vrijage staat onder den invloed van plaatselijke zeden en gewoonten,
zooals in het noorderkwartier en op Texel nog tot ver in de 18de eeuw
de nachtelijke bezoeken, het kweesten, wat eigenlijk reeds niet meer is
»vrijen om«, maar »vrijen met«, waarbij het »Galathea, zie de dag breekt
aan«, uit hoofscher (en Hooft-sche) kringen, ook menige boersche nymf
opschrikte, waarom het ook krieken heette en Grabner, een Duitsch
reiziger ten onzent aan 't einde der eeuw, deftig zeggen mocht: »Nicht
Hesperus sondern der Morgenstern ist daselbst der Stern der Liebe«.
Overigens is het duidelijk, dat dit kweesten, waarbij de vrijer bij
het meisje te bed ligt, door een deken gescheiden, samenhangt met de
Duitsche »Kommnächte«, »Probenächte«, zooals ze vooral in Zwaben, in
het Zwarte woud voorkomen, zede, die den minnaar vergunt om, tegen het
venster harer slaapkamer opgeklommen, enkele uren van de nacht bij de
geliefde door te brengen, zede, die op haar beurt wederom gelijkenis
heeft over de gansche aarde en reeds door den Pruisischen raadsheer F.
C. Fischer (1780) is onderzocht, door Grupen (1748) en vele anderen. Van
eerbaarder en zediger vrijage bewaart de geschiedenis menig getuigenis.
Hoe bescheiden en ingetogen is Johan Schoorl de schilder (1495-1562),
die als leerling werkzaam is bij Mr. Jacob Cornelisz. van Amsterdam.
Deze meester had een »seer fraey dochterken van twaelf jaer. Ende
alhoewel deses vrouwmenschen aerdighe bevallijckheid Schoorels herte
in liefde verwonnen hadde«, hij bedwong zich om haar jeugd, reist naar
verre landen, en laat de kans op een goed huwelijk voorbijgaan, omdat
het »Amsterdamsche dochterken hem geschildert was van der liefde godt in
't herte, waervan hij altijt de prickelinge bevoelende, niet en dacht
dan om in consten volcomender te worden, opdat hij eyndlinghe tot sijn
begheerte mocht comen: door welcke vijericheyt hij veel ghevordert
heeft, schijnende of liefde consten doet leeren«. Helaas, toen hij na
vele jaren terugkeerde, was het meisje de vrouw van een ander.
Met welgevallen herinnert men zich de vrijage van Dirk Rafels
Camphuysen, den remonstrantschen predikant, den dichter, den later zoo
rampzaligen balling. Wij bezitten van hem eene biografie, door zijne
vrouw gedicteerd en dr. Rademaker, die hem vóór enkele jaren afdrukte,
maakte de menschkundige opmerking, dat de inhoud de wezenlijke
schrijfster aanwijst: hare vrijage en haar huwelijk teekent zij
uitvoerig, aan dien gelukkigen tijd dacht zij gedurende haar 41-jarig
weduwschap herhaaldelijk terug. Camphuysen dan studeerde te Leiden, in
1608, en sloot daar vriendschap met Joh. van Alendorp, een Dordtschen
predikantszoon. »Het gebeurde«, aldus dicteert de weduwe, »dat Johannis
soude vertrecken, en sijn suster Anneke komt tot Leyden, om het goet
van haren broeder bij een te pakken... op dese tijd kright C. de
eerste kennis aen dese Anneke en hij sedert die tijd al te met eens na
Dorderegt trock, om te besoeken hetgeen hij beminde... en hij brengt het
soo verde, dat hij met haar in beloften raakt, sulcks dat C. 's morgens
eerst ernstig naar sijne wijse den Alderoppersten gesmeeckt en gebeden
hadde op sijn kamer om wijsheit in dese hoog wigtijge saack; hij quam
bij Anneke haar aanpresenteerende seekeren penning, die hij haar op
trou gaf«. Dan wordt hij gouverneur bij Gideon van Boetselaar, heer
van Langerak, »wat hij niet soude gedaen hebben had hij sijn huwelijck
moogen voltrekken met de verloofde«. Want de moeder onthield haar
toestemming, omdat C. arminiaansch was. Hij was bij de Boetselaars
geacht »als Jozef in 't hof van Farao« en zij trachtten hem uit te
huwelijken aan »een joffer van groot qualyteit«. »Maar alsoo het
knagende geweeten van C. nog niet geheel en was verstorven (gelijk
sommige ongestadige minnaers niet veel passchen op haar woorden en
beloften, die sij aan eenige vrous persoonen gedaan hebben), soo is hij
oock in desen een exempel geweest van volstandigheit in sijne woorden.
Hij ondertusschen, denckende op middelen om te met een oog als woort te
hebben van het geliefde, quam het juist te gebeuren, dat de gouvernante
van 't hof quam te trouwen ende, mevrouwe verlegen sijnde, conseleerde
met C., die sijn slag in dese waar nam en zeyde: kont gij die dogter
krijgen (noemende Anneke van Alendorp) ik meen, dat gij 'n contentement
in haaren dienst sout nemen; de joffer staat het toe en belast C.
een brief daer na toe te senden, daer toe hij hem met weynig woorden
liet bewilligen. Sij, den brief ontfangende en den inhoud verstaande,
resolveert om voor goevernant te dienen, want de moeder viel haar vrij
hard en was haar dagelijks aan, om het huwelijk te beletten. Maar gelijk
een welgebouwd hof voor geen stormwind en plasregen komt te buigen,«
(denkt Anneke hier aan C.'s »Uytbreydingh over Ps. CXXV«:
Wat winden dat er ruyschen, wat regen dat er plast,
Het hooge huis van Sion staet onbeweeght en vast..?)
»soo heeft hem ook de ongeveinsde liefde gedragen. De heer en ook de
anderen, om geen dink minder denckende, krijgen ondertusschen groot
behaagen in dese dienstmaagd en C. had een groote lof behaalt, in voegen
hem den heer nog een rosenobel vereerde voer zijn moeyten.« De rest laat
zich denken. De stille minnehandel wordt ontdekt, men poogt de gelieven
tegen elkander op te zetten, C. vraagt om uitlegging en doet of hij
niets meer van haar weten wil »singende overluid een deuntje gelijk
de jonge minnaers ende hovelyngen gewend waren«. Maar zij gaat hem
na, »vernieuwende hem alles wat se om sijnentwil al had geleeden en
uitgestaen, daer van sijn gemoet ten volle overtuigd was«. De verzoening
is volkomen, hij verlaat het kasteel, zij »passeert van den dienst« en
na nog een aantal lotgevallen, waarbij C. »vol moets en coragije is,
denckende dat geen see te hoog gaan en mogt, als hij maar dat mogt
genieten, daar alle hartstogten op gevallen scheenen«, trouwen zij
eindelijk den 11den April 1613. Het is een verhaal als een sprookje,
deze toch zuiver historische vrijage, al kan men er helaas niet
bijvoegen, dat zij »daarna nog lang en gelukkig hebben geleefd«.
Even zedig, even eerbaar was een eeuw later de »burgerlijke vrijage«
tusschen Kobus en Agnietje, ons door Justus van Effen verhaald in zijn
»Hollandschen Spectator«, vertoogen, die aan hun levendigen verhaaltrant
de eer danken van hunne plaats in tegenwoordige bloemlezingen.
De bescheiden en schuchtere vrijage van den braven Kobus, die met
een grachtje om en een paar bange kusjes al den koning te rijk is
(voorloopig!), is zeker een aardig schilderijtje van 18de-eeuwsche,
burgerlijke zeden, waaruit de vroegere, dartele en onbeschroomde
vrijpostigheid, die wij nog in de 17de eeuw bij den vrijer bespeuren,
geweken is--voorzoover wij dat nu nog kunnen uitmaken. Zeker vermeed men
in de 18de, in de kringen ook der patriciërs, de grove uitingen eener
bloedrijke verliefdheid, en de wijze, waarop een galante petit-maître
vrijt om de charmante godin van zijn hart, in de saletten, bij het
speeltafeltje, is van eene onnatuurlijke gemanierdheid. Degelijk,
oprecht, maar wat statig en koel is de vrijage in de kringen, die 't
hart hebben van de juffrouwen Wolff en Deken, zooals van den kolonel
Uto van Sytsama om de bedachtzame Coosje Veldenaar, die voorloopig
zijn aanzoek afwijst: »Mijn hart is vrij« antwoordt zij hem, »maar
ik heb geene de minste overhelling om van staat te veranderen en dat
wel, al vorm ik mij van een op goede gronden voltrokken huwelijk geene
schrikbeelden. Maar mijne waardige ouders kunnen mij onmogelijk missen.«
Hij, door zoo bezonnen redeneering geenszins ontmoedigd, schrijft terug:
»Mijne waardste! Kunt gij mij met uwe bezitting niet zegenen, schrijf
mij dan nooit meer; voor zulke verdiensten, voor zulke begaafdheden
is mijne rede niet bestand. En echter, alles wat gij schrijft is zoo
billijk. Ja mijn Coosje (o, mag ik u zoo eenmaal noemen) mijn hart
klopt van gevoel, mijne oogen vloeien over, als ik uwen brief lees.
Edel meisje, kunt gij de mijne niet worden?« Zeker klinkt dit uiterst
statig--maar wij moeten altijd bedenken, dat de draagkracht, de juiste
strekking der woorden bij de voorgeslachten ons al te vaak ontsnapt. Ook
waren zij in hunne spreektaal veel ongegeneerder dan wij thans voegzaam
zouden achten. Wat bovendien dit bepaalde geval betreft, Betje Wolff
was in hare jeugd bijna het slachtoffer geworden van eene zeer brutale
vrijage, waartegen zij deze eerbare overstelt. In geen geval was een
taal als die van kolonel van Sytsama toen onwezenlijk. Ook in het vrijen
om de bruid openbaarden de vaderen eene bedaarde bedachtzaamheid, die
wel nationaal moet zijn. Juist in dezen zelfden tijd, 1782, schreef de
dichter H. van Alphen aan zijn vriend mr. J. P. Kleyn: »Haast niet, maar
wikt. Laat de keuze van eene levensgezellin de vrugt zijn van een rijp
beraad en van een ernstig, aanhoudend, opregt en vertrouwend gebed. Laat
zelfs de tijd aan God over.« Het is dit nationale flegma, dat zich ook
in de vrijage uit, dat vreemdelingen zoo opvalt. »Der Bataver ist nur
thätig, wo er es sein musz«, schrijft een Pruisisch reiziger in ons
land, anno 1797, en in een Fransch rapport van twee jaren vroeger luidt
het, met wat dieper ingaan in het wezen: »son caractère est flegmatique,
mais sensible et si ses affections ont moins d'essor et d'éclat, elles
n'en sont que plus profondes et plus durables«. In ons laatste hoofdstuk
komen wij hierop nog terug. Thans hebben wij over den aard der vrijage
nog iets op te merken.
Toen wij boven verhaalden van Authari's bruidswerving, herinnerden wij
ook aan de dienaren, die de vermomde koning mede nam en die door hunne
heldendaden zijn aanzoek kracht bijzetten. Dezen trek der oude sage
vinden wij de eeuwen door terug. In belangrijke aangelegenheden laat
men zich door helpers ter zijde staan, voor de rechtbank, bij een
koopcontract, bij een tweegevecht. Desgelijks bij de vrijage. De vrijer
zendt zijne boden vooruit, om het terrein te verkennen, om den eersten
aanval te wagen. In de Ommelanden heette zulk een paranymf de maakman,
in sommige streken van Friesland werd eene oude vrouw uitverkoren, om
de gevoelens van het meisje te polsen. Het is opmerkelijk, hoe deze
vrijage bij volmacht in krassen vorm bij de oude Friesche doopsgezinden
voorkwam. Een, die tot hen behoord had en hen goed kende, schreef (het
geldt het derde kwart der 16de eeuw): »dat niemandt onder haer, een
huysvrouwe begeerende, de persoone selfs aenspreecken noch versoecken
en mach, maer moet sulcks den Dienaren aengeven ende raedt vragen ende
denselven voor hem aensoecken laten.« Ja zelfs moet hij er vrede mede
hebben, als die dienaar »'t selve houwelijck haer afriedt ende een
anderen in den sinne bracht.« Deze gewoonte moet onder de doopsgezinden
vastgeworteld zijn geweest. Niet alleen vindt men haar nog veel later
in ons land (gelijk immers Reynier Adriaansz, in Asselijn's blijspel,
een paar bemiddelaars op Saartje Jansz. afzendt en eerst daarna zelf
zich »eerbiediglijk« komt aanbieden), maar ook treft men haar aan bij
buitenlandsche doopsgezinden. Zoo verhaalt Alfred Michiels van de
doopsgezinden in de Vogezen anno 1858, dat zij bij huwelijksaanzoeken
zich richten naar het voorbeeld van Abraham en Eliëzer (Genesis XXIV)
en naar dat van den jongen Tobias, in het apocryfe boek van dien naam,
die immers ook met behulp van den engel vrijde om Sara, de dochter van
Raguel. Want als een jonkman bij hen huwen wil, neemt hij een diaken in
zijn vertrouwen. Deze (hij heet »der steckelmann«) stijgt te paard en
rijdt tot bij den put van de woning van het meisje. Die komt naar buiten
met eene kruik in de hand, schept er water in en biedt hem te drinken
(gelijk immers Rebekka het Eliëzer deed). Zegt zij verder niets, dan
weet hij genoeg en rijdt weêr terug. Maar zegt zij: »kom wat dichterbij
en laat ik ook uw paard te drinken geven,« dan haalt hij de meêgegeven
geschenken voor den dag en vraagt tot hare ouders toegelaten te worden.
Op deze wijze voeren deze menschen hunne vrijage naar bijbelsch
voorbeeld.
Wij keeren naar ons vaderland terug en hebben nog slechts te herinneren,
dat een 18de eeuwsch Spectator (niet zeer geestig) voorstelt, om in
plaats van deze helpers publieke makelaars in huwelijkszaken aan te
stellen, die de vrijage tusschen twee jongelieden tot een goed einde
zouden brengen. Overigens was hier te lande (anders dan b.v. in
Frankrijk) de vrijage de zaak der gelieven-zelven. Wel was het
prijselijk als »jonckheyt lieft met ouders raat«, zooals het oude
rijmpje zegt, maar de ouders bedisselden het geval toch niet onder
elkander, zij lieten het vrij, wat natuurlijk niet buitensloot, dat
sommigen, als het eene goede partij gold, een zachten drang uitoefenden.
Wat den bekenden Adolf, vrijheer Knigge in zijn, ook in onze taal
overgezet »Ueber den Umgang mit Menschen«, 1785, de weinig hoffelijke
uitroep ontlokt: »Het koppelen en bekuipen van huwelijken late men
over aan den hemel en aan zekere klasse van oude wijven!« Wij hoorden
daareven Anneke van Alendorp gewagen van die »ongestadige minnaers, die
niet veel passchen op haar beloften.« Van zulke trouwelooze vrijers zijn
onze oude liederenboekjes vol:
[Illustratie: Huwelijkscontract.
Naar een schilderij van Jan Steen.]
»Dog vrijers zijn vol list en loze streken,
Hun woorden zijn wel honing-zoet,
Terwijl zij dragen in 't gemoet
Den angel, om te steken
Haar, die hen mind.«
Trots deze booze ervaring verlangen de vrijsters toch naar hun
gezelschap:
»Dit bosje weet,
Dat ons is leet,
Dat gij niet t'alle-tijdetjens,
Ons met uw kout
Gezelschap hout
En zit aan onze zijdetjens.
Uw zoet gevrij
En boerterij
Met velerhande klugjens
Ons zo verleyd
Dat, als gij scheyd
U volgen veele zugjens.«
Had echter de vrijage het gewone, gewenschte verloop, bleek het meisje
niet onvermurwbaar, liet zij zich eindelijk verbidden, om van staat te
verwisselen (»wat haast hebben wij meisjes,« vraagt Alida Leevend in
haren overmoed; »als wij getrouwd zijn, zijn onze blijde daagjes uit?«),
dan kan de verloving, straks het huwelijk plaats hebben. Wij vragen
allereerst naar het karakter van het wettig huwelijk, zooals het zich
onder de Republiek aan ons voordoet.
HOOFDSTUK III.
HET WETTIG HUWELIJK.
Tegenover welke taak stond het nieuwe geslacht, vroegen wij aan het
einde van ons eerste hoofdstuk, nadat wij de toestanden, zooals zij in
de 16de eeuw heerschten, geschilderd hadden? Roepen wij ons duidelijk
de moeielijkheid voor den geest. Van wien zou het gezag uitgaan in
huwelijkszaken, zoodat de bestaande verwarring en onzekerheid zouden
ophouden? Van de Staten der gewesten? Van de jonge, gereformeerde kerk,
zelve nog nauwelijks (immers eerst sinds 1572 in het noorderkwartier,
van lieverlede ook in de overige provinciën) geordend en ingericht?
Zeker had zij nog geen wijdstrekkende autoriteit, maar van den
beginne heeft zij zich met groote energie aan deze zaak laten gelegen
liggen. Omdat voor haar, gelijk voor alle protestantsche Kerken,
het sacramenteel karakter des huwelijks vervallen was, heeft zij van
den aanvang af geijverd voor het burgerlijk, algemeen karakter der
instelling. Wat Huig de Groot zegt, dat door het aannemen van den
gezuiverden godsdienst alle voorrechten van geestelijken, zoo in
rechtspleging als in andere zaken, het bijzonder burgerrecht rakende,
ophouden, heeft zij reeds vroeger erkend ook voor 't huwelijk. Zij
volgde daarin slechts de denkbeelden harer groote theologen: Calvijn
achtte het huwelijk een ding, den wereldlijken rechter competeerend.
Reeds de oudste provinciale synoden spreken zich uit, zoowel over
de verhouding tusschen kerk en staat in 't algemeen als over het
huwelijksrecht in 't bijzonder. Die van Rotterdam, anno 1575, begrenst
het wederzijdsch gebied en spreekt uit, dat »onse kerckelijke regieringe
geenszins usurpatie van het ambt van den magistraat medebrengt, maar
dat de politische (burgerlijke) ende kerkelijcke regieringe« door God
zijn ingesteld, zoodat het er verre van af is, dat »dit gheestelick
ende kerckelick regiment enichsins soude het ampt ende de hoocheit
der overheit tegenstriden ofte vercorten, dat in tegendeel 't selfde
veelmeer dient tot befestinge vande autoriteit derselver, gelijck oock
wederom der overheit ambt is door haar autoriteit der kerckelicke
regieringe te beschermen ende te handthaben«. Reeds een jaar vroeger
had art. 5 der Dordtsche kerkorde voorgeschreven: »die dienaren ende
ouderlingen sullen wel toesien, dat sij in hare consistorische,
classische ende sinodische vergaderinge niet en verhandelen dan 't gene
kerckelick is«. Welnu dezelfde vergadering spreekt het uit: »Overmidts
d'officiaelen des Antichrists int pausdom d'autoriteyt ende recht der
overheijden in den echtscheydinghen aen sich getrocken hebben, soo sal
de magistraet van den ministers wt Godes woort ghebeden ende vermaent
worden, datse dien helpen, welcke in soodane saecken hare hulpe
behoeven«. En nog algemeener de oudste gereformeerde synode hier te
lande, die van Edam in 1572: ieder streve er naar dat »dese saecke des
huwelijcx tot ontlastinge der kercken gebracht wordt in het burgerlijke
regiment«. Omdat echter de berechting van huwelijksgeschillen voor de
overheden nog nieuw was en, bij de nieuwe bedeeling, het geestelijk
gerechtshof had »afgedaen«, heeft de kerk reeds in 1581 het wenschelijk
geacht, dat de Staten een »houwelicxgericht« zouden instellen, »daeraen
alle twistige houwelicxsaken« zouden opgedragen worden.
Men bespeurt waarom het gaat: aan den Staat moet komen de regeling van,
de uitspraak in huwelijksgevallen, de wetgeving in 't algemeen over
alle huwelijkszaken. Zonder zijne sterke hand zal de verwarring nooit
ophouden, aangezien, zegt wederom Huig de Groot, het huwelijk is de
grondwet der burgerlijke gemeenschap en omdat, naar de woorden van
den remonstrantschen hoogleeraar Simon Episcopius, als er geen vaste
huwelijksordening is, »is de policie niet als eene wildernisse ende de
familiën zijn niet als verckensschotten«. Wenschte de gereformeerde kerk
aldus, dat het huwelijk burgerlijk zou zijn, dit hield niet in, dat zij
afstand begeerde te doen van haar recht op huwelijkssluiting. Opvolgster
van de oude, roomsche kerk, in zekeren zin erfgename harer functiën,
overtuigd, dat het huwelijk voor zijne wettigheid de wijding der
kerk behoeft--had zij reeds in de jaren der vervolging, vóór zij nog
gevestigd was, huwelijken gesloten. Hare rondreizende predikanten
»celebreerden houwelijcken volgende de voirs. religie« en »vougden
na den sermoenen oik eenige persoenen als in echten t'saemen«. In
1566, toen Margaretha hun vrije godsdienstoefening had toegestaan en
zij enkele kerken in gebruik namen, was het dáár, dat men »bruyden
troude«. Thans, als gevestigde kerk, handhaaft zij dit recht van
huwelijkssluiting. Hare leden kunnen binnen hare muren een wettig,
christelijk trouwverbond aangaan, al is men in 1573 in Noord-Holland
zóó vrijzinnig, dat men een lidmaat toestond buiten de kerk te trouwen.
Men moest het hem wel afraden, maar gebeurde het nochtans, dan was
het huwelijk als echt te erkennen. Nu begon echter de moeielijkheid.
Niet alleen toch begeerde de kerk van de overheid goedkeuring van
hare huwelijksregeling op eigen terrein, maar, volgens het in haar
midden sterker wordend calvinistisch beginsel, dat de wereldlijke en
geestelijke macht samen moeten arbeiden aan den bloei der christelijke
gemeenschap, eischte zij telkens nadrukkelijk, dat de overheid zich in
alles, dus ook in huwelijkszaken, door die calvinistisch-gereformeerde
gedachte zou laten leiden. Waar nu de staat zich verzet, ontstaat
de strijd. En als wij bespeuren, dat de kerk voortdurend poogt eene
algemeene huwelijksordonnantie te verkrijgen naar hare beginselen,
dan zien wij daarin duidelijk een onderdeel van die worsteling om
de oppermacht tusschen Kerk en Staat, ook in onze vaderlandsche
geschiedenis zoo belangrijk. Het gaat op een loven en bieden. De kerk
vraagt en de overheid, zeker gewillig het advies en de medewerking der
kerkelijken in te roepen, geeft, maar ten halve. De kerk vraagt weêr en
de overheid staat ook iets toe, maar geeft de teugels nimmer uit de hand
en houdt aan zich het oppergezag. Zeker gevoelen wij bewondering voor
deze »dienaren des Woords«, die, in hunne volstrekte afhankelijkheid
van regenten en magistraten, toch rusteloos aanhouden om wat zij voor
een heilig huwelijk noodig achten. Maar begrijpelijk vinden wij het
evenzeer, dat de overheid op hare hoede was tegen een heerschzucht,
die wezenlijk bedoelde der kerk het gezag over den staat te schenken.
Ware het anders geweest, men zou kunnen wenschen, dat zij nog ruimer
gelegenheid gehad hadde, haar onmiskenbaar organiseerend talent, ook op
het gebied der huwelijksregeling, met de stukken te toonen. Laat ons dan
zien wat langzamerhand in de Republiek tot stand kwam, door gewestelijke
of stedelijke overheid gegeven, maar onder voortdurenden invloed der
kerk.
Reeds in 1576 hadden Baljuw en mannen van Rijnland bepaald, dat partijen
zich of door den gereformeerden predikant moesten laten te zamen geven,
of voor baljuw en mannen moesten verzoeken, dat hun trouw wettig
verklaard werd. Dit was reeds eene belangrijke stap in de richting van
orde, maar het besluit gold slechts Rijnland en ook, men durfde een
anders gesloten huwelijk nog niet nietig verklaren. Maar vijf jaren
later, 1 April 1580, vaardigden de Staten van Holland en Westfriesland
hunne Ordonnantie van policie uit, waar men sub III bepalingen vindt
»omme te voorsien op de ongeregeltheden in huwelijkszaken«. Hier moeten
partijen verschijnen voor magistraat of gereformeerde predikanten hunner
woonplaats, om door (voor) hen getrouwd te worden. Huwelijken niet
volgens deze ordonnantie »gecontraheerd ende gecelebreerd« zullen
voortaan zijn »nul ende van onwaarde«. Eene resolutie van 6 Juli gaf nog
nadere uitlegging. Voor Zeeland volgde 8 Februari 1583 eene ordonnantie
van den Prins van gelijke strekking, op de openbare afkondiging waarvan
de Zeeuwsche kerk telkens aandringt. Den 6den October 1584 volgden de
Staten van Utrecht en voerden ook het burgerlijk huwelijk in voor het
gerecht ten stadhuize, d. w. z. voor wie dit begeerden. De anderen
werden getrouwd door den gereformeerden predikant. Andere huwelijken
werden niet langer erkend, terwijl als overgangsbepaling in art. 13
der ordonnantie werd voorgeschreven, dat vroeger gesloten vormlooze of
geheime huwelijken alsnog voor het gerecht konden worden gewettigd. De
andere gewesten volgden (voor de Generaliteitslanden gaven de Algemeene
Staten 18 Maart 1656 een Echtreglement) en sinds was de toestand zóó,
dat ieder naar wet en ordonnantie moest trouwen, de gereformeerden
in hunne kerk, de andere burgers ten stadhuize. Aan deze laatsten
werden dan daarna hunne kerkelijke plechtigheden vrij gelaten. Van
opmerkelijke vrijzinnigheid is een besluit van schepenen, raden en
gezworen gemeente van Hasselt, reeds 25 Februari 1590. Omdat, heet het
in dit merkwaardig stuk, velen, om de verscheidenheid van religie, niet
gezind zullen wezen de huwelijken in de gereformeerde kerk te sluiten
voor den predikant, en omdat de vrijheid van conscientie gehandhaafd
moet blijven, besluiten wij, dat allen die bezwaar hebben tegen de kerk,
zich zullen mogen laten afkondigen van het raadhuis en daarna getrouwd
worden voor twee schepenen, onder aflegging van een eed en aanteekening
in het stadsprotocol. Hoe langzaam elders weêr de nieuwe regeling
doordrong (iedere stad was wezenlijk souverein) toont o. m. Kampen.
Het burgerlijk huwelijk voor de doopsgezinden is aldaar ingevoerd bij
publicatie d.d. 7 Juni 1658. Tot dien datum toe waren zij gedwongen
geweest zich door (voor) de hervormde predikanten te laten trouwen.
Thans kon dat ten raadhuize geschieden, maar (vreemd genoeg) de
geboden moesten zij nog »voor den Eerb. kerckenraedt deser stadt doen
opschrijven«. In Holland heeft men den dissenters sneller recht gedaan.
Zoo kon de luthersche gemeente te Amsterdam in 1597 bepalen, dat wie
wenschten te huwen eerst voor den gecommitteerde van de overheid moesten
verschijnen, zich dan aan de voorgeschreven formaliteiten onderwerpen
en daarna in de kerk konden worden ingezegend. Zoo is het gebleven tot
het einde der republiek. Onder de Bataafsche Republiek openbaarde de
nieuwe geest van gelijkheid en vrijheid (zegt Cornelis Rogge) zich
ook in de bepaling, dat voortaan _elk_ huwelijk voor de plaatselijke
regeering moest voltrokken worden. De inzegening bleef den geestelijken
toegestaan, nadat hun op eene wettige wijze de voltrekking voor de
burgerlijke regeering was gebleken.