blijken van partijen. Vervolgens het consent der ouders. Van de oude,
gewestelijke rechtstoestanden zij slechts kort vermeld, dat in Friesland
minderjarigen de toestemming van ouders of voogden noodig hadden
(zie boven blz. 66), dat in Gelderland noch in Holland het ontbreken
van die toestemming de nietigheid des huwelijks met zich bracht, wel
vermogensnadeelen, terwijl in hetzelfde Gelderland eerst de Echtorde van
1597 die nietigheid uitsprak. Reeds vroeger had ook het Eeuwig Edict
van Karel V (1540) het consent der ouders geëischt. Toch vinden wij
herhaaldelijk zulke huwelijken vermeld b. v. »Den 21 Juny 1618 capiteyn
de Vries getrout met Lambrecht Kanters dochter, van (ds.) Taurijn in
de Buerkerk, tegen wil ende danck des vaders«. Jonker Lambert Kanter,
raad der stad Utrecht, was ouderling ter synode van Dordrecht en zou
aldaar overlijden 24 April 1619 en den 27sten plechtig worden begraven.
Ds. Joh. Taurinus, de bekende schrijver van de »Weegschaal« was
vurig remonstrant: zoo zal de weigering des vaders hier wel in het
godsdienstgeschil haar oorzaak gevonden hebben. Het blijft de roem der
gereformeerde kerk, dat zij met nadruk het consent der ouders eischte.
Reeds in 1572 had de eerste Noordhollandsche synode uitgesproken:
»Nyemant, die onder eens anders macht geworpen is (zal) hem vervoirderen
hem met yemant te verloven sonder die haer wille, die sij onderworpen
sijn, daartoe te hebben«. Ouders en vrienden moeten, stelt zij voor (en
dit is ook regel geworden), met de jongelieden medekomen, en anders moet
men dezen met schande afwijzen, »al waert dat sij den dienaren oyck
veel wilden wijsmaecken«. De Dordtsche synode van 1574 spreekt zich in
denzelfden geest uit. De kerk placht zich gaarne te beroepen op het
voorbeeld van Simson, den richter in Israël, die »gezien hebbende eene
vrouw te Thimnat van de dochteren der Filistijnen, zoo ging hij opwaarts
en gaf het zijnen vader en moeder te kennen en zeide: neem mij die tot
vrouw«. In overeenstemming daarmede de overheid in 1580: de proclamatiën
worden niet toegelaten zonder consent der ouders. Toen de student Corn.
Floor te Franeker in 1598 huwen wilde met eene pupil van prof. Drusius
(het was een in die dagen berucht geval) verzocht de kerkeraad aan de
overheid de proclamatiën op te schorten, totdat gebleken zou zijn van
't consent van 's jongelings moeder. Ouders, verhinderd zelven te
verschijnen, mochten bij volmacht van hunne gevoelens laten blijken.
Daarvoor put ik een voorbeeld uit de genoemde pui-boeken van Amsterdam.
Op 31 Mei 1625 kwam Warner van Lennep (voorvader van het bekende
geslacht) ter aanteekening ten stadhuize, bijgestaan door secretaris
Valckenier (want de jongman had, afkomstig van Emmerik, in Amsterdam
geen verwanten), vertoonend zijns vaders consent. Met hem de bruid, Sara
van Halmael, geassisteerd door haar stiefmoeder. En dan de bijvoeging:
»de vader heeft gezegd, dat hij de geboden niet zal schutten«. Het was
geen consent van harte blijkbaar. Daar het woord »ouders« aanleiding gaf
tot misverstand, bepaalden de Staten van Holland en Westfriesland in
1671, dat de uitdrukking »ouders« in art. 3 der ordonnantie van 1580
te verstaan zij als vader en moeder, niet grootvader of grootmoeder.
Eindelijk, dat het voorschrift omtrent het oudersconsent langzamerhand
zich in de zeden vastzette, blijkt o. m. uit de verbazing, waarmede
Nederlanders in den vreemde afwijkende toestanden opmerkten. Den 4den
Mei 1689 teekende Const. Huygens de zoon in zijn journaal aan, dat in
Engeland een meisje van 14 jaar een goed en valide huwelijk kon sluiten
in 't geheim en zonder het consent der ouders.
[Illustratie: Kinderhuwelijk.
Willem II en zijn bruid Maria van Engeland.
Naar de schildering van Van Dijck, in het Rijksmuseum, Amsterdam.]
Ziehier ons de gelegenheid geboden iets te zeggen van de leeftijdsgrens.
De verbazing van Huygens vond haar oorzaak in die 14 jaren. Want dat ten
onzent de geboden zonder toestemming der ouders niet werden toegelaten,
gold alleen voor jongemannen onder de 25, voor jongedochters onder de
20. De leeftijdsgrens voor huwelijken was oudtijds in de verschillende
gewesten verschillend, men vindt 18-14, 14-12, terwijl huwelijken onder
deze jaren gesloten voor oneerlijk en strafbaar, niet voor nietig
golden. Zoo nog onder Karel V. Maar onder de Republiek waren zulke
kinderhuwelijken verboden. In Friesland en Utrecht werden ook bij de
vrouw de 25 jaren geëischt, vóór zij het ouderlijk consent zou kunnen
ontberen. Wie dan nochtans zulk een verboden echt sloot, mocht geen
aanspraken op het huwelijksgoed doen gelden, verstandige bepaling ter
bescherming van jonge, onervaren erfdochters, opdat niet een of andere
schavuit haar hart veroveren, haarzelve schaken en voorts met haar
en haar geld trouwen zou--wat toch telkens geschiedde. Was alzoo 14
en 12 jaar voor man en vrouw de uiterste grens nederwaarts volgens de
wet--hoe stond het er mee in de practijk? Wij hebben daaromtrent geene
opzettelijke onderzoekingen onder oogen gehad, met name niet voor
kinderhuwelijken, zooals dat o. a. in Engeland is geschied. Over het
onderwerp in het algemeen stip ik slechts aan, dat sommigen de oorzaak
van kinderhuwelijken vinden in den wensch der ouders om ontduiking
hunner macht (b.v. door schaking) te vóórkomen. Zeker geldt dit
niet voor alle dergelijke verbintenissen, zooals ze bij Hindoes en
Australiërs, bij Balineezen en Dajaks gesloten worden, en waarvoor
onderscheiden redenen bestaan. Ook heeft reeds wijlen de hoogleeraar
Wilken onderscheid gemaakt tusschen wezenlijke kinderhuwelijken
en verlovingen tusschen kinderen. Maar opmerkelijk is, dat ze in
Engeland nog zoo laat, in de 16de en 17de eeuw, gesloten worden. Zoo
heeft F. J. Furnivall een onderzoek ingesteld alleen voor de diocees
Chester van 1561 tot 1566 met allerbelangrijkste uitkomsten, en wel
zonderling klinken ons getuigenissen als dat »Harie Accars at the
time of his marriage with his child wife Jane was »about the age
off viij yeres and the said Jane about iiij or v yeres old««. Zulke
kinderhuwelijken werden in alle vormen gesloten, waren in de gevolgen
meest uiterst ongelukkig en hadden verschillende oorzaken. Uitgenomen
enkele dergelijke verbintenissen uit staatkundige beweegredenen (toen
Willem II met Maria Henriëtte Stuart trouwde, 12 Mei 1641, was hij nog
geen 15, zij juist 10 jaar oud) zijn mij ten onzent op dit punt geen
gegevens bekend. Wel voorbeelden van zeer jong trouwen. Toen Jacob de
Witt 9 October 1616 met Anna van den Corput in den echt trad, was de
bruid 16 jaar. In de deftige families bleef dit niet ongewoon, en in de
nadagen der republiek vinden wij huwelijken, waarbij de jonge dochter
15, 16 meest 17 of 18 jaar oud is. Sommigen vonden dat te jong. Mevrouw
Helder »zoude ongaarne zien dat haare Dogter (van 18 jaar) zoo vroeg
trouwde, als nu meer en meer de mode wordt.« In eenvoudiger kringen
schijnt de huwelijksleeftijd ouder, 25 tot 30 jaar, omdat daar het
wachten op den noodigen welstand meêtelt, soms ook de familieband.
Op alle dorpen van Rijnland en Delfland, laten wij ons vertellen uit
het derde kwart der 18de eeuw, vindt men jongelieden die 10 à 12 jaar
gevrijd hebben, ja die niet voor hun 50ste jaar getrouwd zijn, niet uit
al te groote koelheid, maar uit eene ongemeen sterke ouderliefde. Een
Duitsch reiziger op 't eind der eeuw vertelt, dat in Engeland meer
ongehuwden van 40 dan in Nederland van 25 jaren zijn.
Waren de jongelieden boven de 25 en 20 en konden zij geen consent
vertoonen, dan werden de ouders ontboden en gehoord, waarna de
magistraat over de gegrondheid hunner bezwaren besliste. Zijn de ouders
binnen twee weken niet verschenen, dan gold dit voor toestemming; kwamen
zij en was de rechter het met hunne bezwaren eens, dan was er geen appel
of reformatie, gelijk de desbetreffende bepaling van 1597 in 1663 werd
vernieuwd. Natuurlijk kwam het ook voor, dat de rechter het niet met hen
eens was en dan mochten de geboden voortgang hebben. Jammer, dat kerk en
staat ook hier zich niet immer naar elkander voegen wilden, dat schouten
en secretarissen ten platten lande zich »vaak niet wilden conformeeren
met de politie der H.H. Staten om 't consent der ouders te verwachten«,
oorzaak van vele landelijke drama's. Te Nieuwkoop woonde in 1595 eene
vrouw, die met drie mannen tegelijk ondertrouwd was en nu, zonder
consent, met den derden te Nieuwveen wilde trouwen. De predikant
weigerde terecht. Toen liet de baljuw van Rijnland haar door zijn
schout trouwen.
* * * * *
In gegoede kringen stelde men bij de verloving ook de
huwelijksvoorwaarden vast, waaronder ook het spelden- en het
weduwengeld, voorts morgengave (waarover later) en bruidschat. Waar
de bruidegom alleen zijne sterke handen en de bruid haar »eertje en
haar kleertje« meebracht, kon de belijing achterwege blijven. Jan
Steen heeft zulk een huwelijkscontract op een prachtig stuk vereeuwigd.
Den huwelijkshandel tusschen de ouders der geliefden, waarbij het
wederzijdsche goed tegen elkaâr werd opgewogen, zien wij op prenten
vaak voorgesteld door een weegschaal, waarop de jongelui zitten.
De plank, waarop het meisje met een schatkistje in haren schoot,
daalt, die, waarop de jongeling met leege handen, rijst: het huwelijk
springt af. Gelukkig, zoo men het eens werd en de mansvader (als in
Friesland) der bruid den riem gaf met kettinkjes, waaraan sleutels,
schaar, reukballetje en spiegeltje, als om de arbeidzaamheid en de
schoonheidszin, der huisvrouw beide noodig, zinnebeeldig uit te drukken.
Uit de 16de eeuw hebben wij als geschenken bij die gelegenheid: damasten
rokken, gouden ringen, armbanden, maar ook een spinnewiel, tafellakens,
drinkvaten, maar ook een in blauw fluweel gebonden gebedenboek met
gouden sloten en ook--onergerlijk en natuurlijk--een wieg. In Groningen
heette deze bijeenkomst de wijnkoop, omdat de wijnkan er lustig bij
rondging en het contract ving doorgaans aan: »Dat ter eere Gods en
(zelfde gedachte als bij de wieg) tot vermeerderinge des menschelijken
geslachts een wettig huwelijk is beraamd tusschen ...« De bekende
Groninger predikant R. Alberthoma teekende in zijn dagboek op 4 Jan.
1753 aan: »van middag is de wijnkoop gehouden van den heer Paulus
Chevallier, theol. prof. en onze enige dochter Margaretha Geertruid.«
Een zeer eigenaardig geval deed zich in 1775 in de Beemster voor,
waarvan Betje Wolff, die daar toen immers woonde, geheel vervuld was en
er aan haren vriend, dr. D. H. Gallandat over schrijft. De schatrijke
weduwe Agatha van Foreest--geb. Van Foreest, moeder van acht kinderen,
werd verliefd op een armen Beemster boerenjongen, Jan Schenk, die nog
met haar kinderen had gespeeld. Toen zij besloten was hem te trouwen,
liet zij hare kinderen samenkomen op haar buitenplaats in de Beemster
(de twee oudste zoons waren officier), deelde hun haar plan mede en
beloofde, als een der huwelijksvoorwaarden, hun een millioen gulden af
te staan. Er ontstond een zware twist,--»de degens zijn uitgeraakt en
de Heeren hebben hunnen aanstaanden stiefvader van de Plaats gejaagd met
vele dreigementen.« Toch heeft toen mevrouw de geboden laten vragen,
die, na protestatie der familie, ook gegeven zijn. Daar de bruigom
roomsch was, moesten zij van zes tot zes weken onder de geboden staan;
het huwelijk volgde 4 Juni en werd, zeker om de ergernis, in huis
gesloten. Het portret dezer trouwlustige dame hangt in het Westfriesch
museum te Hoorn als No. 56. Over ergerlijk bedrog met huwelijksche
voorwaarden ontbreken helaas de berichten niet. Men bepaalde een
veel hooger som, welke de vrouw mede ten huwelijk bracht, dan de
waarheid was, wees haar een douairie of lijftocht toe, grooter dan de
wederzijdsche bezittingen samen bedroegen: bij een breuk (faillissement)
trok de vrouw dit alles van den boedel af en voor de schuldeischers
bleef 10% over!
[Illustratie:
_De Lifde eylaes heeft nu den sack gecreghen,
D' ouders Weghen, haer dochter in balance,
Heeft den uryer soo ueel goets niet daer teghen,
Het houwelyck is af, hy moet uanden dance._
_Amour est refroidy, affection est morte,
L' Hollandois ueult la dote et la fille poiser:
Que si le Jeun Amant aultant des biens n' apporte,
Ailleurs il luy faudra sa fortune chercher._
Huwelijksweegschaal.
Foto naar een prent, toegeschreven aan G. de Jode.]
* * * * *
Bij den ondertrouw dienden partijen al verder over te leggen een
»getuigenis van vrijigheid«, bewijs dat men ongetrouwd was. Tegen
bigamie hebben kerk en staat gelijkelijk als tegen een groot en
schadelijk euvel krijg gevoerd. In onze periode kwam de verbintenis met
meer dan ééne vrouw als wettige huwelijksvorm reeds lang niet meer voor;
waartoe zijne neiging ook nog iemand voeren mocht, godsdienst, recht en
zede stempelden gelijkelijk polygamie als overtreding. Het beroep op de
oudvaders in het O. T. wezen Beza, à Limborch, Barlaeus, Cats en wie er
verder over geschreven hebben, af met te betoogen, dat zij dwaalden, of
dat de veelheid der zondaren de zonde niet verontschuldigt, of dat God
in den beginne de veelwijverij toeliet, om de aarde bevolkt te krijgen,
maar dat zij toch niet in zijn plan lag, omdat Hij anders gemakkelijk
uit Adam meer dan ééne Eva had kunnen scheppen. In de jaren 1535 en
een tiental volgende was dit betoog te pas gekomen tegen munsterschen,
batenburgers en davidjoristen, die het dubbel huwelijk in theorie
verdedigden en in de practijk toepasten. Bekent niet Jan Pietersz.
van Alkmaar dat »hem door den leeraar Jacob Remmes is gegeven geweest
tot sijne tweede huysvrouwe, de voorsz. sijne eerste huysvrouwe noch
levende, eene genoempt Nele?« Was niet de wederdooper Lourijs Lourijsz.
van Leiden met Dorothea Pietersdr., ook in 1534, als met zijne vrouw
naar Dordrecht gereisd, om daar te prediken, zijne eerste vrouw te
Leiden achterlatende? Was niet Maria Barent Gerrijtsdr. uit het land
van IJselstein, eerst getrouwd met Gerrit Kieviet, die te Amsterdam
werd onthoofd, daarna »een van de huysvrouwen geweest van eenen Corn.
Appelman oick van den verbonde van Batenburch, die voor sulx tot Utrecht
geëxecuteert is geweest?« Doch de verdwaasdheid dezer ongelukkige
schepsels heeft maar kort de toenmalige maatschappij in beroering
gebracht. Thans dan waakten staat en kerk zoo goed mogelijk tegen dubbel
huwelijk, al was het vaak uiterst moeielijk zekerheid van iemands dood
te verkrijgen. Toch kon strengheid bij zoo groot gevaar geen kwaad: bij
gebleken bigamie volgde soms doodstraf, te Amsterdam werd iemand, die
bij het leven zijner vrouw geboden had gevraagd, gegeeseld. Omgekeerd
heeft de overheid voor bigamie te goeder trouw genadig willen zijn
door o. m. de wettiging der kinderen mogelijk te maken. Echter heeft
zij geen gevolg kunnen geven aan den wensch der gereformeerde kerk,
dat men alleen zou mogen trouwen ter plaatse waar de geboden waren
gegaan. Dat was niet tegen te gaan. Wel echter moesten, als partijen op
verschillende plaatsen woonden, op beide de geboden gelezen worden. Hier
is een voorbeeld, ook voor plattelandstoestanden eigenaardig: »Edam 30
Juni 1612 getrouwt Dirck Cornelisz. van Haakswijck (Axwijk) met Trijn
Jansdr. van Middelije (Middelie) met goede attestatie des schoolmeesters
tot Middelije haare wettelijke uytroepingen gehad te hebben, getrouwt
hier te Edam in de hooytijd, dat tot haerent niet gepredickt wordt en
daerom oock haer preddicandt van huys was«. Juist omdat het doodsbewijs
soms zoo moeielijk te leveren viel, toonde ook de kerk vaak mededoogen.
Zekere George Church, een Engelschman, te Rotterdam wonend, had daar,
in 1633, eene weduwe getrouwd, Margaretha Hope, die twee mannen gehad
had. Maar nu was het gebleken, dat de eerste dier twee nog leefde, in
overspel met eene andere, nadat hij Margaretha »malitieuselijck« had
verlaten. Toen George dit te weten was gekomen, had hij zich aanstonds
van zijne vrouw afgezonderd en eene scheiding bewerkt tusschen haar en
dien eersten man. Hij vroeg nu aan de synode van Den Briel of zijn
huwelijk met Margaretha, vóór den datum dier scheiding, onecht was
geweest en zij dus op nieuw moesten trouwen? Waarop de hooge vergadering
»nemende in consideratie de onmijdelijcke onwetenheyt van den man,
de trouwloose verlating van Margaretha Hope bij haren eersten man,
den commer van d'een en d'ander sijde...« het huwelijk voor wettig
verklaarde. In 1664 werd Johan de Witt om advies gevraagd in eene
dergelijke zaak van teeren aard. Eene vrouw was getrouwd met een man,
die op dat tijdstip in Holland nog eene andere vrouw in leven had, al
heette het dat zij overleden was. Maar zij had reeds met dien man
geleefd, nog vóór het gerucht van dat overlijden haar was ter oore
gekomen, en had dus reeds niet met hem mogen huwen, volgens de wet,
dat de overspeler met de overspeelster niet huwen mag. Bovendien kon
zij niet aangeven, wanneer zij van dat overlijden had gehoord, wat te
vreemder was, omdat die vrouw in een Delftsch logement verblijf hield
en men dus van haar afsterven gemakkelijk naricht had kunnen bekomen.
De Witt geeft nu den (zeker zeer wonderlijken) raad, dat zij de »saecke
sooveel doenlijck secreet houden« moet, omdat anders wel eens scheiding
zou kunnen worden bevolen. Hier was, zouden wij zeggen, geen reden voor
mededoogen. In elk geval blijkt het gevaar voor bigamie niet
denkbeeldig.
* * * * *
Soms werd er bij den ondertrouw gelet op de mogelijkheid, dat de bruid
»deflorata«, onteerd kon zijn. Sommige instructies schrijven voor, dat
predikant of ambtenaar (bij opgevat vermoeden) moeten vragen of het
bruidspaar »vleeschelijke conversatie« gehad heeft? Ook dit stuk uit de
geschiedenis des huwelijks heeft eene lange ontwikkeling achter zich,
maar wij kunnen er èn om de uitgebreidheid èn om de eigenaardigheid van
het onderwerp niet lang bij stil staan. Er zijn tijden, waarin en
volken, waarbij de ongereptheid der bruid niet slechts onnoodig, maar
zelfs ongewenscht werd geacht zoodat zij, op velerlei, voor ons begrip
stuitende, manier vóór het huwelijk werd gedefloreerd. Maar de regel was
toch het omgekeerde, dat nl. de maagdelijkheid der bruid van de hoogste
waardij werd geacht en bij het huwelijk op overtuigende wijze moest
worden aangetoond. Wat Deut. XXII: 13-21 van de oude Israëlieten
verhaalt, mag als vast gebruik bij tal van volken gelden, terwijl
oude vertellingen en sprookjes dan weêr herinneren, hoe met dit bewijs
bedrog kon worden en ook vaak werd gepleegd. Maar hiervan genoeg. In
ons tijdperk gold het reeds lang als misdrijf zoo bij de verloving
bleek, dat de bruid ontmaagd was, daarom, naar de volkszeden, nog
niet altijd als schande. In Amsterdam verwezen commissarissen, als 't
bleek, dat de bruid onteerd was, de zaak naar M. H. van den gerechte.
Was de zwangerschap der bruid »notoirlijck« dan betaalden in de
generaliteitslanden partijen ieder f20, waarbij de ouders voor hunne
kinderen, vrouwen voor haar dienstmaagden instonden. Hadden nu partijen
nochtans geen bezwaar tegen het huwelijk, dan ontstonden er natuurlijk
geene moeielijkheden en deze soort verbintenissen waren talrijk, door
de volksmoraal ook niet veroordeeld. »'t Is aan onze stranden,« vertelt
ons iemand in 1773, »zeer gemeen een bruid bezwangerd te zien vóór den
trouwdag, maar de gelieven blijven elkander getrouw«. En zoo was het
niet alleen aan onze stranden, maar ook verder. In de bouwstoffen voor
een beroemd geworden rapport, door baron d'Alphonse in 1813 uitgebracht
over den staat van ons land en volk, bevindt zich ook een stuk van den
prefect de Stassart d.d. 22 Aug. 1812, waarin o. a.: »... De families
wachten met het vaststellen van een huwelijk, tot de jongelieden neiging
voor elkander getoond hebben. Vandaar de nauwe betrekkingen tusschen de
beide geslachten. Bovendien trouwen, althans in de lagere klassen, de
meisjes niet vóór zij zwanger zijn, maar in dien toestand worden zij ook
bijna nooit verlaten.« Bij deze uitspraak staat een aanteekening van
J. D. Janssen, den lateren secretaris-generaal bij het departement voor
de zaken der hervormde kerk, waarin hij dien vrijeren omgang prijst en
voorts ontkent, dat de bedoelde meisjes zóó zijn. Hij kent geen enkele
klasse zóó bedorven, »zelfs« niet in Den Haag, »à l'exception peut
être de celle des domestiques, qui a en général les moeurs les plus
dissolues«. D'Alphonse heeft toen geschreven: »il en résulte quelquefois
quelques anticipations sur les droits de l'hymen«. Dat was weder veel te
gunstig. Vandaar, dat het in zijne kringen aan den raadspensionaris van
Slingeland zeer kwalijk werd genomen, dat hij, in 1726, een huwelijk
sloot met zijne dienstmeid, Johanna van Coesveldt, een »mariage honteux«
zegt de Fransche gezant de Fénélon, dat hem veel kwaad heeft gedaan.
Maar groote moeielijkheden ontstonden als opschorsing der geboden werd
gevraagd, door wie zeide door den bruidegom te zijn onteerd. Volgens
den vasten regel in de Republiek, dat wie een maagd onteert haar moet
trouwen (ducere) of geld betalen (dotare), kon de onteerde eene actie
instellen en middelerwijl de geboden laten ophouden. Dan werd er naar
eene minnelijke schikking gestreefd en dikwijls waren het commissarissen
tot de huwelijksche zaken, die trachtten »partijen te accordeeren«.
Veelal ging het afkoopen boven het trouwen. Zijn de partijen, heet het
in een plakkaat van 1666, te zeer ongelijk van kwaliteit, dan zal de
gedefloreerde vrouwspersoon worden gecontenteerd met een eerlijken
bruidsschat. Doch beiden betalen f200 boete. De keuze tusschen trouwen
of afkoopen stond meest aan den onteerder, soms aan den rechter. Besloot
hij tot dotatie, dan mocht het meisje die ook van den vader van haren
verleider eischen. Overigens bestond er omtrent talrijke, bijkomende
vragen geen vaststaande rechtsovertuiging en daarom doet het te meer
leed, dat de kerk haren invloed niet meer voor het trouwen heeft
aangewend. Zij kon »niet verstaen, dat een vrij, ongehillichte persoon
gehouden (sou) wesen te trouwen eene dochter, die hij beslapen heeft«.
Beweert zij, dat hij haar trouwbeloften deed, dan zal de magistraat dat,
door afneming van een eed, moeten beslechten. Men zou wenschen, dat de
kerk, die herhaaldelijk blijk heeft gegeven, zich de belangen van den
zwakke aan te trekken, ook hier krachtiger voor de, dikwijls bedrogen en
in elk geval verlaten, vrouw ware opgekomen. Hoe zorgvuldig zij echter
zulke gevallen onderzocht, moge blijken uit het volgend gebeurde in de
Hollandsche gemeente te Londen. In 1570 wenschte zekere Pieter de Brune
te trouwen, maar na de eerste proclamatie werd het bezwaar ingebracht,
dat hij te Gent reeds aan eene andere trouwbelofte gegeven had. Geroepen
voor den Londenschen kerkeraad, verklaarde Pieter »tbijslapen ten
diverschen stonden gheschiedt tsijne«, maar van belofte aan die dochter
kon geen sprake zijn, omdat »daer ghenouch gheruchte van oneerbaerheit
achter haer ghijnck«. De kerkeraad verlangde toen eene notarieele acte
uit Gent, ten bewijze dat genoemd meisje inderdaad »in 't openbare
leven zat«, eene dergelijke acte te Londen, waarin hij verklaarde
te willen trouwen, maar dat het Gentsche meisje trouwbeloften op hem
praetendeerde, voorts eene verklaring, dat hij zich onderwerpen zal aan
de uitspraak van »den E. Superintendent den bisschop van Londen, tsij
(van) de duytsche consistorie«, eindelijk dat, als 't meisje te Gent
binnen drie maanden niet verklaarde, of zij bij haren eisch volhardde,
dan eerst Pieter zich vrij achten mocht. Alle acten in duplo ter
toezending aan bedoeld meisje. Dit is wel een treffend voorbeeld van
wijze herderlijke zorg. Het huwelijk schijnt intusschen niet te zijn
doorgegaan, althans in de trouwboeken der gemeente vond ik alleen een
Jacques de Brune, getrouwd 11 Mei 1609.
HOOFDSTUK V.
DE VERLOVING OF ONDERTROUW. (VERVOLG).