volgens wet en gewoonte bij den ondertrouw een onderzoek diende te
worden ingesteld. Het ergste moet nog komen, d. w. z. het moest
blijken, dat partijen niet tot elkander stonden in verboden graad van
bloedverwantschap. Ook hier weêr ligt eene geschiedenis achter ons, die
tot in den oertijd terug reikt. Waar het matriarchaat heerschte (het
moederrecht, waarbij naam, eigendom, voorrecht, stamverwantschap door
de moeder overgaan, ook als de vader bekend is), waren gansch andere
verboden graden, dan waar het patriarchaat bestond. Broeder en zuster
van éénen vader, maar van twee moeders zijn bij het matriarchale stelsel
niet consanguinair d. i. bestaan elkander niet in den bloede, waarom
Abraham tot koning Abimelech zegt van Sara: »Zij is mijne zuster, de
dochter van mijn vader, maar niet van mijne moeder en zij werd mijne
vrouw«. In dit stelsel is een man nauw verwant aan dochters van eene
tante van moederszijde, wat bij het patriarchale niet het geval is.
Voorts speelt hier de opvatting van het stamverband haar rol. Soms is
een huwelijk alleen geoorloofd in (dus met nauwer verwanten), soms
alleen buiten den stam (dus met geen of zeer verre bloedverwanten).
Wederom komen consanguinaire huwelijken voor tusschen zeer nauwe
betrekkingen als broeder en zuster, waarbij dus voor de schadelijkheid
van dergelijke verbintenissen, door sommige moderne schrijvers
aangenomen, niet werd gevreesd. Over dit laatste punt heeft ten onzent,
in 1888, N. P. van der Stok een lijvig werk geschreven, »Huwelijken
tusschen bloedverwanten«, waarbij eene uitvoerige lijst van vreemde en
eigen literatuur. Het Oudisraëlietisch recht verbood te huwen met moeder
en stiefmoeder, met zuster, halfzuster en schoonzuster, met kleindochter
en schoondochter, met tante en aangehuwde tante, wat van hier in het
christelijk en mohammedaansch recht overging. Oudgermaansch recht
verbood huwelijken tusschen ouders en kinderen, broeders en zusters.
Jacob Grimm, de wijdberoemde grondlegger van de studie der Duitsche
taal, van het Duitsche recht en van den Duitschen godsdienst, zegt dit
aldus: »Ehverbot wegen zu naher verwandtschaft zwischen eltern, kindern
und geschwistern versteht sich von selbst; die kirchengesetze dehnten es
aus auf schwägerschaft und geistliche verwandtschaft«. En zóó is het
ook. In den beginne ontzegde de middeleeuwsche kerk het huwelijk zóó
ver, als verwantschap naar Germaansch recht werd aangenomen. Tot in de
9de eeuw vormt in de Duitsche landen deze derde generatie de grens.
Maar in 1058 breidde paus Nicolaas II het verbod uit tot de zevende
generatie. Deze bepaling echter bracht zulk een sleep van lasten en
moeielijkheden met zich, dat in 1215 Innocentius III er op terug kwam.
Volgens hem was een huwelijk in op- of afgaande linie volstrekt
onbestaanbaar; tot in den 4den graad der zijlinie ongeoorloofd. Daar
echter man en vrouw één vleesch en bloed zijn, waren de verwanten van
den een ook die der andere, waarom huwelijken, van wie tot elkander in
zwagerschap stonden, insgelijks tot den vierden graad verboden waren.
Eindelijk: doopvader en doopmoeder stonden tot den doopeling in
ouderlijke betrekking, daarom mocht b.v. de peetdochter niet trouwen
met den weduwnaar harer overleden peetmoeder. Dit was de geestelijke
verwantschap, welke later door de protestantsche theologen en juristen
zou worden ontkend, als geenerlei grond vindend in Gods woord. Volgens
hen mochten dus peters en meters over 't zelfde kind wel trouwen. Voor
't overige namen deze gereformeerde en luthersche theologen eene dubbele
verhindering aan, eene volgens het O. Tisch, goddelijk, eene andere
volgens het Romeinsch en kanoniek, menschelijk recht, waarbij zij
trachtten de verschillen te vereffenen. Ik denk o. a. aan Beza's
tractaat over huwelijksbeletselen, een boek ontstaan uit academische
lessen (1591), dat ook hier te lande, in 't Latijn, en in 't
Nederlandsch vertaald, ijverig is gelezen en o. a. door de synode van
Tholen in 1602 is aanbevolen, toen zij haar »Forme ende maniere van
te ondertrouwen, dienende tot instructie voor den kerckendienaren«
opstelde, als bij uitstek geschikt, om de »graden van bloetvrientschap
of maeghschap in denwelcken te houwelicken van God verboden is« juist
te leeren onderscheiden. Ik denk aan Melanchthon's verhandeling over de
bloed- en huwelijksverwantschap, dat zich voor het beoogde doel zeer
goed leent, want het geeft een bevattelijk overzicht van wat onder
verboden graden te verstaan zij, met voorbeelden uit de bijbelsche
historie, de Grieksche mythologie en de profane geschiedenis. Ook
de Heidelbergsche hoogleeraar Hieron. Zanchius, die in zijn tijd in
aanmerking is gekomen voor een stoel aan de jonge, Leidsche hoogeschool,
schreef een hier te lande aanbevolen werk over verloving, huwelijk en
echtscheiding, waarin hij ook uitvoerig handelt over de verboden graden.
Ten onzent geeft de vermaarde theoloog Gisbertus Voetius een tractaat
over huwelijk en huwelijksbeletselen. Welnu, deze theologen en de door
hen voorgelichte kerkedienaren zagen wel, dat de verbodsbepalingen in de
Schrift niet immer met die in de landswetten of in het kanoniek recht
overeenstemden. Dus trachtten zij naar eene regeling van staatswege,
waarbij met de bijbelsche opvatting rekening werd gehouden, middelerwijl
zich vaak schikkende, in wat zij toch afkeurden. Wanneer de overheid een
huwelijk toeliet in een, volgens de gereformeerde kerk verboden, graad,
dan voltrok de predikant het niet zonder schriftelijk bevel en na de
betrokkenen genoegzaam gewaarschuwd te hebben.
De regeling van staatswege van de verboden graden van consanguiniteit
ging langzaam en bleef onvoldoende. Nog in 1673 leggen de Staten van
Zeeland de verklaring af, dat zij bij het vaststellen der verboden
graden op moeielijkheden stuiten, en dat zij daarom overleg zullen
plegen met hunne naastgelegen bondgenooten, de Staten van Holland en
Westfriesland, met wie zij altijd dezelfde wetten hebben gehad. Deze
laatsten nu hadden reeds in 1580 bij de vroeger genoemde ordonnantie,
de verboden graden zoo goed mogelijk behandeld, door Zeeland gevolgd
in 1583, door Utrecht in 1584, door Friesland in 1586, Gelderland
1597, terwijl voor de generaliteitslanden het Echtreglement van 1656
de graden voorschreef. Hier werd dan het huwelijk verboden tusschen:
1º. Ouders en kinderen, opwaarts en nederwaarts; 2º. broeders en zusters
't zij van vollen of van halven bedde; 3º. man en schoondochter of
kleinschoondochter, vrouw en schoonzoon of kleinschoonzoon; 4º. man en
voordochter der overleden huisvrouw, vrouw en voorzoon van den overleden
man; 5º. man en de weduwe zijns broeders, vrouw en den weduwnaar haars
zusters; 6º. man en de weduwe van broeders of zusters zoon, vrouw en
den weduwnaar van broeders of zusters dochter. De verboden graden door
bloedverwantschap waren ook die door huwelijksverwantschap: in den
zooveelsten graad als iemand is mijn bloedverwant, in den zooveelsten is
zijn vrouw mijn huwelijksverwant, legt Melanchthon ons uit en Huig de
Groot leert: »In swagerschap is verboden te huwelijken binnen de leden
hier voren van bloede vermaant.«
Wij willen nu zien, hoe deze theoretische wetsbepalingen hare
toepassingen vonden in de practijk van het gewone leven, om de kennis
waarvan het ons hier bovenal te doen is. Over de beide eerste graden
bestond geen verschil. Verbintenissen tusschen neef en nicht, van ouds
verboden, waren veelvuldig voorgekomen. »Otto Gerijts«, zegt eene
Arnhemsche schepenaanteekening d.d. 22 Mei 1555, »heeft bij zijns ooms
dochter geslapen ind twe kynder by haer geworven. En, so hij sulx nyet
hefft willen laeten,« heeft de pastoor den schout met de kerkmeesteren
in de vergadering van het kerspel te kennen gegeven, »dat zij sulx
de werltlicke here solden laeten straffen.« De vereeniging tusschen
neef en nicht gold tijdens de Republiek volgens kerkelijk oordeel voor
oneerbaar: wel verbieden Gods woord en de geschreven wetten het niet,
maar het is toch niet stichtelijk. Hier is invloed van het kanonieke
recht, dat, zegt Beza, nog precieser zijn wil dan God in Zijn woord
en zelfs het huwelijk verbood tusschen zusterskinderen tot den derden
graad. Zoo mocht dan volgens gereformeerd inzicht geen huwelijk plaats
hebben van een man met »sijns broeders wijfs dochter, dewelke is sijne
betroude nichte«, ook niet van een man met de nicht van de vrouw, met
wie hij geboeleerd heeft. Het is eigenaardig, dat eene Groningsche
synode van 1613 huwelijken tusschen neef en nicht afkeurt, omdat de
vriendschap tot andere geslachten moet worden uitgebreid. Zoo oordeelde
ook de kerkvader Augustinus reeds, toen hij het huwelijksbeletsel der
bloedverwantschap een uitvloeisel noemde van de goddelijke wet, die wil,
dat niet alleen door de banden des bloeds, maar ook door die van den
echt, de gemeenschap der menschen met elkander in den ruimsten zin
bevestigd zal worden.
Hevige beroering wekte in Groningsche doopsgezinde kringen anno 1681
het voorgenomen huwelijk van een achterneef en achternicht. Christoffel
Wensing, van de Vlaamsche gemeente te Groningen wenschte te trouwen met
Antje Mennes van Appingedam en--beide vaders der jongelui waren neven!
De kerkeraad te Groningen weigerde zijne toestemming te geven... uit
vrees dat zulk een huwelijk bloedschande mocht zijn. Er hadden twee
samenkomsten plaats van de oudsten en de afgevaardigden uit de naburige
gemeenten, die telkens de zaak naar Groningen verwezen. Toen ging
Christoffel naar Appingedam (het was intusschen al voorjaar 1683
geworden!), vroeg dáár de voltrekking van het huwelijk, maar ontving
eene weigering, waarop, om de zaak te beslissen, eene vergadering is
gehouden van _alle_ Vlaamsch-doopsgezinde gemeenten, met afgevaardigden
uit 29 gemeenten, onder wie 3 Oostfriesche. De eerste vergadering
duurde van 6 uur 's avonds tot twee uur na middernacht, de volgende
begon 's middags 12 uur en besloot eindelijk het geval te onderwerpen
aan de stemming der Groninger gemeente. Een-en-vijftig stonden het
verzoek van Christoffel toe, maar »met kommer«, drie-en-twintig waren
er tegen. Daarop besloot deze synode in de uitspraak der Groninger
broederschap te berusten, »met kommer en noodshalve« en onder zekere
voorwaarden. »Zooveel had het in«, roept De Hoop Scheffer uit, die ons
deze geschiedenis heeft verteld, »om in Groningen onder de Vlaamsche
doopsgezinden zijn achternichtje te trouwen!« Laat ons hopen dat
Christoffel en Antje gelukkig zijn geweest. Maar de lezer bespeurt, dat
de gansche zaak buiten de overheid omgaat: die had het huwelijk zeker
toegestaan. Christoffel Wensing wilde zich echter niet buiten het
gemeenteverband stellen en moest daarvoor de lasten overhebben.
De eigenlijke moeielijkheden intusschen begonnen eerst bij een huwelijk
van den man met de betrekkingen zijner overleden vrouw en omgekeerd. In
sommige gevallen was door de landswetten voorzien, maar er deden zich
telkens nieuwe voor, waarover dan uitspraak moest worden gedaan, waarbij
het oordeel der kerkelijken zijn invloed oefende. Een huwelijk tusschen
den man en de voordochter der overleden huisvrouw was, zagen wij, in de
ordonnantiën verboden. Toch wenschte Nicolaas Nieuwland, burgemeester
van 's-Gravenhage, in 1626 zulk een huwelijk aan te gaan, waartoe prins
Maurits toestemming gegeven had. Maar, terwijl er reeds twee geboden
gegaan waren, schutten Heeren Staten het derde en, niettegenstaande
de man bij zijne vrouw geene kinderen gehad had, sloegen zij het
huwelijk af. Volgens de gereformeerde kerk zou de burgemeester zich
aan bloedschande hebben schuldig gemaakt. Toen het eens te Opwierda in
Groningen bleek, dat zekere Jan Cyess met »sijne stiefdochter boleerde«,
werden aanstonds maatregelen genomen »daermit doch sülcke grouwelen vuth
dem lande gewehret mochten werden.«
Het huwelijk tusschen den man en de zuster der overleden vrouw was zóó
gewoon en lag, door huiselijke omstandigheden, zóó voor de hand, dat
de overheid, schoon het verboden was, aarzelde het te veroordeelen.
Toch gevoelden velen het als ongeoorloofd en achtten het althans als
»lichtveerdigheyt in den h. ehestandt«. Ja, terwijl natuurlijk het
huwelijk verboden was van den man met de weduwe zijns broeders, gold ook
het trouwen met de halfzuster der overleden huisvrouw in vele kringen
voor zonde, wat zich zelfs uitstrekte tot het huwelijk met hare
bastaardzuster. Tot deze groep reken ik ook het huwelijk tusschen
den man en de vrouw van den broeder der overleden huisvrouw, zijne
schoonzuster dus ook, maar verder af. De overheid liet dat soms toe,
zooals bij een geval te Gouda in 1601. Daar was Cornelis Cornelisz.
getrouwd geweest met Grietje Anteunisdr., Adriaan Anteunisz. haar
broeder, met Maaike Adriaansdr. Grietje en Adriaan waren gestorven en nu
wenschte Cornelis met Maaike te trouwen. Mocht dat? Het gevoelen was,
dat hier de affiniteit, de zwagerschap, ver genoeg was, om het toe te
staan, maar dat de eerbaarheid, het fatsoen er toch tegen opkwamen. Wij
zijn niet blind voor de zorgvuldigheid der overwegingen, opdat maar de
zuiverheid des huwelijks onbesmet zou blijven, al is het waar, dat men
soms al te angstig was.
Tot wijder kring, maar in dezelfde rubriek, is te rekenen het huwelijk
met de tante der overleden huisvrouw. Bij zulk een geval, anno 1604,
heerschte nog onzekerheid, al waren velen geneigd het een »abominabel
huwelijk« te noemen. Nu gold het hier eene »bloetmoeye« en dat kon
niet nalaten, oordeelden zij, den toorn Gods te wekken. Maar eene eeuw
bijkans later, in 1698, was er geene onzekere jurisprudentie meer en
weigerde de magistraat zulk eene verbintenis, zelfs waar het thans geene
»bloetmoeye«, maar eene »coude moeye« betrof. Jacob Jansz. Knecht nl.
koopman te Amsterdam, was weduwnaar van Catharina Peckstok en wenschte
te hertrouwen met Maria Sarragon, zuster van Catharina's insgelijks
overleden moeder. Na de tweede proclamatie werd de derde geweigerd.
Knecht wendde zich tot de hooge regeering en betoogde, dat het huwelijk
allerminst geschiedde uit ongebonden driften, maar met alle modestie
en eerzaam overleg; dat hij met zijne eerste vrouw maar weinig maanden
getrouwd geweest was en geene kinderen bij haar had verwekt; dat de
bruid, eene zedige, pieuse, bejaarde dochter zich de opschorting der
geboden zoodanig aantrok, dat zij daardoor genoegzaam in eene mijmering
vervallen was. Het mocht alles niet baten. Bij resolutie van 25 Januari
sloegen H. E. Gr. Mog. het verzoek af, zich beroepende op de ordonnantie
van 1580, laatste lid nederwaarts t. w. huwelijk van eene vrouw met den
weduwnaar van de dochter eener zuster. Op een huwelijk als dit, tusschen
den man en zijne koude tante, achtte men ook Levit. XVIII, 14, XX, 20
toepasselijk: »tot de vrouw van den broeder uws vaders zult gij niet
naderen: het is uwe tante.«
Mag de man trouwen met een nicht der overleden vrouw? In Holland en in
Groningen zijn van kerkelijke zijde zulke verbintenissen veroordeeld.
Het is waar, dat een dier gevallen was verzwaard door de omstandigheid
dat »die voorsz. nichte in absentie sijns wijfs met den man op sijn
bedde gelegen had,« naar zij zeide, »om sijns crancken kinds wille«.
Toch stond het oordeel er over niet vast, en de overheid ging met hare
beslissingen waarlijk niet over éénen nacht ijs. Den 8sten April 1638
wendden de Staten van Utrecht zich tot de theologische faculteit,
toen bestaande uit Gisbertus Voetius en Meinardus Schotanus, met de
vraag: »of iemand mag trouwen met de dochter der zuster der overleden
huisvrouw?« Dezelfde vraag legden zij voor aan de juridische faculteit,
aan vier advocaten en aan de gereformeerde predikanten. Tot dusver
had men zulk een huwelijk toegestaan. Voetius heeft toen het antwoord
gesteld, dat daarna werd geteekend door Schotanus en de vijf
predikanten. Later bleek, dat het antwoord der juridische hoogleeraren
en van twee advokaten met het hunne geheel overéénkwam t. w. zulk een
huwelijk is volstrekt verboden. In de vergadering der Staten is het
stuk toen gelezen en overwogen en, naar de bedoeling ervan, het verbod
voor de provincie Utrecht uitgevaardigd. In Holland werd dit soort van
huwelijk verboden bij publicatie van 21 Mei 1664. Maar de Utrechtsche
geschiedenis toont wel duidelijk, hoe omzichtig de vaderen in deze
stoffe te werk gingen. Onder deze bepaling achtten sommigen zelfs te
behooren het huwelijk van den man met de dochter van den halven broeder
of de halve zuster der overleden huisvrouw, als hij dus de »coude oom«
zijner bruid was.
Wat moet men denken van een huwelijk tusschen den man en de stiefmoeder
der overleden huisvrouw? Er was in de landswetten wel voorzien in 't
geval, dat iemand de stief_dochter_ zijner overleden vrouw zou willen
huwen, maar dat hij zijne aangetrouwde stief_moeder_ zou begeeren,
daaraan had niemand gedacht. En toch, ziethier ten jare 1697 Daniël
Hooydonck, weduwnaar van Arriaantje Bont, die de geboden vraagt met Sara
Wallencourt, stiefmoeder der doode Arriaantje. Immers Sara was de tweede
vrouw geweest van wijlen Abraham Bont, in leven koster der Walenkerk te
's-Gravenhage, die in zijn eerste huwelijk vader was van Arriaantje.
Schepenen durfden om het zeldzame geval het derde gebod niet laten gaan.
Daniël heeft het toen hooger gezocht en 31 Januari stonden H. E. Gr.
Mog. den trouw toe.
Het aantal mogelijke gevallen op dit gebied is als dat der sprinkhanen
in menigte. Mag een man trouwen met de bruid van zijn overleden broeder?
Of (ik noem alleen wat zich inderdaad heeft voorgedaan) met de zuster
zijner gestorven bruid? Mag een jonkman trouwen met de bijzit van zijn
oom? Op deze al bijzonder onfrissche vraag antwoordt eene synode van
1592 terecht, dat zulk een huwelijk »nyet in Godts woordt bestaen mag«,
wat natuurlijk ook geldt van een huwelijk tusschen een weduwnaar en de
bijzit van zijn broeder, die bovendien nog in leven is. Maar met deze
overwegingen hebben wij de grenzen van het gebied der verboden graden in
eigenlijken zin reeds overschreden. Wij stappen er dus van af. Misschien
zijn sommigen onzer lezers reeds ongeduldig geworden: zij begeeren nu
eindelijk tot de blijde bruiloft te mogen ingaan. Zij hebben, vinden
zij, nu genoeg stof om met Philogamos in Cats' »Weduwenhouwelijk« te
kunnen uitroepen: »Hoe! Is het huwelijk soo lange in de werelt geweest,
waarde man, en sijnder noch soo veele saecken omtrent die gelegentheyt
te vinden, die heden noch in twijfel staan?« Helaas, wij zijn nog niet
aan de bruiloft toe. Bij den ondertrouw kan nog van andere
huwelijksbeletselen blijken.
Afkeurenswaardig achtte de kerk het huwelijk tusschen een voogd of diens
zoon en de weeze, die zijn pupil was, tenzij met toestemming der Staten.
Dezen gaven haar in geen geval vóór de eindrekening had plaats gehad,
wat bij de meerderjarigheid der pupillen geschiedde, meest ten overstaan
van de vertegenwoordigers van het openbaar gezag. Huwelijksbeletsel
was voorts krankzinnigheid. Dan melaatschheid. Ten jare 1470 was Geert
ten Starte, burger der stad Kampen, door lepra aangetast, maar de
stadsdokter, mr. Franck Johanssoen, gaf, na consult met vier Utrechtsche
geneesheeren, hoop op herstel. Maar de vrouw van den patiënt beklaagde
zich over het geld, dat de behandeling kostte en wilde ook niet langer
met haren man samenwonen. Geert wendde zich toen tot den Raad met
verzoek haar in beide opzichten tot rede te willen brengen, onder
overlegging van een rechtsgeleerd advies, waarin uit bijbelsch en
kanoniek recht werd betoogd, dat zij tot samenwoning verplicht was. Maar
dit was niet de gewone opvatting. Als regel gold onder de Republiek,
dat het huwelijk tusschen melaatschen en gezonden verboden was, dat
trouwbeloften met iemand, die later blijkt lepra te hebben, van onwaarde
zullen zijn en dat zij onderling slechts mochten trouwen met consent
van de overheid. In geval van een voorgenomen huwelijk geschiedde te
Amsterdam de keuring, van wie verdacht werden besmet te zijn, in de
spreekkamer van het leprozenhuis, aan de wand waarvan die bekende
schilderij hing, verbeeldende den »vroolijken« optocht der leprozen
op koppermaandag. Vertoonde de gevreesde ziekte zich echter na het
huwelijk, dan, oordeelde o. a. Cats, mocht men den band er niet om
breken:
»Al kreegh uw wederpaer de witte laserije,
Al kreegh uw wederpaer de swarte rasernije,
Hij blijft uw man...«
En nu wij toch over ziekten spreken: gelijk in het Romeinsche recht was
ook in ons tijdperk, ook naar kerkelijk oordeel, eene »colde nature«
voor het huwelijk een beletsel, m. a. w. men mag niet huwen, met wie
tot den huwelijksplicht onmachtig zijn. Was dit echter gevolg van al te
groot leeftijdsverschil, dan kon het wel door de openbare meening worden
veroordeeld, maar moeielijk door de wet worden tegengegaan. Guicciardini
in zijne bekende »Beschrijvinge van alle de Nederlanden« (vertaling door
Kiliaen, 1612) heeft het er al over en vertelt ons: »'t Is schadelijck
ende schandelijck, datter sommighe seltsame ende onbehoorlijcke
houwelijcken worden ghemaact te weten een jongelinck met een oud wijf
ende eenen ouden grijsaerdt met een jonck vrouwspersoon sonder noodt
van kinderen.« Twee en een halve eeuw later hooren wij desgelijks van
huwelijken tusschen mannen van zestig en meisjes van twintig jaren,
maar erger nog, en gelukkig eene uitzondering, was het huwelijk in
1683 te Appingedam tusschen een man van 96 en een meisje van 20 jaar.
Natuurlijk geschiedde dit meest om het »heilig goud«, gelijk Jeremias
de Decker in zijn puntdichten zegt:
»'t Geld geld nu meer als d'eer, 't goud word als God gesmeekt,
Men juycht als Pluto pleyt; men dut als Plato preekt«;
het was daarom, dat »de bevallige Chrysofilus zich in de armen wierp van
eene verlepte dog schatrijke weduwe, een verflenst besje«, wat Justus
van Effen in een vertoog van 1732 hekelt, of dat een jongman, zegt
de Spectator der studenten, »zich in het prille van zijn jeugd laat
koppelen aan eene oude manzieke totebel, aan wie hij zich en zijne
vermaken voor een lui en vervelend leven opoffert«. Konden noch de kerk
(die van Zeeland wil, dat eene vrouw van 60 niet zal mogen trouwen met
een man beneden de 40 jaren) noch de staat veel tegen dit euvel doen,
volksgeweten en volkshumor beide hebben er zich altijd tegen gekant en
het bespot.
In een land, waar velerlei godsdiensten en kerken gevonden werden,
als in het onze, lag ook daarin de oorsprong van huwelijksbeletselen.
De vroeger genoemde waren alle »politiek«, raakten de burgerlijke
gemeenschap. Maar andere, door de kerkelijken alleen voorgestaan,
poogden zij den Staat te doen aanvaarden, opdat ze autoriteit zouden
verkrijgen. Zoo wilden zij b.v. een verbod van 't huwelijk tusschen
gedoopten en ongedoopten, omdat naar hunne meening zulk een echt het
verbond Gods verijdelde en de »livrei des christendoms« wegnam. Zij
stelden dus den eisch, dat, als een ongedoopte huwelijksproclamatiën
vroeg, hij eerst moest worden gedoopt. Het was waar, dat iemand, om des
huwelijks wil zich latende doopen, »gelijkewel met de wereld in 't wilde
loopen kon«, maar de kerk kon niet meer doen dan »hem te onderwijzen in
de leer der zaligheid, bevelende Gode de uitkomst, die een kenner der
harten is.« Intusschen heeft de overheid ook in dezen niet toegegeven
en bij hare huwelijkssluiting op al of niet gedoopt-zijn geenerlei acht
geslagen. Zij had voor de gansche natie te zorgen en was, niet ten
onrechte, van meening, dat het voor het algemeen belang en ook ter
bevordering van het ordelijk huwelijk zelf beter was, dat ongedoopten
wettig huwden dan onwettig samenleefden. Op de vraag, of onder
een gedoopte ook te verstaan zij een door den roomschen priester
gedoopte, antwoordde de kerk »ja«, daarin goed gereformeerd. Want
de geldigheid van den ketterdoop erkend te hebben en de kerkelijke
huwelijksbevestiging van ongedoopten verboden, heeft prof. H. H. Kuyper
in de Dordtsche synode gewaardeerd als eene handhaving van het zuiver
gereformeerd beginsel. Men kan daarmeê instemmen en het toch als
willekeur veroordeelen, dat de kerk dit »ongedoopt-ongetrouwd« wilde
uitstrekken over alle burgers des lands. Door dezelfde beginselen heeft
de overheid zich gemeenlijk laten besturen bij de pogingen van sommige
kerkelijken, om het huwelijk tegen te gaan tusschen gereformeerden en
protestantsche dissenters. Over het algemeen was men in kerkelijke
kringen ongeneigd het huwelijk aan te bevelen met iemand »drijvende
contrarie religie«, om de groote zwarigheden, die er uit voortsproten,
maar een huwelijksbeletsel heeft men er niet van willen maken. En de
regeering hield zich onzijdig, verbood het in geen geval. Ten opzichte
van de nog langen tijd aangetroffen volgelingen van David Jorisz., den
beruchten Delftschen wederdooper (gestorven te Basel in 1556), bleef
de kerk zich niet altijd gelijk, ofschoon zij in hare veroordeeling
van de booze leer dezer »davidjoristen, nicolaïeten ende eenighe andere
van den selven slach, bende ende adderengebroedsel« (zooals Joh. Becius
zich in 1638 uitdrukte) eenstemmig genoeg was. Soms heet het, dat
bekende hardnekkige davidjoristen niet met gereformeerden in de kerk
mogen trouwen, zij moesten dan maar ten stadhuize gaan. Soms was men
toegevender. Zoo woonde op het einde der 16de eeuw in Den Briel zekere
Jacob Jansz. van Velzen, verdacht van de davidjoristische gevoelens aan
te kleven. Toen hij nu geboden vroeg voor zijn huwelijk met Goedelieve
Bogaert, eene weduwvrouw en zuster van Ds. Joh. Bogaert te Haarlem,
wilde de Brielsche kerkenraad die niet laten gaan. Jacob zelf vond, als
een vrij protestant, dat hij »in de materie des huwelijks zoo nauw niet
behoorde gepraamt (geprangd, gedwongen) te worden« en de synode van
Gouda in 1601 ging daarmede accoord en besloot, dat Goedelieve wel
ernstig door haren broeder moest worden vermaand, maar dat de geboden
in geen geval mochten worden geschut. Men ziet het telkens: de gansche
huwelijksregeling was in staat van worden, elk voorkomend geval nagenoeg
eischte afzonderlijk overleg.