Al was dus het groote beginsel van het burgerlijk huwelijk in de

gewestelijke ordonnantiën neêrgelegd, op tal van punten bleek telkens

nog voorziening noodig. Onvermoeid hebben de synoden der gereformeerde

kerk om zulke nieuwe bepalingen gevraagd en tevens om maatregelen tegen

de ergerlijke zonden en abusen den huwelijken staat rakende. Het

verdient alle aandacht, dat zij daarbij heeft gestreefd naar ééne wet

voor 't gansche land, dat zij dus, te midden van het provincialisme,

bij den zeer lossen band die de gewesten te zamen snoerde, voor die

landséénheid opkwam, die eerst onder Napoleon gekomen is. In de 162ste

zitting der groote, Dordtsche (na)synode besloot de vergadering H. H. M.

te verzoeken »dat deselve door hare autoriteyt ghelieve metten eersten

te doen stellen eene huwelijcks ordinancie... die eenpaerlick door

alle de geunieerde provinciën mach nagekomen worden«. En art. 70 der

Dordtsche kerkorde zegt desgelijks, dat »tot noch toe verscheyden

ghebruycken in houwelijcksche saken alom onderhouden zijn«, maar dat

het »nochtans wel oirbaar is ghelijckformicheyt daerinne gepleecht te

worden«.

Het is duidelijk, dat wij in ons bestek er niet aan denken kunnen

ook maar een vluchtig overzicht te geven van de wijsgeerige en

rechtsgeleerde theorieën ten onzent over het eigenlijk wezen des

huwelijks. Slechts op één enkel punt wil ik wijzen: de vraag, of

kinderbezit het eigenlijk doel des huwelijks zij? In 't algemeen reeds

zijn er anthropologen, die beweren dat, zoomin als bij de dieren, bij

den oermensch, bij de natuurvolken, de voortbrenging van eene nieuwe

generatie, hoewel de onbewuste drijfveer tot geslachtelijken omgang,

bij den man het bewuste doel, een gewild oogmerk zou zijn. Het is, zegt

ten onzent o. a. dr. C. J. Wijnaendts Francken, slechts een secondair

gevolg. Het behoeft niet eenmaal altijd als gevolg bekend te zijn

geweest. Dit laatste is althans onbetwijfelbaar. Maar, zoo was nu

de vraag, is het huwelijk niet alleen maar eene door de wet erkende

vereeniging der beide geslachten, »eene verzameling« (zegt Huig de Groot

en zeide ook het Rom. Recht) »van man en wijf tot een gemeen leven,

medebrengend een wettelijk gebruik van elkanders lichaam«, doch is

voortplanting zijn eigenlijk doel? Neen, zeide prof. C. L. Vitringa van

Harderwijk in 't begin der 19de eeuw, neen, want anders zou de apostel

Paulus den christenen niet het coelibaat hebben aangeraden. Ook Kant,

de wijsgeer, stelde de verwekking van nakroost op den achtergrond,

het doel om kinderen te verkrijgen achtte hij niet te behooren tot de

rechtmatigheid der verbinding. Anders de protestantsche kerken, die

hierin de roomsche slechts navolgden. Het bijbelsch gebod, aan Adam

gegeven, »wees vruchtbaar en vermenigvuldig« gold ook voor later

geslachten, vonden zij, en de remonstrantsche hoogleeraar Phil. à

Limborch (1735) noemt als eerste doel des huwelijks: »de voortplanting

en de vermeerdering van het menschelijk geslacht«. En met deze theorie

ging het volksbewustzijn accoord. Het vroeg niet: is het wezenlijk de

lust om kinderen te bezitten, die de menschen tot elkander brengt? Maar

het achtte kinderbezit het natuurlijk en, zeker, gewenscht gevolg der

vereeniging. Tegelijk was het de gereformeerde kerk, die in haar

huwelijksformulier de schoone opvatting leerde: »Daarom sult gij ook

niet twijfelen of de houwelicke staet en behage Godt den Heere, overmits

hij Adam sijne huysvrouwe geschapen, selve toegebracht ende hem tot eene

huysvrouwe gegeven heeft; daermede betuygende, dat hij nogh hedendaegs

eenen yegelicken sijn huysvrouwe als met sijne hant toebrengt.«

[Illustratie: Bruidsstoet.

Foto (verkleind) naar een miniatuur in »Der

Renner«, van Hugo von Trimberg (14e eeuw)

Ms. L. Bibliotheek.]

De gansche huwelijksacte, eindelijk, moest, als van ouds, ook bij de

nieuwe bedeeling, openbaar zijn. »De tsamenvoeginge der eheluiden,

gelijck deselve is eene algemeene actie« behoort te geschieden »in facie

ecclesiae« d. i. voor den priester en openlijk. De term en het gansche

beginsel waren van Rome overgenomen. De roomsche kerk heeft altijd

het openbaar huwelijk gewild. En dit was weder in overeenstemming

met het Oudgermaansch recht, dat eischt, dat de vrije Friezin in des

vrijen Friezen macht komen moest met hoorngeschal en burengejuich, met

fakkelenbrand en vriendengezang. In 1310 b. v. verbood de bisschop van

Utrecht, Guy van Avesnes, uitdrukkelijk niet-openbare, clandestiene

huwelijken, dat zijn zulke »die aangegaan worden, zonder dat de

plechtige afroeping of de behoorlijke geboden in de parochiekerk der

trouwensgezinde personen vooraf zijn gegaan.« Ze waren wel niet ongeldig

(wij zagen dat reeds in ons eerste hoofdstuk), maar brachten toch

sommige nadeelen mede. Zoo had Dirk van Santhorst, uit het geslacht

der Wassenaars, »sijn wijf mitter witte van der heylegher kercke niet

ghetrouwet.« Daarom wilde de vrouw van Dirk van Raephorst haar den

voorrang (»voirstain ende voirofferen ende anders voirdeel te hebben«)

niet gunnen in de parochiekerk van Wassenaar (1338). Twee eeuwen later,

den 2den October 1535 had George van Egmondt, ook bisschop van Utrecht,

noodig een scherp mandaat uit te vaardigen, waarbij hij gebood:

»... geen huwelijken te sluiten dan in 't openbaar, ten tijde der

godsdienstoefeningen, in de kerken en niet in verborgen plaatsen,

in bijwezen der gemeente.« Dat nochtans, ook door plichtsverzuim der

priesters, meer nog door de taaiheid van volksgebruiken, de heimelijke,

vormlooze huwelijken tot ver in de 16de eeuw voortduurden, hebben wij

gezien. Maar het is duidelijk, dat ook nog bij den aanvang onzer periode

en later maatregelen daartegen niet overbodig waren. Karel V bepaalde,

dat een jongman onder de 25 en eene jonge dochter onder de 20 jaar niet

mochten huwen zonder advies, raad en konsent van vrienden en magen van

beide zijden, op verbeurte van alle aanspraak op elkanders goed, terwijl

geen van Z. M. onderdanen bij huwelijken, zonder medeweten der justitie

gesloten, tegenwoordig mocht zijn op boete van 100 karoliguldens. Dat

was in 1540. Op 't einde der eeuw had nog de overheid denzelfden strijd

te voeren, door de gereformeerde kerk gesteund, die ijverde tegen het

trouwen in huis, »yn private huseren«, want het is »ergerlijck en

der politie schadelijck«. Het wekte daarom in 1585 groote ergernis

in gansch Friesland, dat Johannes Bogerman, de vader, twee freules

Burmannia op hare state te Ferwerd getrouwd had. Zelfs het trouwen in

huis bij zware ziekte werd nauwelijks (en dan nog met al de waarborgen

voor openbaarheid) toegestaan. De straffen waren zwaar. Op heimelijk

trouwen stond sinds 1580 voor beide schuldigen f50 voor de eerste maand,

f150 voor de tweede, f200 voor de derde en bannissement. Hooge boeten

inderdaad. Want in datzelfde jaar 1580 bedroeg het predikantstractement

in Den Haag f360, te Dordrecht in 1594 f400, prof. Feugueray werd in

1575 te Leiden benoemd op f500 en f100 persoonlijke toelage. Waren,

trots al deze bepalingen, toch nog lieden in 't geheim gehuwd, dan

trachtte de kerk hen alsnog openlijk te laten trouwen. Den 23sten

Januari 1705 huwden in de Hollandsche gemeente te Smyrna Giovanni

Jan Schagen en Anna Smith, weduwe Charles Pike, die vroeger voor een

roomsch priester een geheim huwelijk hadden aangegaan. Nu werden zij

alsnog openlijk getrouwd en wel »in 't aangezicht des doods« en dus

waarschijnlijk (in dit geval van zwaren nood) in huis. Want nog

dienzelfden dag overleed Schagen.

Om nu de openbare en wettige huwelijkssluiting voor te bereiden diende

de verloving of ondertrouw.

HOOFDSTUK IV.

DE VERLOVING OF ONDERTROUW.

In onze wereld is verloving het eenigszins deftige woord voor

engagement, eene voorloopige overeenkomst en verklaring van

wederzijdsche genegenheid zonder eenige bindende kracht voor de wet.

Dat was vroeger anders. Zij vormde toen deel der huwelijkshandeling

en is met onzen ondertrouw te vergelijken. Naar Oudgermaansch recht

was zij eene overeenkomst tusschen den bruidegom en dengeen, in wiens

macht zich het meisje bevond, den vader, in 't algemeen den voogd. Deze

verplichtte zich, tegen betaling eener som, haar den eerste tot vrouw

te geven, die zich verbond haar te ontvangen. In den ruwen oervorm

van het koophuwelijk kocht de a.s. echtgenoot de voogdij, eigenlijk

het bezit, van den vader. Later wordt dat, bij de verloving, een soort

van waarborgsom, die aan het meisje vervalt, als na twee jaren geen

huwelijk volgt, de meta, de mundschatz. Ook verzachten zich de zeden

aldus, dat de koophandel eerst buiten het meisje omgaat, maar dat later

(en zóó was het in het middeleeuwsch Hollandsch recht) de toestemming

der bruid volstrekt geëischt wordt, gelijk die van ouders of voogden.

Van de weigering van den voogd was dan overal beroep op den rechter, in

Friesland ook van de weigering des vaders. Hier is invloed der kerk,

door het christendom verdwijnt het begrip koop en de toestemming der

partijen treedt op den voorgrond. De verloving nu vormde reeds een

sterken band. Van den kant van het meisje kon hij niet worden verbroken;

zag de man van haar af, dan gold zij als eene weduwe. In onderscheiden

Germaansche rechten moest ook de verlover instaan voor de gaafheid der

bruid en hare ongereptheid en, bij gebleken bedrog, kon dus de bruidegom

hem aanklagen. Maar, omgekeerd, brak hij de verloving af zonder bekende

reden, dan moest hij met twaalf eedhelpers, van zijn geslacht en

maagschap, die zweren moesten dat zijn eed rein was en niet mein,

onder eede verklaren, dat hij geenerlei kwaad aan haar gevonden had,

maar dat de liefde voor eene andere maakte dat hij haar verliet. Voorts

geschiedden bij de verloving formaliteiten, die dikwijls zinnebeelden

zijn van de macht, die de man over zijne vrouw verkrijgt, bij de

Friezen het ronddragen van het aeftswird, bruidzwaard (waarover later

meer), of ook het zetten van den voet op dien der bruid. Volgens

sommigen is ook het geven van den ring teeken van eigendom. Anderen,

gelijk wij boven in ander verband zagen, houden hem voor een herinnering

aan de koopsom. Sommigen beweren, dat door den ring de eigenschappen van

den man op de vrouw overgaan, door den ring draagt zij hemzelven bij

zich. Hoe zeer de verloving als sterke band werd gedacht, blijkt ook uit

hare geldigheid jegens derden. Wie eens anders verloofde huwde betaalde

dubbele meta. Ontucht met eene verloofde gold als overspel.

Nu komen de vaderen onder den invloed van het kanonieke, het roomsche

kerkrecht en daardoor ook van het Oudromeinsche recht. Het kanonieke

recht stond wel aan het Germaansche nader dan aan het Romeinsche, omdat

het, schoon grootendeels in Italië ontstaan, op Germaansch-christelijke

grondslagen rustte, zich aan Germaansche toestanden aansloot, maar het

ontleende toch zooveel aan het Rom. recht, dat het zonder hulp daarvan

niet kon verstaan worden. Nu werd in dat Romeinsche recht de verloving

wel als minder verbindend beschouwd, dan in het Germaansche, maar

de kerk beschouwde haar toch ook als eene acte, die reeds een band

legde. Bij haar heet de verloving desponsatio. Zij geschiedde in

tegenwoordigheid van den parochiepriester, van bruid en bruidegom, in

de kerk met open deuren, in tegenwoordigheid van twee getuigen, onder

uitreiking van een ring. Was alzoo het voorgenomen huwelijk vastgesteld,

dan werd het op drie Zon- of Feestdagen na de mis bekend gemaakt,

d. w. z. de geboden werden afgeroepen en wie wilde kon bezwaren tegen

het huwelijk inbrengen. Zulk een stuk luidde b.v.: Heer Anthony Fockynck

kapelaan in de moederkerk te Arnhem bekent, dat hij »drije sonnendage

nae een anderen volgenden alhyer in der moderkerke proclamationes

gedaen heeft woe dat Jan van Nijmegen ind Mesry Havesche jn der hilliger

echtschapp vergaderen solden, weer ymantz, die meighschapp, swagerschapp

off andere saicken wuste, dair durch die echtschapp verhynderd mocht

worden...« die kon ze mededeelen (1550).

Op dezen weg wandelde men ook in latere eeuwen voort. Ook onder de

Republiek droeg de verloving een bindend karakter, zooals in Duitschland

gesproken werd van »verlobte Eheleute«, zij is een nog niet geheel

afgesloten huwelijk. »Het consent« zegt een schrijver op 't einde

der 17de eeuw, »ende de bewilligingh van beyde partijen om t'samen te

verbinden aan malkander in den Echten Staat, is eygentlijck het gheene

dat het Houwelijck maekt ende waeruyt volgt, dat sodanige perzoonen zijn

als getrouwt voor Godt... met die conditie, dat men de behoorlijcke en

gewoonlijcke tijdt moet uyt-wachten«. Christenen mogen niet als 't vee

te zamen komen, zegt een ander, en zij moeten in de weken der verloving

God om een gelukkig huwelijk bidden. De wet dan schreef voor, dat de

jongelieden moesten verschijnen voor magistraat of kerkendienaar hunner

woonplaats en verzoeken om drie Zondaagsche of marktdaagsche geboden. Op

gewone werkdagen mochten geen geboden gaan en evenmin natuurlijk alle

drie in één week. Vandaar de grap van Alida Rijzig-Leevend, als de a.s.

man van Keetje West ziek is geworden en zij daarom niet op de bruiloft

van Chrisje Helder kunnen komen, »had hij het tot een week na zijn

huwelijk uitgesteld, dan had gij hem voetstoots hier naar toe kunnen

inpakken. Had gij mijn raad gevolgd: drie geboden op één dag en voor 't

bed getrouwd«. Na slechts twee geboden mocht geen huwelijk voortgang

hebben, ook moest de aanteekening geschieden op 't aangeven van beide

partijen. Vorstelijke personen vroegen soms ontheven te mogen worden van

de publieke geboden, wat vermoedelijk deftiger werd geacht. Toen in Juli

1659 Henriëtte Catharina, dochter van Amalia van Solms in het huwelijk

zou treden met Johan George II van Anhalt-Dessau kreeg Johan de Witt

van de Prinsesse-douairière het verzoek om er toe te willen medewerken,

dat er dispensatie verleend zou worden van de afkondiging der drie

»Sonnedaegse geboden«. De Witt antwoordde 11 Juli, dat de Staten met

algemeene stemmen het verzoek hadden ingewilligd. De voorschriften waren

goed, maar ook hier bleek, dat goede zeden meer waard zijn dan goede

wetten. Want het gebeurde, dat sommigen de proclamatiën wel lieten gaan,

maar daarna toch niet trouwden, al hadden zij ook de nadrukkelijke

gelofte afgelegd van zich niet te zullen terugtrekken. »Helaas!« roept

prof. Van Renesse uit, in zijn toentertijd veelgelezen boekje over

»De heilige voorsienigheid Gods in 't beleid der huwelijken« (1639),

»men speelt met die eedzweeringen als de kinderen met hare bikkels en

knikkers«. Ergerlijk was ook, dat, ofschoon de tijdsruimte tusschen den

dag der laatste afkondiging en die des huwelijks was vastgesteld (in

Amsterdam, in Leiden ééne maand, elders b.v. in sommige streken der

Generaliteitslanden, twee weken), toch die tijd soms onbehoorlijk werd

gerekt. Zoo lieten Wouter Hermans en Gerritje Germens te Nijkerk hunne

geboden gaan 5, 12 en 19 November 1609, maar hun huwelijk volgde eerst

24 Juni 1618. Bij een ander paar daar ter stede duurde het zelfs van

1597 tot ook 1618. Gelijk de Staten daareven dispensatie verleenden voor

de geboden van Henriëtte Catharina van Oranje, zoo konden zij dat ook

voor anderen doen. Hielden zij geene zitting, dan (resolutie van 26

november 1678) waren President en Raden van de Hoven en burgemeesters

en schepenen der steden daartoe gemachtigd. Het kwam veel voor bij

zeelui, die op uitzeilen stonden of ook bij zware zieken. Hun werd

dan dispensatie verleend van den interval van tijd tot het gaan der

proclamatiën, mits één gebod ging. In de koloniën volgde men zoo goed

mogelijk de gewoonten van het moederland. Zoo vertelt een Zweedsch

reiziger ons van de Kaap anno 1773, dat geen kolonist mocht huwen

zonder goedkeuring van den gouverneur, dat hij het verzoek kon indienen

des Donderdags, dat daarop des Zaterdags aan het paar een order wordt

gegeven voor den Raad, die de verboden graden onderzoekt, waarna de

gouverneur beveelt de geboden af te kondigen. »Zoo goed mogelijk«, zeide

ik. Aan boord van het Compagnieschip »D'Sperwer«, waarop Joan Cunaeus

voer bij zijne zending naar Perzië, werden ter reede van Surat, 23

November 1651, twee Nederlandsche paren van het comptoir aldaar door

Cunaeus' predikant in den echt vereenigd, waarbij wij van geboden niet

hooren, al roepen wij ons daarom toch gaarne het tooneel voor oogen van

die Nederlanders aan verre kust, begeerig naar vaderlandsche wijze hun

huwelijk te laten sluiten.

Maar wij keeren naar het vaderland terug. Voor de buitenwereld bleek

van de verloving door het feestelijk versierde huis. De speeljonkers en

speelmeisjes hadden hun dienst aangevangen, de spiegels, de stoelen met

groen en bloemen versierd, of, bij eenvoudiger levensmanier, alleen

deurknoppen en stoep van het huis der bruid groen gemaakt. In de blij

getooide kamer zitten dan op den Zondag van het eerste gebod bruid en

bruidegom in staatsie, ontvangen de gelukwenschen, en de dag wordt

besloten met het commissarismaal. Dit banket draagt zijn naam naar de

»Commissarissen tot de huwelijksche zaken«, zeer gelijkende op onze

ambtenaren van den burgerlijken stand. In de Republiek, waar bij het

beruchte en noodlottige particularisme, de toestanden in elk gewest, in

elke stad verschilden, treffen wij dit college niet overal aan. Toch wel

in de meeste steden van eenige beteekenis, soms met andere waardigheden

verbonden, als te Groningen, waar de Heeren van de Weeskamer tegelijk

Commissarissen van den Egten Staat waren. Ook hun getal verschilde,

in Amsterdam waren er eerst vijf, later zeven. Deze commissarissen

nu hielden aanteekening der geboden, zoowel van hen, die in de

gereformeerde kerk als van wie op 't stadhuis voor schepenen

trouwden, de afkondiging geschiedde daarna voor de eersten van het

voorlezersbankje, voor de tweeden van de pui. Waar geen commissarissen

waren, geschiedde de aanteekening voor schout en schepenen of

secretaris. Te Amsterdam waren de kosten in de 18de eeuw, voor wie

aanteekenden om in de kerk te trouwen, 8 st. voor den secretaris, 16

voor den koster, 6 voor de voorzangers; voor wie op het raadhuis zouden

huwen, 30 st. voor den secretaris, 30 st. voor de boden, buiten den

gewonen tijd alles duurder. Uitspraken van commissarissen werden ten

uitvoer gelegd bij gijzeling of bij bevel van in huis blijven, deur

sluiten en nering staken. Uit eene instructie voor commissarissen te

Leiden (1658) blijkt dat wie in de kerk hunne geboden gehad hadden niet

ten stadhuize mochten trouwen--en omgekeerd, onder kerk altijd te

verstaan de Nederlandsch-, Waalsch- en Engelsch gereformeerde. In

Amsterdam heette de ondertrouw o. m. »voor de roode deur gaan«, omdat

de kamer in de Oude kerk, waar Comm. Zaterdagsmiddags zitting hielden

eene roode deur had, waarboven dit oude rijmpje, dat o. a. al in het

Wonderboek des onzaligen David Joris (uitgave van 1551) te vinden is,

»Wel haest getrouwt, dat langhe rouwt«,

wijze, maar vaak in den wind geslagen, raad. Van droeviger ondervinding

getuigt nog de spreuk in eene Duitsche hanzestad:

»Mancher Mann laut singet,

Wenn man die Braut ihm bringet.

Wüszte er was man ihm brächte,

Er wohl lieber weinen möchte.«

De kerkelijke ondertrouwregisters en de stadhuispuiboeken zijn hier

beter, daar slechter, soms in 't geheel niet, bewaard, of ook hier

nauwkeurig, daar slordig bijgehouden, door slechte berging, vocht,

muizetanden aangevreten, terwijl wij af en toe met huivering lezen, dat

de zoontjes van den burgemeester er hunne pennen, ja hunne nagels op

oefenden of de domineesjuffrouw er papillotten van maakte: waaraan ze

bezweken. Het is hartbrekend zoo meedoogenloos als menschen met oude

papieren konden (en kunnen!) omgaan. Jacob van Lennep vertelt ons, dat

hij eens een jonge juffrouw aantrof, met een mand naast zich, bezig de

brieven te verscheuren en daarin te werpen van een harer ooms, die

gezant bij de Porte geweest was. Zoo werd ook het gansche archief der

stad Zalt-Bommel van vóór 1660 in 1831 opgeruimd, 2164 halve kilo's

aan papier en 16 dito aan perkament. Door dezen verkoop was het

gemeentebestuur (eere wien eere toekomt, zegt met begrijpelijke

bitterheid De Hoop Scheffer, die ons het feit herinnert) in staat

zich een groen tafelkleed voor de vergaderzaal en een paar witte

gordijnen aan te schaffen. Gelukkig ontbreekt het goede niet. De

puiaanteekeningboeken van Amsterdam b.v. zijn in voortreffelijken staat

en wie er in bladert, ziet de geslachten der menschen langs zich

heengaan en hem treft menige beroemde naam: »25 Aug. 1590 Jacobus

Arminius, predikant deezer steede, geadsisteerd met Claes Fraensz.

(Oetgens van Waveren) burgemeester deezer steede ter eenre, en Lijsbeth

Laurensdr. oud 20 jaar, wonende op het Water in de gulde Reaal,

geadsisteerd met Laurens Jacobsz. [Reaal] schepen en raad, haar vader

en Geertje Pieters, moeder, ter andere zijde«; »20 Nov. 1610: Joost van

Vondel en Maayke Wolf«; »10 Juni 1634: Rembrandt van Rijn en Saskia

Uylenburg« en zoovelen meer, die allen als gewone menschenkinderen van

vrijen tot trouwen gekomen zijn en zich voor commissarissen hebben laten

aanteekenen. Wil men ten besluite van dit deel onzes hoofdstuks een

bewijs, hoe angstig de kerk op de proclamaties acht gaf (met reden,

waarlijk!): »Wordt gevraagd« (ter synode van Haarlem anno 1600) »wat

men doen sal in een sake des huwlijks, waerin een seker joncman belofte

hebbende met eene jonge dochter, henengegaan is nae de commissarissen

der huwelijxsche zaken ende nochtans de dochter, die hij verwachtede,

niet en is verschenen, waardoor hij, vertoornd zijnde, nae een ander

plaetse is vertrocken, alwaer hij hem aen een ander beloeft ende twee

huwelijcksche proclamatiën ghehadt heeft, maer en is het huwelijk

niet bevesticht geworden, doordien dat de voorschr. dochter de derde

proclamatie heeft opgehouden, ende is niettemin nochtans in huyshoudinge

met de tweede getreden ende daerin soo lange gebleven, totdat de

dochter, met welcke hij eerst beloeft was, met een ander man

openbaarlijck is ghehuwelijckt ende nu versoect in den huwelijken

staat bevesticht te werden«. De synode staat het toe.

Verloving en Huwelijk in vroeger dagen · 第 3 / 11 段