gewestelijke ordonnantiën neêrgelegd, op tal van punten bleek telkens
nog voorziening noodig. Onvermoeid hebben de synoden der gereformeerde
kerk om zulke nieuwe bepalingen gevraagd en tevens om maatregelen tegen
de ergerlijke zonden en abusen den huwelijken staat rakende. Het
verdient alle aandacht, dat zij daarbij heeft gestreefd naar ééne wet
voor 't gansche land, dat zij dus, te midden van het provincialisme,
bij den zeer lossen band die de gewesten te zamen snoerde, voor die
landséénheid opkwam, die eerst onder Napoleon gekomen is. In de 162ste
zitting der groote, Dordtsche (na)synode besloot de vergadering H. H. M.
te verzoeken »dat deselve door hare autoriteyt ghelieve metten eersten
te doen stellen eene huwelijcks ordinancie... die eenpaerlick door
alle de geunieerde provinciën mach nagekomen worden«. En art. 70 der
Dordtsche kerkorde zegt desgelijks, dat »tot noch toe verscheyden
ghebruycken in houwelijcksche saken alom onderhouden zijn«, maar dat
het »nochtans wel oirbaar is ghelijckformicheyt daerinne gepleecht te
worden«.
Het is duidelijk, dat wij in ons bestek er niet aan denken kunnen
ook maar een vluchtig overzicht te geven van de wijsgeerige en
rechtsgeleerde theorieën ten onzent over het eigenlijk wezen des
huwelijks. Slechts op één enkel punt wil ik wijzen: de vraag, of
kinderbezit het eigenlijk doel des huwelijks zij? In 't algemeen reeds
zijn er anthropologen, die beweren dat, zoomin als bij de dieren, bij
den oermensch, bij de natuurvolken, de voortbrenging van eene nieuwe
generatie, hoewel de onbewuste drijfveer tot geslachtelijken omgang,
bij den man het bewuste doel, een gewild oogmerk zou zijn. Het is, zegt
ten onzent o. a. dr. C. J. Wijnaendts Francken, slechts een secondair
gevolg. Het behoeft niet eenmaal altijd als gevolg bekend te zijn
geweest. Dit laatste is althans onbetwijfelbaar. Maar, zoo was nu
de vraag, is het huwelijk niet alleen maar eene door de wet erkende
vereeniging der beide geslachten, »eene verzameling« (zegt Huig de Groot
en zeide ook het Rom. Recht) »van man en wijf tot een gemeen leven,
medebrengend een wettelijk gebruik van elkanders lichaam«, doch is
voortplanting zijn eigenlijk doel? Neen, zeide prof. C. L. Vitringa van
Harderwijk in 't begin der 19de eeuw, neen, want anders zou de apostel
Paulus den christenen niet het coelibaat hebben aangeraden. Ook Kant,
de wijsgeer, stelde de verwekking van nakroost op den achtergrond,
het doel om kinderen te verkrijgen achtte hij niet te behooren tot de
rechtmatigheid der verbinding. Anders de protestantsche kerken, die
hierin de roomsche slechts navolgden. Het bijbelsch gebod, aan Adam
gegeven, »wees vruchtbaar en vermenigvuldig« gold ook voor later
geslachten, vonden zij, en de remonstrantsche hoogleeraar Phil. à
Limborch (1735) noemt als eerste doel des huwelijks: »de voortplanting
en de vermeerdering van het menschelijk geslacht«. En met deze theorie
ging het volksbewustzijn accoord. Het vroeg niet: is het wezenlijk de
lust om kinderen te bezitten, die de menschen tot elkander brengt? Maar
het achtte kinderbezit het natuurlijk en, zeker, gewenscht gevolg der
vereeniging. Tegelijk was het de gereformeerde kerk, die in haar
huwelijksformulier de schoone opvatting leerde: »Daarom sult gij ook
niet twijfelen of de houwelicke staet en behage Godt den Heere, overmits
hij Adam sijne huysvrouwe geschapen, selve toegebracht ende hem tot eene
huysvrouwe gegeven heeft; daermede betuygende, dat hij nogh hedendaegs
eenen yegelicken sijn huysvrouwe als met sijne hant toebrengt.«
[Illustratie: Bruidsstoet.
Foto (verkleind) naar een miniatuur in »Der
Renner«, van Hugo von Trimberg (14e eeuw)
Ms. L. Bibliotheek.]
De gansche huwelijksacte, eindelijk, moest, als van ouds, ook bij de
nieuwe bedeeling, openbaar zijn. »De tsamenvoeginge der eheluiden,
gelijck deselve is eene algemeene actie« behoort te geschieden »in facie
ecclesiae« d. i. voor den priester en openlijk. De term en het gansche
beginsel waren van Rome overgenomen. De roomsche kerk heeft altijd
het openbaar huwelijk gewild. En dit was weder in overeenstemming
met het Oudgermaansch recht, dat eischt, dat de vrije Friezin in des
vrijen Friezen macht komen moest met hoorngeschal en burengejuich, met
fakkelenbrand en vriendengezang. In 1310 b. v. verbood de bisschop van
Utrecht, Guy van Avesnes, uitdrukkelijk niet-openbare, clandestiene
huwelijken, dat zijn zulke »die aangegaan worden, zonder dat de
plechtige afroeping of de behoorlijke geboden in de parochiekerk der
trouwensgezinde personen vooraf zijn gegaan.« Ze waren wel niet ongeldig
(wij zagen dat reeds in ons eerste hoofdstuk), maar brachten toch
sommige nadeelen mede. Zoo had Dirk van Santhorst, uit het geslacht
der Wassenaars, »sijn wijf mitter witte van der heylegher kercke niet
ghetrouwet.« Daarom wilde de vrouw van Dirk van Raephorst haar den
voorrang (»voirstain ende voirofferen ende anders voirdeel te hebben«)
niet gunnen in de parochiekerk van Wassenaar (1338). Twee eeuwen later,
den 2den October 1535 had George van Egmondt, ook bisschop van Utrecht,
noodig een scherp mandaat uit te vaardigen, waarbij hij gebood:
»... geen huwelijken te sluiten dan in 't openbaar, ten tijde der
godsdienstoefeningen, in de kerken en niet in verborgen plaatsen,
in bijwezen der gemeente.« Dat nochtans, ook door plichtsverzuim der
priesters, meer nog door de taaiheid van volksgebruiken, de heimelijke,
vormlooze huwelijken tot ver in de 16de eeuw voortduurden, hebben wij
gezien. Maar het is duidelijk, dat ook nog bij den aanvang onzer periode
en later maatregelen daartegen niet overbodig waren. Karel V bepaalde,
dat een jongman onder de 25 en eene jonge dochter onder de 20 jaar niet
mochten huwen zonder advies, raad en konsent van vrienden en magen van
beide zijden, op verbeurte van alle aanspraak op elkanders goed, terwijl
geen van Z. M. onderdanen bij huwelijken, zonder medeweten der justitie
gesloten, tegenwoordig mocht zijn op boete van 100 karoliguldens. Dat
was in 1540. Op 't einde der eeuw had nog de overheid denzelfden strijd
te voeren, door de gereformeerde kerk gesteund, die ijverde tegen het
trouwen in huis, »yn private huseren«, want het is »ergerlijck en
der politie schadelijck«. Het wekte daarom in 1585 groote ergernis
in gansch Friesland, dat Johannes Bogerman, de vader, twee freules
Burmannia op hare state te Ferwerd getrouwd had. Zelfs het trouwen in
huis bij zware ziekte werd nauwelijks (en dan nog met al de waarborgen
voor openbaarheid) toegestaan. De straffen waren zwaar. Op heimelijk
trouwen stond sinds 1580 voor beide schuldigen f50 voor de eerste maand,
f150 voor de tweede, f200 voor de derde en bannissement. Hooge boeten
inderdaad. Want in datzelfde jaar 1580 bedroeg het predikantstractement
in Den Haag f360, te Dordrecht in 1594 f400, prof. Feugueray werd in
1575 te Leiden benoemd op f500 en f100 persoonlijke toelage. Waren,
trots al deze bepalingen, toch nog lieden in 't geheim gehuwd, dan
trachtte de kerk hen alsnog openlijk te laten trouwen. Den 23sten
Januari 1705 huwden in de Hollandsche gemeente te Smyrna Giovanni
Jan Schagen en Anna Smith, weduwe Charles Pike, die vroeger voor een
roomsch priester een geheim huwelijk hadden aangegaan. Nu werden zij
alsnog openlijk getrouwd en wel »in 't aangezicht des doods« en dus
waarschijnlijk (in dit geval van zwaren nood) in huis. Want nog
dienzelfden dag overleed Schagen.
Om nu de openbare en wettige huwelijkssluiting voor te bereiden diende
de verloving of ondertrouw.
HOOFDSTUK IV.
DE VERLOVING OF ONDERTROUW.
In onze wereld is verloving het eenigszins deftige woord voor
engagement, eene voorloopige overeenkomst en verklaring van
wederzijdsche genegenheid zonder eenige bindende kracht voor de wet.
Dat was vroeger anders. Zij vormde toen deel der huwelijkshandeling
en is met onzen ondertrouw te vergelijken. Naar Oudgermaansch recht
was zij eene overeenkomst tusschen den bruidegom en dengeen, in wiens
macht zich het meisje bevond, den vader, in 't algemeen den voogd. Deze
verplichtte zich, tegen betaling eener som, haar den eerste tot vrouw
te geven, die zich verbond haar te ontvangen. In den ruwen oervorm
van het koophuwelijk kocht de a.s. echtgenoot de voogdij, eigenlijk
het bezit, van den vader. Later wordt dat, bij de verloving, een soort
van waarborgsom, die aan het meisje vervalt, als na twee jaren geen
huwelijk volgt, de meta, de mundschatz. Ook verzachten zich de zeden
aldus, dat de koophandel eerst buiten het meisje omgaat, maar dat later
(en zóó was het in het middeleeuwsch Hollandsch recht) de toestemming
der bruid volstrekt geëischt wordt, gelijk die van ouders of voogden.
Van de weigering van den voogd was dan overal beroep op den rechter, in
Friesland ook van de weigering des vaders. Hier is invloed der kerk,
door het christendom verdwijnt het begrip koop en de toestemming der
partijen treedt op den voorgrond. De verloving nu vormde reeds een
sterken band. Van den kant van het meisje kon hij niet worden verbroken;
zag de man van haar af, dan gold zij als eene weduwe. In onderscheiden
Germaansche rechten moest ook de verlover instaan voor de gaafheid der
bruid en hare ongereptheid en, bij gebleken bedrog, kon dus de bruidegom
hem aanklagen. Maar, omgekeerd, brak hij de verloving af zonder bekende
reden, dan moest hij met twaalf eedhelpers, van zijn geslacht en
maagschap, die zweren moesten dat zijn eed rein was en niet mein,
onder eede verklaren, dat hij geenerlei kwaad aan haar gevonden had,
maar dat de liefde voor eene andere maakte dat hij haar verliet. Voorts
geschiedden bij de verloving formaliteiten, die dikwijls zinnebeelden
zijn van de macht, die de man over zijne vrouw verkrijgt, bij de
Friezen het ronddragen van het aeftswird, bruidzwaard (waarover later
meer), of ook het zetten van den voet op dien der bruid. Volgens
sommigen is ook het geven van den ring teeken van eigendom. Anderen,
gelijk wij boven in ander verband zagen, houden hem voor een herinnering
aan de koopsom. Sommigen beweren, dat door den ring de eigenschappen van
den man op de vrouw overgaan, door den ring draagt zij hemzelven bij
zich. Hoe zeer de verloving als sterke band werd gedacht, blijkt ook uit
hare geldigheid jegens derden. Wie eens anders verloofde huwde betaalde
dubbele meta. Ontucht met eene verloofde gold als overspel.
Nu komen de vaderen onder den invloed van het kanonieke, het roomsche
kerkrecht en daardoor ook van het Oudromeinsche recht. Het kanonieke
recht stond wel aan het Germaansche nader dan aan het Romeinsche, omdat
het, schoon grootendeels in Italië ontstaan, op Germaansch-christelijke
grondslagen rustte, zich aan Germaansche toestanden aansloot, maar het
ontleende toch zooveel aan het Rom. recht, dat het zonder hulp daarvan
niet kon verstaan worden. Nu werd in dat Romeinsche recht de verloving
wel als minder verbindend beschouwd, dan in het Germaansche, maar
de kerk beschouwde haar toch ook als eene acte, die reeds een band
legde. Bij haar heet de verloving desponsatio. Zij geschiedde in
tegenwoordigheid van den parochiepriester, van bruid en bruidegom, in
de kerk met open deuren, in tegenwoordigheid van twee getuigen, onder
uitreiking van een ring. Was alzoo het voorgenomen huwelijk vastgesteld,
dan werd het op drie Zon- of Feestdagen na de mis bekend gemaakt,
d. w. z. de geboden werden afgeroepen en wie wilde kon bezwaren tegen
het huwelijk inbrengen. Zulk een stuk luidde b.v.: Heer Anthony Fockynck
kapelaan in de moederkerk te Arnhem bekent, dat hij »drije sonnendage
nae een anderen volgenden alhyer in der moderkerke proclamationes
gedaen heeft woe dat Jan van Nijmegen ind Mesry Havesche jn der hilliger
echtschapp vergaderen solden, weer ymantz, die meighschapp, swagerschapp
off andere saicken wuste, dair durch die echtschapp verhynderd mocht
worden...« die kon ze mededeelen (1550).
Op dezen weg wandelde men ook in latere eeuwen voort. Ook onder de
Republiek droeg de verloving een bindend karakter, zooals in Duitschland
gesproken werd van »verlobte Eheleute«, zij is een nog niet geheel
afgesloten huwelijk. »Het consent« zegt een schrijver op 't einde
der 17de eeuw, »ende de bewilligingh van beyde partijen om t'samen te
verbinden aan malkander in den Echten Staat, is eygentlijck het gheene
dat het Houwelijck maekt ende waeruyt volgt, dat sodanige perzoonen zijn
als getrouwt voor Godt... met die conditie, dat men de behoorlijcke en
gewoonlijcke tijdt moet uyt-wachten«. Christenen mogen niet als 't vee
te zamen komen, zegt een ander, en zij moeten in de weken der verloving
God om een gelukkig huwelijk bidden. De wet dan schreef voor, dat de
jongelieden moesten verschijnen voor magistraat of kerkendienaar hunner
woonplaats en verzoeken om drie Zondaagsche of marktdaagsche geboden. Op
gewone werkdagen mochten geen geboden gaan en evenmin natuurlijk alle
drie in één week. Vandaar de grap van Alida Rijzig-Leevend, als de a.s.
man van Keetje West ziek is geworden en zij daarom niet op de bruiloft
van Chrisje Helder kunnen komen, »had hij het tot een week na zijn
huwelijk uitgesteld, dan had gij hem voetstoots hier naar toe kunnen
inpakken. Had gij mijn raad gevolgd: drie geboden op één dag en voor 't
bed getrouwd«. Na slechts twee geboden mocht geen huwelijk voortgang
hebben, ook moest de aanteekening geschieden op 't aangeven van beide
partijen. Vorstelijke personen vroegen soms ontheven te mogen worden van
de publieke geboden, wat vermoedelijk deftiger werd geacht. Toen in Juli
1659 Henriëtte Catharina, dochter van Amalia van Solms in het huwelijk
zou treden met Johan George II van Anhalt-Dessau kreeg Johan de Witt
van de Prinsesse-douairière het verzoek om er toe te willen medewerken,
dat er dispensatie verleend zou worden van de afkondiging der drie
»Sonnedaegse geboden«. De Witt antwoordde 11 Juli, dat de Staten met
algemeene stemmen het verzoek hadden ingewilligd. De voorschriften waren
goed, maar ook hier bleek, dat goede zeden meer waard zijn dan goede
wetten. Want het gebeurde, dat sommigen de proclamatiën wel lieten gaan,
maar daarna toch niet trouwden, al hadden zij ook de nadrukkelijke
gelofte afgelegd van zich niet te zullen terugtrekken. »Helaas!« roept
prof. Van Renesse uit, in zijn toentertijd veelgelezen boekje over
»De heilige voorsienigheid Gods in 't beleid der huwelijken« (1639),
»men speelt met die eedzweeringen als de kinderen met hare bikkels en
knikkers«. Ergerlijk was ook, dat, ofschoon de tijdsruimte tusschen den
dag der laatste afkondiging en die des huwelijks was vastgesteld (in
Amsterdam, in Leiden ééne maand, elders b.v. in sommige streken der
Generaliteitslanden, twee weken), toch die tijd soms onbehoorlijk werd
gerekt. Zoo lieten Wouter Hermans en Gerritje Germens te Nijkerk hunne
geboden gaan 5, 12 en 19 November 1609, maar hun huwelijk volgde eerst
24 Juni 1618. Bij een ander paar daar ter stede duurde het zelfs van
1597 tot ook 1618. Gelijk de Staten daareven dispensatie verleenden voor
de geboden van Henriëtte Catharina van Oranje, zoo konden zij dat ook
voor anderen doen. Hielden zij geene zitting, dan (resolutie van 26
november 1678) waren President en Raden van de Hoven en burgemeesters
en schepenen der steden daartoe gemachtigd. Het kwam veel voor bij
zeelui, die op uitzeilen stonden of ook bij zware zieken. Hun werd
dan dispensatie verleend van den interval van tijd tot het gaan der
proclamatiën, mits één gebod ging. In de koloniën volgde men zoo goed
mogelijk de gewoonten van het moederland. Zoo vertelt een Zweedsch
reiziger ons van de Kaap anno 1773, dat geen kolonist mocht huwen
zonder goedkeuring van den gouverneur, dat hij het verzoek kon indienen
des Donderdags, dat daarop des Zaterdags aan het paar een order wordt
gegeven voor den Raad, die de verboden graden onderzoekt, waarna de
gouverneur beveelt de geboden af te kondigen. »Zoo goed mogelijk«, zeide
ik. Aan boord van het Compagnieschip »D'Sperwer«, waarop Joan Cunaeus
voer bij zijne zending naar Perzië, werden ter reede van Surat, 23
November 1651, twee Nederlandsche paren van het comptoir aldaar door
Cunaeus' predikant in den echt vereenigd, waarbij wij van geboden niet
hooren, al roepen wij ons daarom toch gaarne het tooneel voor oogen van
die Nederlanders aan verre kust, begeerig naar vaderlandsche wijze hun
huwelijk te laten sluiten.
Maar wij keeren naar het vaderland terug. Voor de buitenwereld bleek
van de verloving door het feestelijk versierde huis. De speeljonkers en
speelmeisjes hadden hun dienst aangevangen, de spiegels, de stoelen met
groen en bloemen versierd, of, bij eenvoudiger levensmanier, alleen
deurknoppen en stoep van het huis der bruid groen gemaakt. In de blij
getooide kamer zitten dan op den Zondag van het eerste gebod bruid en
bruidegom in staatsie, ontvangen de gelukwenschen, en de dag wordt
besloten met het commissarismaal. Dit banket draagt zijn naam naar de
»Commissarissen tot de huwelijksche zaken«, zeer gelijkende op onze
ambtenaren van den burgerlijken stand. In de Republiek, waar bij het
beruchte en noodlottige particularisme, de toestanden in elk gewest, in
elke stad verschilden, treffen wij dit college niet overal aan. Toch wel
in de meeste steden van eenige beteekenis, soms met andere waardigheden
verbonden, als te Groningen, waar de Heeren van de Weeskamer tegelijk
Commissarissen van den Egten Staat waren. Ook hun getal verschilde,
in Amsterdam waren er eerst vijf, later zeven. Deze commissarissen
nu hielden aanteekening der geboden, zoowel van hen, die in de
gereformeerde kerk als van wie op 't stadhuis voor schepenen
trouwden, de afkondiging geschiedde daarna voor de eersten van het
voorlezersbankje, voor de tweeden van de pui. Waar geen commissarissen
waren, geschiedde de aanteekening voor schout en schepenen of
secretaris. Te Amsterdam waren de kosten in de 18de eeuw, voor wie
aanteekenden om in de kerk te trouwen, 8 st. voor den secretaris, 16
voor den koster, 6 voor de voorzangers; voor wie op het raadhuis zouden
huwen, 30 st. voor den secretaris, 30 st. voor de boden, buiten den
gewonen tijd alles duurder. Uitspraken van commissarissen werden ten
uitvoer gelegd bij gijzeling of bij bevel van in huis blijven, deur
sluiten en nering staken. Uit eene instructie voor commissarissen te
Leiden (1658) blijkt dat wie in de kerk hunne geboden gehad hadden niet
ten stadhuize mochten trouwen--en omgekeerd, onder kerk altijd te
verstaan de Nederlandsch-, Waalsch- en Engelsch gereformeerde. In
Amsterdam heette de ondertrouw o. m. »voor de roode deur gaan«, omdat
de kamer in de Oude kerk, waar Comm. Zaterdagsmiddags zitting hielden
eene roode deur had, waarboven dit oude rijmpje, dat o. a. al in het
Wonderboek des onzaligen David Joris (uitgave van 1551) te vinden is,
»Wel haest getrouwt, dat langhe rouwt«,
wijze, maar vaak in den wind geslagen, raad. Van droeviger ondervinding
getuigt nog de spreuk in eene Duitsche hanzestad:
»Mancher Mann laut singet,
Wenn man die Braut ihm bringet.
Wüszte er was man ihm brächte,
Er wohl lieber weinen möchte.«
De kerkelijke ondertrouwregisters en de stadhuispuiboeken zijn hier
beter, daar slechter, soms in 't geheel niet, bewaard, of ook hier
nauwkeurig, daar slordig bijgehouden, door slechte berging, vocht,
muizetanden aangevreten, terwijl wij af en toe met huivering lezen, dat
de zoontjes van den burgemeester er hunne pennen, ja hunne nagels op
oefenden of de domineesjuffrouw er papillotten van maakte: waaraan ze
bezweken. Het is hartbrekend zoo meedoogenloos als menschen met oude
papieren konden (en kunnen!) omgaan. Jacob van Lennep vertelt ons, dat
hij eens een jonge juffrouw aantrof, met een mand naast zich, bezig de
brieven te verscheuren en daarin te werpen van een harer ooms, die
gezant bij de Porte geweest was. Zoo werd ook het gansche archief der
stad Zalt-Bommel van vóór 1660 in 1831 opgeruimd, 2164 halve kilo's
aan papier en 16 dito aan perkament. Door dezen verkoop was het
gemeentebestuur (eere wien eere toekomt, zegt met begrijpelijke
bitterheid De Hoop Scheffer, die ons het feit herinnert) in staat
zich een groen tafelkleed voor de vergaderzaal en een paar witte
gordijnen aan te schaffen. Gelukkig ontbreekt het goede niet. De
puiaanteekeningboeken van Amsterdam b.v. zijn in voortreffelijken staat
en wie er in bladert, ziet de geslachten der menschen langs zich
heengaan en hem treft menige beroemde naam: »25 Aug. 1590 Jacobus
Arminius, predikant deezer steede, geadsisteerd met Claes Fraensz.
(Oetgens van Waveren) burgemeester deezer steede ter eenre, en Lijsbeth
Laurensdr. oud 20 jaar, wonende op het Water in de gulde Reaal,
geadsisteerd met Laurens Jacobsz. [Reaal] schepen en raad, haar vader
en Geertje Pieters, moeder, ter andere zijde«; »20 Nov. 1610: Joost van
Vondel en Maayke Wolf«; »10 Juni 1634: Rembrandt van Rijn en Saskia
Uylenburg« en zoovelen meer, die allen als gewone menschenkinderen van
vrijen tot trouwen gekomen zijn en zich voor commissarissen hebben laten
aanteekenen. Wil men ten besluite van dit deel onzes hoofdstuks een
bewijs, hoe angstig de kerk op de proclamaties acht gaf (met reden,
waarlijk!): »Wordt gevraagd« (ter synode van Haarlem anno 1600) »wat
men doen sal in een sake des huwlijks, waerin een seker joncman belofte
hebbende met eene jonge dochter, henengegaan is nae de commissarissen
der huwelijxsche zaken ende nochtans de dochter, die hij verwachtede,
niet en is verschenen, waardoor hij, vertoornd zijnde, nae een ander
plaetse is vertrocken, alwaer hij hem aen een ander beloeft ende twee
huwelijcksche proclamatiën ghehadt heeft, maer en is het huwelijk
niet bevesticht geworden, doordien dat de voorschr. dochter de derde
proclamatie heeft opgehouden, ende is niettemin nochtans in huyshoudinge
met de tweede getreden ende daerin soo lange gebleven, totdat de
dochter, met welcke hij eerst beloeft was, met een ander man
openbaarlijck is ghehuwelijckt ende nu versoect in den huwelijken
staat bevesticht te werden«. De synode staat het toe.