
nabuursplichten zich hadden gehandhaafd, waarover de heer H. Tiesing in
den Nieuwen Drentschen Volksalmanak van 1914 ons heeft ingelicht, daar
gingen de buren rond om het huwelijk aan te kondigen en tot de bruiloft
uit te noodigen. In Drenthe heette zulk een bode de »broedneuger«, en
dat moet wel eene blijde bewegelijkheid in menig stil dorp der landschap
gegeven hebben, als de broedneuger, kleurige linten om den hoed en
om den stok, van nieuwsgierige kinderen omjoeld, het erf opstapte en
vroeg, vaak in een lang gedicht, dat hij met zwier voordroeg, »of 't oe
bleeft te komen tegen aanstoande Zundag«. Jammer alleen, dat hij voor
zijn moeite placht beloond te worden met een geldstukje, dat in een vol
glas brandewijn lag, wat hij dus eerst moest leegdrinken, waarom hij, op
't einde van zijn ommegang, wel aanleiding zal gehad hebben te vragen,
zooals in één dier gedichten staat: »Heb ik min boodschap niet wel of
kwoalik gedoan....«
In de steden waren het gemeenlijk de bedienden (bij de gegoeden), die
de uitnoodiging overbrachten aan magen en vrienden. »De Hollanders«,
vertelt in 1664 een Engelschman van ons volk, alsof hij het over
Indianen heeft, »hebben geen andere vrienden dan die van hun geslacht:
op iedere bruiloft pleegt de geheele stam te vergaderen«. Bovendien was
reeds op andere wijze van de naderende bruiloft kond gedaan. Een knecht
met een ruiker op zijn borst was met een slede, door een versierd paard
getrokken, bij vrienden en kennissen eene zoete lading gaan rondbrengen
van bruidssuikers, in zilverpapieren zakjes, met roode en groene linten
dichtgebonden, en van de bruidstranen, den hipocras, gekruiden wijn in
flesschen, van fijn mandewerk omvlochten.
Op eene 18de-eeuwsche kinderprent (verzameling van Dr. Boekenoogen)
ziet men zulk eene slede afgebeeld met den knecht, die de lekkernijen
aanreikt en de fooi in ontvangst neemt, waaronder dit rijmpje:
»Het lijkt u Jan dus rond te rijden
Met Ipocras bij manden vol,
Catrijntje mag het ook wel lijden,
De meid is naar 't verval al dol.«
Ook de apotheker, die den drank leverde, had er een zoet winstje aan.
Wanneer men huwelijksaankondigingen is gaan rondzenden, kan ik niet
zeggen, denkelijk sinds de helft der 18de eeuw, ook heb ik er geene
onder de oogen gehad. Over Duitsche heeft onlangs Walter von Zuwesten
ons verteld in »Von Fels zum Meer« met afbeeldingen. Zeer fraai was de
huwelijksaankondiging (September 1839) van den Düsseldorfer schilder
Adolf Schrödter en de bloemenschilderes Alwine Heuser.
De taak der speelnooten, twee bruidsjonkers en twee bruidsmeisjes, was
bij de oude bruiloften veelomvattend. Zij leiden de feestelijkheden,
plaatsen de gasten, zorgen voor de vertooningen en mogen niet schromen
zelven vóór te gaan in dans en lied:
»Soete gespeeltjes,
Zijdelingen van de bruyd,
Nog éénmaal u held're keeltjes
Met de gasten opensluyt!«
Zij waren het ook, die twee dagen vóór den trouwdag den zoeten arbeid
van het palmknoopen verrichtten, zij vlochten de buigzame twijgen van
den maagdenpalm met vergulde en verzilverde draden tot slingers inéén
en wonden die om spiegels en luchters en kandelaars, om stoelen en
kasten, onder gelach en ravotten en gulle kussen. Ook zorgden zij voor
de bruiloftskroon, twee halve hoepels kruisgewijze over een heelen
bevestigd, met roosmarijn en loovertjes omvlochten, met gekleurde
waaiers en vlaggetjes, en in 't midden binnenin hingen zij een paar
cupidootjes, of twee vereende rechterhanden, of een hart met pijlen,
of een wieg--als onbeschroomde en onergerlijke uiting van wat ieder
van het huwelijk hoopte. Zou het wiegje binnen enkele weken noodig zijn,
dan bleef het versieren achterwege, of vlochten de buren--bij ruwer
zeden--de kroon van stroo. Maar waar geen oneer dreigde, zaten bruid en
bruidegom op den grooten dag aan den bruiloftsdisch in glorie onder hun
kroon:
»Nogh is het niet genoegh; men hangt er groene kroonen
Daer haar het weerde pant sal aan den dis vertoonen,
De solder en de balk, de muren en het bed,
Zijn met gestreckte palm aan alle kant beset.«
Het waren de bruidsmeisjes, die het bruidsvertrek in orde brachten,
versierden en (naar de zeden des tijds), om den bruidegom te plagen,
de beddelakens aan het bed vastnaaiden, of zijn plaats met harde
erwtenschillen bestrooiden.
Te platten lande zorgden hier en daar de vrouwen voor het hoofdkussen
van dat bruidsbed, brachten de veeren er voor te zamen en werden dan op
het veerenmaal onthaald. Wij noemen maar iets uit de veelheid der
gebruiken. In de huwelijksgeschenken heerschte natuurlijk eene oneindige
verscheidenheid, maar als vaste zinnebeelden waren er de bruidegomspijp,
de kop met een altaar en vuur, of met harten, of een bruidspaar er in
gebakken, een prachtige, met strikken versierde goudsche pijp, die
zorgvuldig, als een soort van amulet, zal worden bewaard, en waaruit de
man telken jare op zijn trouwdag rooken zal. Hier is ook de glazen
huwelijksbokaal op zilveren voet, die bij den bruiloftsdisch zal
rondgaan en waaruit later, bij plechtige gelegenheden het echtpaar
drinken zal.
Allen kennen wij voorts nog die sierlijke, zilveren trouwkistjes, waarin
de medaljes bewaard werden, bij gelegenheid van het huwelijk geslagen,
met toepasselijke afbeeldingen en spreuken.
Zoo breekt de trouwdag aan. Elke dag was toegestaan. Zeer gebruikelijk
was de Zondag, na de middagpredikatie, omdat anders de feesten aan die
beurt schade zouden doen. Dat men op de hooge feestdagen trouwde, vond
geene algemeene goedkeuring; volstrekt verboden waren de vasten- en
biddagen. Zegt niet de profeet Joël: »Bepaalt een vastendag, kondigt
een heiligen dag af.. verlate de bruidegom zijne kamer, de bruid haar
slaapvertrek.«
De Zondag was in den aanvang ongewenscht, in Groningen nog in de 17de
eeuw verboden, in de 18de ook daar toegestaan. Een Groningsch predikant
teekende 19 April 1750 in zijn dagboek aan: »heden heb ik in de
vroegpredikatie getrouwd Mons. Havinga en nigtje Radijs«. En 19 April
viel in dat jaar op Zondag. Maandag en Vrijdag waren voor het lager
geloof ongeluksdagen.
[Illustratie: Rubens' bruid, Hélène Fourment in bruidskleed.
Naar een schilderij van Rubens.]
Toen onze stadhouder Willem V in October 1767 met Frederika van Pruisen
trouwen zou, wilde haar oom, Frederik de Groote, niet dat het op een
Maandag geschieden zou, zeggende: »nur nicht am Montag, denn diese
Tag ist nicht gunstig, nur wenigstens habe ich an einem Montag eine
Bataille verloren«, dus werd het 4 October, een Zondag.
Op den vastgestelden dag dan kwam de bruidegom de bruid afhalen. Zij was
door de bruidsmeisjes gekleed en droeg het bruidskroontje, in de 17de
eeuw op de loshangende, in 18de op de gekapte haren... maar voor 't
overige wagen wij ons niet aan eene beschrijving van het bruidstoilet
in zijne wisselende vormen, in elk gewest, in elken tijd verschillend,
afhankelijk ook van den godsdienst, door de bruid beleden en natuurlijk
ook van haar stand en vermogen.
In de kunst kent ieder Rubens' portret van zijne tweede vrouw, Helena
Fourment, in bruidstooi (1630) en nog eerder Rembrandts »Joodsche
bruidje« (1668) in het Rijksmuseum, volgens velen niet eene »joodsche«
bruid, maar Rembrandts zoon Titus met Magdalena van Loo, terwijl anderen
denken aan een vader, die zijne dochter aan den bruidegom geeft; over
de kleuren van welk stuk (»al de geestesweelde van zijne oneindig
verdiepte kunst«) en over de houding der twee figuren Jan Veth zoo
fraai geschreven heeft. In geen geval mag men uit dit stuk de wezenlijke
kleeding eener joodsche bruid ten onzent opmaken: daartoe doet men beter
de prenten te bezien in de gelijktijdige werken over »De kerkzeden en
gewoonten der hedendaagsche jooden« of eene »Schoole der jooden« en
dergelijke.
Even verschillend natuurlijk was de wijze, waarop het paar zich ter
kerke of ten raadhuize begaf. Bij deftige Amsterdammers in de 18de
eeuw bestrooien kinderen hen bij het buitentreden met bloemen en
groen, daarna gaan zij in de slede en de familie volgt in karossen. De
overheid, altijd er op bedacht de weelde bij bruiloften te beteugelen
of, zoo haar dit al niet gelukte (wat nooit het geval was), er althans
voordeel uit te trekken, vroeg voor ééne karos, ten bate van het
Aalmoezeniershuis, f25, hing ze in riemen f100, voor eene slede f2.50,
voor twee f6.30.
Bij het wegrijden strooiden de bruidsjonkers suikergoed onder de
toegestroomde schare, en niemand minder dan Constantijn Huygens vertelt
ons, dat, toen zijne dochter Susanna 20 April 1660 trouwde met Philips
Doublet, heer van St. Anna-land, dit suikerstrooien geschiedde »en telle
abondance que vous eussiez dit d'un orage de gresle, où l'on vit coups
de poing donnez pour le butin, femmes décoiffées, filles culbutées et
autres bouleversements estranges, le sexe à cotillon ne se souciant peu
de ce qu'on luy faisoit, pourveu qu'il attrapast quelque poignée de
sucre«. Dikwijls ging de stoet ook te water, te Leiden b.v. deed men
in de 18de eeuw in een groot tentjacht »een toertje door de frissche
gragten der stad om van boord ter kerke te gaan«. Van die jachten waren
er vele, en de stadsregeering vroeg van elk »speelschuitje« f2.50 voor
het Armewees- en kinderhuis. Thans zijn ze, met de frissche grachten,
verdwenen.
Bij welvarende boeren ging men in sjeesen, voorop de bruidssjees, de
bruidegom hield de teugels en de versierde zweep in de hand, de bruid
strooide uit een volle mand suikergoed en daarachter volgde de lange rij
der gasten: eene blijde cavalcade, vol van kleur en leven. Dit is nog
niet geheel uitgestorven.