Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
http://www.pgdp.net
+----------------------------------------------------------------+
| |
| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
| |
| De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
| verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
| moderniseren. |
| |
| Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |
| einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. |
| |
| Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
| gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. |
| |
| In het origineel cursieve tekst is weergegeven als _cursief_. |
| Van tekst in superscript is de superscript verwijderd; |
| de combinatie a met superscript o is uitgeschreven tot 'anno'. |
| Het zwaard-symbool is weergegeven als [overleden]. |
| |
| In het boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt. |
| De dubbele aanhalingstekens zijn in dit e-boek aangegeven als |
| »aanhalingstekens«. |
| |
| Aan het eind van dit e-boek volgt een overzicht van de |
| aangebrachte correcties. |
| |
| De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit |
| e-boek op http://www.gutenberg.org |
| |
+----------------------------------------------------------------+
[Decoratieve illustratie]
DE MEULENHOFF-EDITIE
EEN ALGEMEENE BIBLIOTHEEK
[Decoratieve illustratie]
UITGEGEVEN DOOR MEULENHOFF & Co.
IN HET JAAR MCMXIV TE AMSTERDAM
[Illustratie: Het ongelukkige huwelijk.
Naar een schilderij van W. Hogarth.]
VERLOVING EN HUWELIJK
IN VROEGER DAGEN
DOOR PROF. Dr. L. KNAPPERT
GEÏLLUSTREERD
[Decoratieve illustratie]
UITGEGEVEN DOOR MEULENHOFF & Co.
IN HET JAAR MCMXIV TE AMSTERDAM
INHOUD.
Hoofdstuk Bladz.
Voorrede 1
I. De toestand in de 16e eeuw 7
II. De vrijage 31
III. Het wettig huwelijk 51
IV. De verloving of ondertrouw 65
V. De verloving of ondertrouw. (Vervolg) 95
VI. De bruiloft 126
VII. Echtscheiding, echtmijding en hertrouw 170
VIII. Huwelijksleven 191
VOORREDE.
In de volgende bladzijden hebben wij gepoogd eene korte geschiedenis
te schrijven van de verloving en het huwelijk in vroeger dagen. Wij
wenschen den groei, de wijzigingen, wil men, de ontwikkeling te doen
zien zoowel in de denkbeelden en voorstellingen als in de handelingen
en gebruiken, die met verloving en huwelijk samenhangen, in welke
vormen zij voorkomen, wat staat en kerk voor de wettelijke regeling
ervan hebben gedaan, hoe een huwelijk tot stand kwam en werd ontbonden,
hoe de vaderen bruiloft vierden, welke idealen zij van het huwelijk
koesterden en wat daarvan in de practijk verwezenlijkt werd. »De
vaderen«, zeggen wij, want om de uitgebreidheid der stof hebben wij
ons eene dubbele begrenzing, eene van plaats en eene van tijd, moeten
opleggen. Maar dat wij binnen ons land blijven, beteekent niet, dat wij,
ter verduidelijking, niet telkens ook op den toestand in andere landen
zouden acht slaan. En dat wij bij den nieuweren tijd beginnen, toen
Karel V over ons regeerde en de Hervorming doorbrak, zal ons niet
beletten, zou dat niet mogen doen, de getuigenis van vroeger eeuwen
in te roepen, waar dit noodig is ter toelichting van den samenhang der
dingen. De schrijver zou dit boekje gaarne beschouwd willen zien als de
samenvatting van zijne vroegere studiën over dit onderwerp of gedeelten
ervan, waarvan de uitkomsten thans nog eens worden aangevuld, vereenigd
en voor een ontwikkeld publiek beschreven.
Deze laatste woorden bieden ons de gaarne gebruikte gelegenheid iets
te zeggen over dusgenoemde populair-wetenschappelijke literatuur in
het algemeen. Wij weten al te wel, hoe vele en hoe gewichtige bezwaren
er tegen worden ingebracht, hoe er zijn, die deze soort van arbeid
als minwaardig afkeuren en veroordeelen. Zeker dreigen hier gevaren,
vooral deze twee, dat om der wille der bevattelijkheid met het
wetenschappelijke de hand wordt gelicht, zoodat b.v. als zeker wordt
genoemd, wat nog allerminst vast staat, en reeds samenhang wordt
aangenomen, waar het onderzoek van deskundigen nog maar aarzelend
overgangen vermoedt en uiterst flauw de verbindingslijnen ziet.
En vervolgens, dat het populaire werk, waarvoor een zeker aantal
lezers wordt verwacht, het wetenschappelijk boek tegenhoudt, dat geen
uitgever vinden kon. Dit laatste valt gewis te betreuren, maar wie
onze vaderlandsche boekenmarkt overziet, bespeurt tot zijne vreugde,
dat zuiver wetenschappelijke arbeid daar nog in overvloed voorkomt en
koopers vindt. En wat het eerstgenoemde betreft, er zijn populaire
schrijvers, op wie te dezen zeker geen lichte schuld drukt. Doch
dit is een oordeel over hen, niet over deze soort van werk. Het is
geen onvermijdelijk kwaad. Wij voor ons durven de verzekering geven,
dat wij nimmer, om het populaire, hebben verteld wat niet voor ons
beste weten vast stond. Bij geschiedkundigen arbeid--als waartoe ook
dit boekje behoort--laat des schrijvers persoonlijkheid zich nooit
geheel ter zijde dringen, zijne beoordeeling van menschen en dingen,
al wordt zij zelfs niet uitgesproken, kan worden vermoed en dan
ligt het verwijt van partijdigheid voor de hand, maar dit kan ook
bij zuivere historische wetenschap het geval zijn. Studies over de
inquisitie, de jezuïeten, den dertigjarigen oorlog, de politiek van
Johan de Witt, Voltaire, de groote revolutie wekken lichter gevoeligheid
dan onderzoekingen over den luchtdruk, den ring van Saturnus, de vierde
afmeting, praefixen, buigingsuitgangen en dergelijke. Wij zouden voor
populair-geschiedkundigen arbeid de volgende eischen willen vaststellen:
de stof moet uit de bronnen geput zijn--onderzocht, geschift, bewerkt
naar de methode der zuivere, historische critiek--het resultaat
beschreven, eerlijk, zonder bijbedoeling of strekking. Slechts dient de
schrijver zich toe te leggen op begrijpelijkheid voor niet-vakgenooten,
op het vermijden van kunsttermen en van, zoo niet alle, dan toch van
zulke vreemde talen als boven het bereik van algemeen ontwikkelden
geacht worden te liggen. Het geleerde noten-apparaat late hij geheel of
nagenoeg ter zijde, maar hij moet in staat en bereid zijn bronnen en
gronden desgevraagd te noemen. Levendigheid, aangenaamheid van stijl
mogen bij dit soort literatuur worden geëischt, maar de vorm mag niet
worden verlaagd tot een bedeksel van pooveren inhoud. De uitgever, van
zijn kant, geve aan het boek een uiterlijk, dat door goeden smaak en
sierlijkheid de oogen trekt en tot lezen noodigt.
Aldus opgevat, heeft populaire arbeid beteekenis. Reeds omdat hij
samenvattend is, omdat hij de vruchten biedt van het onderzoek der
bijzonderheden, omdat hij de uit bronnen geputte kennis tot velen
brengt. Achter zijn met lof bekroond proefschrift over Christofforo
Suriano, 1913, plaatste dr. P. C. A. Geyl ook deze stelling, de
XIIde: »onze geschiedenis heeft dringender behoefte aan synthetische
werken--zelfs popularisatie-literatuur--dan aan bronuitgaven«. Dit
schijnt mij onwedersprekelijk. Met ontzaglijke vlijt en geleerdheid
hebben velen in de laatste jaren bronnen uitgegeven. De bewerking
van dat materiaal is nu dringend noodig, gelijk de duizenden van
spijkerschrift-tabletten in onze musea wachten op ontcijfering,
gelijk de appels in het sprookje roepen: »pluk ons, pluk ons!« Dit kan
geschieden voor vakgenooten of voor een grooter publiek. Het verschil
ligt wezenlijk in den vorm, waarin het nagevorschte wordt beschreven.
Maar op deze wijze kennis van het verledene bevorderen, komt dat
niet hun ten goede, die oprecht kennis begeeren, maar zich haar niet
zelven verwerven kunnen? Het is hetzelfde beginsel als dat van hooger
onderwijs buiten de universiteiten. Ook daarbij dreigen de gevaren van
te gemakkelijk verworven en daardoor gering geschatte kennis, van halve
kennis, van verwarring van begrip en voorstelling, omdat de hoorders
het gehoorde niet in het groote verband zien, er geen aanknoopingspunten
voor hebben. Maar--al onthouden daarom velen zich van dezen, arbeid--het
beginsel vindt toch ook bij anderen warme instemming.
K.
L.
HOOFDSTUK I.
TER INLEIDING.--DE TOESTAND IN DE 16de EEUW.
Ieder mensch heeft eene zich al uitbreidende rij van bekende of
onbekende voorvaderen, van wier eigenschappen hij iets in eigen persoon
met zich omdraagt. Niet anders is het met het huwelijk, met die
misschien gewichtigste aller menschelijke instellingen. Gelijk wij
in onze voorrede hebben gezegd: het vrijen en het trouwen hebben eene
eeuwenlange geschiedenis, die ons het schouwspel vertoont van den
harden strijd tusschen de ongebreidelde menschelijke driften en de
maatschappelijke orde, die op wetten, zedelijke beginselen en godsdienst
gebouwd is. Toen nu onze opstand tegen Spanje voor onze vaderen op bijna
elk gebied een nieuw leven opende, zou er ook aan die geschiedenis van
het huwelijk een nieuw hoofdstuk worden toegevoegd. Want vervallen
was het gezag van den Spaanschen koning in het staatkundige en van
de Katholieke Kerk in het godsdienstig-kerkelijke. Dat was eene
geweldige ommekeer, als gevolg waarvan nu ook voor het huwelijk nieuwe
wetten en vormen moesten gevonden worden. Intusschen was het oude
niet eensklaps verdwenen. Integendeel. De middeleeuwen hadden tal van
huwelijksbepalingen en trouwgebruiken met zich gevoerd, die nog uit
den tijd der heidensche Germanen waren overgebleven. De Kerk had ze wel
bestreden, maar volstrekt niet vernietigd, terwijl zij er hare eigene
wetten aan had toegevoegd. Daarvan zouden de vaderen een deel veranderen
en een deel ongewijzigd overnemen. Ook erfden zij een aantal gewoonten
en gebruiken bij vrijage en bruiloft, die vast in het volksleven waren
ingegroeid en die zij noch aanstonds konden noch wilden uitroeien. Maar
nu waren die oude Germaansche inzettingen insgelijks weder de vruchten
eener lange ontwikkeling; ze bewaarden nog herinneringen aan dien
grijzen voortijd, toen de Germanen in halve barbaarschheid leefden,
zooals de wilde volksstammen ongeveer van tegenwoordig. En zelfs daarvan
waren, hoe vreemd het klinken moge, bij het begin van ons tijdvak de
sporen niet uitgewischt. Ze zijn het zelfs nu nog niet geheel. Eindelijk
had ook de middeleeuwsche Kerk weder haar eigen verleden. Zij steunde
met haar rechtspraak in moeielijke huwelijksgevallen, met hare zedeleer
en hare godsdienstige opvattingen van het huwelijk op de begrippen
van de oude Romeinen, maar vooral op de leer der oude christenen en
op die van Jezus-zelven. En in dat christendom was weder veel van de
Israëlieten overgegaan. Zoo hadden de eeuwen elkander hare schatten
overgegeven. Wel mochten wij dus zeggen, dat verloving en huwelijk hun
stamboom tot in den nacht der eeuwen terug volgen kunnen.
Intusschen de lezer vreeze niet, dat wij het zóó diep zullen ophalen. Er
zal, ongezocht, in onze geschiedenis telkens van blijken. Voor ons doel
is het genoeg den toestand te schetsen, zooals hij zich bij den aanvang
onzer periode aan ons vertoont. Daar is vooreerst de Kerk, volgens wier
theorieën en practijk een goed deel der huwelijken gesloten werd. Zij
leerde, dat het huwelijk een sacrament was, »het heilige sacrament
der echtschap«, al was het dan ook het minst geestelijke der zeven
genademiddelen. Het is eene instelling tot vermenigvuldiging van wie de
sacramenten genieten, gelijk sommigen zich uitdrukten, of, anders, om
kinderen voort te brengen en op te voeden, om elkander door het leven
te helpen, en om de zonden der onkuischheid te vermijden. Het schenkt
drie genadegaven, die des geloofs, de onlosmakelijke vereeniging van
man en vrouw, die van het kroost, de verwekking en opvoeding van het
nieuwe geslacht, die van het sacrament, de genade door God den gehuwden
toebedeeld. Sommige oude schrijvers, b.v. Guillaume d'Auvergne, bisschop
van Parijs ([overleden] 1249), zien in dit laatste meer de symbolische
beteekenis van den echt, welke den echtgenooten voortdurend hunne
plichten jegens God voor oogen stelt. Want iedere ziel moet immers
met God door een geestelijk huwelijk verbonden zijn. Het concilie van
Trente, in het midden der 16de eeuw, heeft zich ook over dit onderwerp
nog eens duidelijk uitgesproken door vast te stellen, dat het huwelijk
sacramenteel was, d. w. z. onopzegbaar, zoodat noch echtscheiding noch
hertrouw geoorloofd waren, monogaam d. i. alleen bestaanbaar tusschen
één man en vrouw. Voorts heeft deze kerkvergadering de openbaarheid
van elk huwelijk geëischt (»mit licht ende geluyt«) en de openlijke
ondertrouw met de drie proclamatiën--alles als van ouds--gelijk zij de
stelling handhaafde, dat de virginiteit, de ongehuwde staat ging boven
den gehuwden, waaruit volgde, dat ook het priestercoelibaat, trots
aangewende pogingen, als vroeger geboden bleef. Nog sprak het concilie
haar banvloek uit, over wie zeggen zouden, dat aan de Kerk niet de
rechtspraak toekwam over huwelijkszaken. Want huwelijksgeschillen
plachten, waar het 't kanoniek recht gold, voor een geestelijk Hof te
worden gebracht, waarvan de leden priesters waren, zoodat zij buiten
wereldlijke berechting bleven. Dit alles dus was de bevestiging, van wat
reeds eeuwen had gegolden--eervolle herinnering aan wat de Kerk had tot
stand gebracht in eeuwen van barbaarschheid.
Het kwaad was, dat de priesterschap ten onzent in de dagen van Karel V
diep gezonken was, gelijk tal van katholieke schrijvers ons berichten,
en ook in haar opzicht over het huwelijk deerlijk was te kort geschoten
door geen aanteekening te houden van getrouwde paren, door niet te
letten op verboden graden, door zelfs niet te vragen naar de namen van
het bruidspaar. Een enkel voorbeeld daarvan geef ik uit de verslagen
van kerkvisitatiën, door de Kerk gedaan in het bisdom Utrecht aan den
aanvang onzer periode. Hier is, in het land van Culemborg, Cornelis
Thonisz., wiens huwelijk »op eenen morgenstondt te drie uren voer den
dage in presentie van heer Peeter ende heer Lubbert (vicarissen van S.
Barbara) geschiet is, sonder voergaende geboden«. Hier is de deken van
Brielle, die des nachts, na een hartigen dronk, Berthold Cranendonck
trouwt, zonder zich dat den anderen dag te herinneren. Insgelijks
in den Briel zijn Johannes Waernsz. en Maria Jansdr. getrouwd,
niettegenstaande zij elkander in verboden graad bestonden, wat ook
elders herhaaldelijk voorkomt. Het is duidelijk, dat door zulke grove
verzuimen de verwarringen vele en gevallen van verlating, bigamie en
onterving aan de orde van den dag waren.
Het was er echter verre van daan, dat alle huwelijken aldus kerkelijk
gesloten werden, zelfs dat alleen zulke huwelijken wettig zouden geweest
zijn. Veeleer kwamen nog tal van echtvereenigingen tot stand onder
invloed van de Oudgermaansche landsrechten in de onderscheiden gewesten.
Wel had de Kerk ook daar de wijding door den priester altijd geëischt,
maar de onderwerping daaraan was toch voor de wettigheid des huwelijks
nimmer onmisbaar geacht. »Vormloos« noemden juristen en priesters zulk
een verbintenis; met dat al waren zij nog in 16de eeuw zóó gewoon, dat
geen overheid ze nietig durfde verklaren. Er is ons daarom aan gelegen
deze vormlooze huwelijken nader te leeren kennen. Wij gaan het niet in
zijne oorsprongen na--enkele daarvan komen later nog ter sprake--maar
vermelden aanstonds, dat hier als beginsel gold, dat een huwelijk tot
stand kwam door den bijslaap, de copula, met openlijk uitgesproken
huwelijksbedoeling. Niet in alle gewestelijke rechten treedt dit even
ver naar voren. Op de Veluwe werd den 14den December 1538 tusschen
Gerrit van Wenckum en Anna van Eenschaten »een wetlijck hijlick und
echtschap« beraamd, »geslooten ende uytgesproken eer de trouwen ende
bijslaepen geschiet sinnen«. De vorm van het bericht doet aan een
uitzonderingsgeval denken. Noodig was voorts, dat het huwelijk plaats
had met kennis van de magen wederzijds. Ook had, ter versterking
der gelofte, de bruidegom handreiking te doen van een godspenning,
herinnering aan den, reeds bij den aanvang onzer periode, langvergeten
vrouwenkoop. Vandaar de uitdrukking »met den penning getrouwd zijn«.
Aldus gehuwden heetten een getrouwd man en wijf, in tegenstelling van de
door den priester getrouwden, die genoemd werden echte, getrouwde luiden
voor God en wereld. Van tal van andere symbolen bij het Germaansche
huwelijk als b.v., dat de jonge man het meisje tot zijne vrouw nam door,
in bijzijn van getuigen, zijnen mantel om haar heen te slaan, van deze
en dergelijke bekoorlijke uitingen van het levend volksrecht gebiedt
mijn kort bestek mij te zwijgen. Maar het zal de moeite loonen bij
enkele dezer huwelijken »zonder veel gelaats« (zooals Huig de Groot ze
nog noemt) tegenwoordig te zijn. Zeer zuiver vertoont het zich, nog heel
in 1575, in het verhaal van Lutgertje Gemminck van Vorden. Zij getuigde
voor den schout van Zutfen, dat Gerrit Keyser haar in haar ouders huis
had getrouwd in bijzijn van magen en vrienden, met verklaring van met
geene andere te zijn getrouwd en overreiking van een Embder gulden,
waarop zij »thoe hoop« d. i. bijeen gegeven waren in een herberg »und
heeft alsus mij in miinnes vaders huess beslaepenn und XXV rijdergulden
ther morgengaven gegevenn in presentie van frunden«. Jacobus Averbeeck,
onderpastoor van Spankeren had dit huwelijk als wettig erkend. Een paar
volgende voorbeelden laten reeds iets vermoeden van eene ontaarding der
instelling, al zijn ze van nog eene eeuw vroeger. In het jaar 1470
dwongen de broeders van Nese Dibboltsdr. te Arnhem zekeren Sander
van Huesselynck hunne zuster te trouwen, ofschoon hij dacht »noch een
geestlick man te worden«. Want toen zij hem bij hunne zuster betrapt
hadden, haalden zij aanstonds als getuigen Lijsbeth ten Wall en Henrick
ten Haige, trokken hun messen, namen knuppels in de hand, grepen Sander
vast en zeiden: »doet nu, gi moettet doch doen«. Daarop tastte Sander
in zijn buidel, nam een daalder en reikte dien aan 't meisje over,
zeggende: »neem aan«. Toen waren zij getrouwd. Ziethier nog eene andere
verklaring voor de Arnhemsche schepenbank van veel later, 1542. Zekere
Helmert Hartgerff en Arend woonden samen in de herberg »de Papegey«.
Op een avond was de zoon van Arent, met name Joachim, thuis gekomen,
zwaar zuchtende. Waarop Helmert hem gevraagd had, of hij gewond was, of
iemand gewond had, of misschien iemand getrouwd had? Toen had Joachim
geantwoord, dat hij Gooszens meid getrouwd had. Daarop vroeg Helmert,
»waer myt dat hij oer getrouwet hadde? Sachte Joachym ein cleyn
pennyncksken waert gewest jnd hadde nyet voel te bedieden«. Het is
duidelijk, dat deze verbintenissen hare kracht verloren hadden en,
naar de uitdrukking-zelve van Joachim, den zoon van Arent, niet veel te
beduiden hadden: door de rechtsonzekerheid kwam er allerlei ellende van.
Wil men ook dit zien toegelicht? Te Nijkerk, men schreef al 1612, wilde
Gerrit Muilert, oud 23 jaar, huwen met Anna Henricks. Hiertegen verzette
zich Encke Aerts, zeggende, dat Gerrit haar vóór zeven jaren met een
buidel geld getrouwd had en daarna twee kinderen bij haar verwekt.
Toch ging het huwelijk met Anneke het volgend jaar door. In hetzelfde
jaar en, vermoedelijk, in denzelfden familiekring speelt nog dit
huwelijksgeval. Casiin Rengers te Nijkerk, weduwnaar, wilde in het
huwelijk treden met Claesje Henricks. Maar hiertegen kwam verzet van
Griete Aerts, zeggende, dat Casiin haar met een buidel geld getrouwd
had. Zij legde een soort huwelijkscontract over, geteekend door zijne
neven. Casiin voerde hier tegen aan, dat Griete hem dien buidel in den
dronk ontnomen had en dat de neven, om een vaatje bier, dat zij hun
gegeven had, »so geattestiret«. De gereformeerde kerkeraad te Nijkerk
bracht de zaak aan bij het Hof van Gelre en dit hooge college ontzegt
Griete haren eisch en legt haar een eeuwig stilzwijgen op, niet,
let wel, omdat het Hof het schenken van den penning niet meer als
rechtsgrond wilde aanvaarden, maar omdat gedaagde had beweerd, dat
de buidel hem in den dronk ontnomen en het tegenbewijs daarvan niet
geleverd was. Griete had »haar gepretendeerde trouw nyet genouch
bewesen«. Het huwelijk met Claesje Henricks, door dit proces opgeschort,
ging 17 Maart 1616 door. Het springt in 't oog, dat de gansche, oude
huwelijkshandel, het overreiken van den penning, de kennis der magen
wederzijds, gedaald was tot een gewoon middel van verleiding, wel
meest door den man, maar dat de hooge rechtscolleges het nog als
rechtsgrond aanvaardden, als het maar wettig te bewijzen was. Werden
deze voorbeelden ontleend aan Geldersche processtukken, door den heer G.
Beernink uitgegeven, berichten uit andere oorden des lands en uit andere
kringen bewijzen evenzeer, dat nog tot op 't einde der 16de eeuw zulke
»vormlooze huwelijken« geregeld voorkwamen, waarbij, buiten den priester
om, man en vrouw zich aan elkander gaven naar de oude practijk. In
Friesche doopsgezinde gemeenten b.v. was het nog anno 1550 noodig zich
hiertegen te verzetten. Wanneer, verhaalt ons een ooggetuige, »twee
luyden malkanderen ernstelijck ende vastelijcken getrouwt ende daarop
te samen geslapen hadden, sulcks wierde bij der gemeynte voor openbare
hoererije geoordeelt ende verworpen«. Toch was dit een ernstig bedoeld
huwelijk. Op deze toestanden doelt ook veel vroeger, in 1530, de
beroemde anabaptist Melchior Hoffman, als hij 't heeft over het
avondmaal en zegt: »Soo comt dan de hooge Heere Jezus ende neemt een
broodt, gelijck een bruydegom een rinck ofte een stuk goudts ende geeft
hemzelfs sijnder bruyt metten brode ghelijck hem de bruydegom der bruyt
gheeft metten rinck«. En iets later: »...een aertsche bruyt, als sij van
haren bruydegom den trourinck ontfangen heeft, mach spreecken, siet daer
hebbe ick mijnen bruydegom, Jan, Claes oft Pieter«. In volle kracht
vertoont zich het vormloos huwelijk nog in 1575 in aanzienlijken kring,
als de Drentsche landschrijver Heimerich van Rossem trouwt met Swob
van Roorda te Joure, van Oudfrieschen adel. In bijzijn van broeders en
schoonzusters overhandigt van Rossem haar een met gouddraad bestikten
neusdoek, waarin zeventien goudstukken en twee gouden ringen, welke
laatste Swob aan haren ringvinger stak. Toen beloofde hij, dat hij haar
nooit zou verlaten, of God en de dood mochten hen scheiden (wat de vaste
formule was), de warschop of bruiloft werd gehouden en te zamen bestegen
zij het huwelijksbed, het »Beilager halten« der Duitschers. En nu
verdient het opmerking, dat, terwijl geenerlei verdere formaliteit
plaats had, toch, bij een later gevoerd proces, tegen de wettigheid van
dat huwelijk nooit eenig bezwaar is ingebracht.
Naar twee zijden leeft in den lateren tijd de herinnering voort aan
de rol, door het geldstuk bij het vormlooze huwelijk gespeeld. Aan den
eenen kant werd het (wij zagen er den aanvang reeds van) een gemakkelijk
middel tot gewone verleiding. Dat leeren ons o. a. de kluchten. In een
van 1642 zegt het bedrogen meisje:
»Ik heb trou van sijn hant! Wacht maar wat, ik sal iens binnen
treden
En halen de penning en latense voor je oogen sien.«
En nog in 1748 deze dialoog:
Hans: Aenvaerdt dees penningh. Stijn: En gij dees ring op trou.
Nu sijn wij alsoo vast gelijck als man en vrouw.
Het oude rechtssymbool--zelf weêr herinnering aan nog ouder
toestanden--had alle beteekenis en schoonheid verloren: het deed nog
slechts zijn ontadelden dienst bij een huwelijk over den puthaak. Aan
den anderen kant werd het overhandigen van den penning eene onschuldige
bruiloftsaardigheid. Bruidegom en bruid hingen elkander de helft van een
dukaton om den hals, als het kon een, waarop de beeltenis van Ferdinand
en Isabella, omdat die elkander aanzagen--onbedoelde hulde aan deze
hoogstaande vrouw. En de goudbestikte neusdoek van Heimerich van Rossem
is niet anders dan de »knotte« van fijn neteldoek, met geldstukken er
in, soms met amoureuse rijmpjes er op--het Friesch museum te Leeuwarden
bezit er aardige--door den bruidegom der bruid aangeboden.
Zoo vonden wij dan bij den aanvang onzer periode het
katholiek-kerkelijke en het vormlooze huwelijk. Doch daarmede is het
terrein der volgende geschiedenis nog allerminst voldoende verkend.
In de derde plaats moeten wij melding maken van veelvuldig ongehuwd
samenleven, of van wat wij daarvoor aanzien. Want de onderscheiding
tusschen concubinaat en vormloos huwelijk zien wij niet altijd
duidelijk, wat zelfs de betrokken personen niet altijd deden. Van de
lagere geestelijkheid geldt dat niet. Wat men ten dage van Karel V hun
concubinaat noemde, was dat ook voor het kerkelijk recht, maar voor
het geweten der meesten was het een huwelijk met al de verplichtingen
van dien, gelijk o. a. blijkt uit de testamenten en erflatingen,
waarin zulke geestelijken vrouw en kinderen hunne goederen vermaakten.
Natuurlijk leefden er in wezenlijk coelibaat, maar de meerderheid van
den lageren clerus was »gehuwd« en »ofschoon zij«--naar de treffende
woorden van den martelaar Angelus Merula--»hunne concubinen geen
echtgenoot durfden noemen, hielden zij haar toch als zoodanig in eere«,
of, om met een hedendaagsch grondig kenner der middeleeuwen te spreken,
Mr. S. Muller Fz., »de vrouwen, met wie de middeleeuwsche lagere
geestelijken leefden, waren niet de slachtoffers eener oogenblikkelijke
zwakheid, neen, zij waren in waarheid de levensgezellinnen dier
priesters, en de kerk mocht ze in voorbijgaande vlagen van rechtzinnige
strengheid »concubijnen« schelden, de term »clerici uxorati« (gehuwde
priesters) wijst op een geheel anderen band«. Hier is bovendien nog
eene onderscheiding te maken. De majorist, d. i. de geestelijke, die
de hoogere orden ontvangt, vooral diaconaat en priesterschap, kan geen
geldig huwelijk aangaan. Zijn kind is dus een »filius sacrilegus«
(in misdaad geboren). Maar de minorist, die de lagere orden ontvangt,
legt geene gelofte van kuischheid af, hij mag een huwelijk sluiten en
vandaar tal van »clerici conjugati« gehuwde, niet tot priester gewijde,
theologen, die wel b.v. aan het hoofd eener parochie-kerk mochten staan,
maar geen mis lezen en biecht hooren. Zoo was b.v. Rudolf Agricola (geb.
17 Februari 1444) de »filius naturalis« van zulk een lageren clericus,
maar--ongehuwd, en daarom was Rudolf toch buitenechtelijk geboren, wat
toen niet zoo groote smet werd geacht. Voor ons doel is het genoeg vast
te stellen, dat bij den overgang naar den nieuwen tijd ten onzent tal
van (niet kerkelijk) gehuwde geestelijken gevonden werden. Gingen zij
tot de nieuwe leer over, dan haastten zij zich nog niet altijd wettig
te huwen. Wel gold de bepaling, dat zij niet tot den kerkedienst zouden
toegelaten worden, tenzij zij »hunne concibinen of onechte vrouwen
zullen getrouwd hebben«, maar nog in 1601 bereikt ons eene klacht uit
classis Nijmegen, dat »sommige predikanten nog niet legitime met haeren
wijven getrouwd« zijn.
Al noemden wij de onderscheiding tusschen een vormloos huwelijk en
ongehuwd samenleven niet immer gemakkelijk, dat er ook veelvuldig
uiterst losse verbintenissen voorkwamen, waarvoor de naam concubinaat te
goed is, ligt voor de hand. Want maar zeer langzaam hebben de neigingen
tot veelwijverij van den man zich door wet en gewoonte tot monogamie
laten dwingen, en herhaaldelijk ontsprong de onderdrukte natuur nog aan
den band der maatschappelijke orde. Ter toelichting geef ik weder een
paar bladzijden uit de Nijkerksche doop- en trouwboeken, wel wat later
dan den eigenlijken aanvang onzer periode, nl. 1597 en volgende jaren,
maar in hare simpelheid zeer teekenachtig. Aldus:
3 Februari 1597 gedoopt:
Wolter, vader Maes Wolters, moeder Geert Reimers.
6 Mei 1599:
Wolter, vader Maes Wolters, moeder Aertgen Lamberts;
25 Nov. 1599:
Tijs, vader Maes Wolters, moeder Geert Reimers;
30 Juli 1601:
Coep, vader Maes Wolters, moeder Aertgen Claes;
5 Aug. 1602:
Reimer, vader Maes Wolters, moeder Niesgen Reimers.
Van deze vier vrouwen is Aertgen Claes de verkoren bruid, met wie Maes,
26 Juni 1603, huwelijksgeboden laat gaan. Echter staat daar in het boek
achter: »non fuere copulati« (zij werden niet getrouwd). Dit is later
weêr doorgeschrapt, »mogelijk,« teekent de uitgever dezer bescheiden
terecht aan, »na eene echtverbintenis op het sterfbed«. Van zoo mogelijk
nog losser zeden spreekt deze eenigszins ingewikkelde geschiedenis:
30 November 1595 huwelijksproclamaties tusschen Elbert Claes en Rickge
Hertgens; 17 April te voren was hun zoon Claes gedoopt. 30 Augustus 1596
weder een kind en 31 December 1598 een derde. 18 Februari 1599 gaan
nu de geboden tusschen deze Rickge Hertgens en Reynier Hendricksz. te
Putten, wat niet verhindert, dat in 1601 en 1603 twee kinderen gedoopt
worden van dezelfde Rickge en (weder van) Elbert Claes. Daarna huwt deze
laatste eene rijke weduwe, die hem een zoon Thomas en daarna nog vier
kinderen schenkt. 16 Aug. 1607 staat dan Reynier te Putten bij den doop
als vader van Paul, zonder vermelding van de moeder, maar 9 Augustus
1612 staat hij te Nijkerk in dezelfde hoedanigheid over een zoon Nael,
waarbij thans als moeder wordt aangeteekend zoowaar alweder Rickge
Hertgens. Zoo hield dan, zegt de uitgever ook van dit stuk, dit
wisselzieke vrouwmensch het tweemaal met den een en tweemaal met den
ander. Genoeg intusschen van deze dingen. Nog korter kan ik zijn over
de eigenlijke prostitutie, over de deernen, »die in 't gemeene leven
zaten, om goede gezellen te gerieven«, meestal dicht bij de stadswallen,
gelokaliseerd, door tal van keuren beperkt, nooit bedwongen. Het
onderwerp, op zichzelf van belang en met veel literatuur, eischt hier
geene nadere beschrijving.
Te midden nu van deze van ouds bestaande huwelijkstoestanden verschijnt
als nieuwe macht het protestantisme. De Hervorming heeft zeker niet,
als bij tooverslag, alle dingen vernieuwd, laat staan verbeterd--op
ons gebied heeft zij ingrijpende veranderingen tot stand gebracht. Ook
dienen wij oog te hebben voor het verschil tusschen de onderscheidene
protestantsche groepen, lutherschen, anabaptisten, zwitsersche
gereformeerden, nederlandsche sacramentisten, calvinisten--maar
op één gewichtig punt stemmen zij allen overeen: zij breken met den
ongehuwden als verheven boven den gehuwden staat en dus ook met het
priestercoelibaat. Zij ontnemen aan het huwelijk zijn sacramenteel
karakter, maar prijzen het meteen als den door God gewilden staat voor
ieder. Een van de schoonste en treffendste pleidooien voor het huwelijk
door een hervormer is de brief, waarin Heinrich Bullinger in 1527
aanzoek doet om de hand van Anna Adlischweiler, een brief dien men
niet zonder ontroering en bewondering lezen kan. Dit is inderdaad van
verreikende gevolgen geweest, wat te erkennen niet blind behoeft te
maken voor de schaduwkanten. Luther--zijn invloed in ons land bleef
trouwens tot kleine kringen beperkt--gaf in 1519 zijne »Sermon über den
Ehestand« (2de Zondag na Epifaniën, Joh. II 1-11, bruiloft te Kana),
waarin hij nog geen partij kiest voor of tegen den ongehuwden staat,
maar reeds de zedelijke waarde des huwelijks ziet in het niet slechts
verwekken van kinderen, maar ook hen opvoeden tot Gods eer. Van 1522 is
zijn »Sermon vom ehelichen Leben«, van 1523 zijne uitlegging van 1 Kor.
VII en van 1524 zijn geschrift »Dat ouders hunne kinderen niet tot een
huwelijk dwingen mogen«. Hier veroordeelt hij den ongehuwden staat, als
mogelijk alleen voor enkele hooge geesten, voor verreweg de meesten is
hij bron van alle kwaad. De natuurlijke drang der beide geslachten tot
elkander vindt in het huwelijk op Gode welgevallige wijze voldoening en
is even onergerlijk als eten en drinken. Al heeft Luther's plastische
wijze van uitdrukking hem onwaardige beoordeeling op den hals gehaald,
het is waar, dat hij de voldoening der geslachtsdrift als huwelijksdoel
zeer op den voorgrond stelt, dat hij, in zijn polemiek tegen het
huwelijk als sacrament, te weinig waarde hecht aan de officiëele
huwelijkssluiting, het vormloos huwelijk toelaat, al is het ook waar,
dat hij later strenger de openbare verloving en huwelijksverklaring
eischt. Uitspraken, waaruit blijkt, hoe hij de vrouw achtte, zijn er
vele; toch handhaaft hij in krasse termen de onderdanigheid van de vrouw
aan den man. In dat opzicht overtreft Calvijn hem nog. Ook hij prijst
het huwelijk boven het coelibaat, maar tegelijk is de vrouw den man
onderworpen, in zijne macht gegeven, zij blijft in de schaduw, oefent
geen invloed in het openbaar. Zijn warme aanhanger en leerling John Knox
gaat nog verder in zijne veroordeeling van »the imperfections of women,
their naturall weaknes and inordinat appetites«. Anastasius Veluanus,
de zuiverste vertegenwoordiger van de Nederlandsch-reformatorische
richting, zegt in zijn »Der leken wechwijzer« (1554) vooreerst, dat uit
den bijbel duidelijk de heiligheid van dezen staat blijkt. Het doel des
huwelijks is ook hem het verwekken van kinderen, die »kynder Godes unde
erffgenamen des hemels sijn sollen«; voorts het middel om onkuischheid
te mijden, want de »bekorende natuyr« laat zich niet verdringen;
eindelijk is ook hem het huwelijk »een figuir des geestelicken echten
staets tusschen Christus und onse gelovige sielen«. Over het huwelijk
geeft hij voortreffelijke voorschriften, vol fijne gedachten, hij
is gekant tegen het huwen »in heymelicken winckelen« (hoeken), daar
men er toch in 't openbaar in leven moet, fel bestrijdt hij het
priestercoelibaat: »het is God hoichlic bekoren« en verdedigt den
gehuwden predikantenstand. De denkbeelden van Veluanus zijn van groot
belang en zeker in deze landen van invloed geweest. Maar reeds een
dertig jaar vroeger, in 1525, hoor ik den Noordnederlandschen martelaar
»Dirck die rode cuper« dezelfde beginselen over de heiligheid des
huwelijks ook voor den priester verdedigen, als hij verlangt, dat »een
priester een echte wijff met kynde hebben moet eer dat hij ten outare
gaen mach ende een bisschop seven jaeren in den echtelicken staet
sal geweest sijn eer hij bisschop werden mach«. Wat eindelijk de
anabaptisten aangaat, in ons land zulk eene machtige protestantsche
strooming, de meeste hunner secten en groepen hebben het eerbaar,
monogamisch huwelijk met kracht voorgestaan en in hunne kringen in
practijk gebracht. Slechts de beruchte, dweepzieke munsterschen en naast
hen de davidjoristen en de batenburgers hebben in den aanvang d. i.
om en bij 1535 tot 1545 de veelwijverij in theorie verdedigd en in de
practijk toegepast, aldus naar de woorden van Obbe Philipsz., »die
Echte op rollen« zettende. Maar dit was eene korte verdwaasdheid.
Al hebben wij, zij 't zeer in 't kort, op deze wijze recht laten
wedervaren aan de verschillen onder de protestanten, wij zijn
verantwoord, zoo wij nu ook ten slotte nog eens samenvatten en
onderstreepen wat zij gemeenschappelijk als nieuwe beginselen en
invloeden brachten op het terrein van het 16de-eeuwsche huwelijk, dat
wij thans, al was 't vluchtig, hebben verkend. De hervorming brengt de
afschaffing van het priestercoelibaat. De gehuwde staat is edeler dan de
ongehuwde. De vrouw wordt in haar eer hersteld; zij is niet langer, naar
middeleeuwsche kerkleer, eene verlokking tot het booze: haar lichaam als
een vuur, uit haar oogenvensteren gluurt de dood; zij is niet langer,
als voor de strenge devoten, de belichaming der zonde, verderfelijk
boven alles, de poort der hel--wel te verklaren uit die ascese, die
is angst om der ziele zaligheid, welke men op geen beter wijze wist
te redden dan door de natuur in haat te hebben, met dat al de vrouw
verlagend tot een minderwaardig schepsel van lagere natuur. Het
protestantisme schept den gehuwden geestelijke, bouwt de pastorie
als middelpunt van het gemeenteleven, waaruit in de volgende tijden
(alsof de natuur zich wreken wilde over zoo langdurige verguizing en
terugzetting) zoo tal van groote mannen zijn voortgekomen, het brengt de
vrouw den man nader, tot zijn hulp geroepen. En het is, alsof zij zich
aanstonds opmaakt, om de plaats, haar ingeruimd, te bezetten. Zij zijn
opgeheven uit de lagere wereld der zondige dingen, welnu zoo willen zij
naast hare echtgenooten staan in den strijd. Het is opmerkelijk, hoe
vele vrouwen men tegenkomt op de bladzijden onzer martelaarsboeken, in
de doopersche het meest. Toen Felistis Jansdr. in 1553 te Amsterdam zou
verbrand worden »sag mense opt schavot komen suyver in de kleederen en
een wit schortekleed voor... also heeft zij hare offerhande gedaan«.
Het is mij als een zinnebeeld van de vreugde, waarmede zij haar aandeel
in het lijden voor nieuwe goederen op zich namen. Roemt vrij de naïeve
godsvrucht, de geduldige zelfverzaking van de vrouwen der moderne
devotie in de vóór-reformatorische eeuw! Hooger staan prediking en
practijk der hervorming, waardoor het der vrouw vergund werd in gezond
en natuurlijk samenleven naast den man te staan en zij, uit de
duisternis der vernedering, treden mocht in het licht van voller
waardeering.
Ons eerste hoofdstuk is ten einde. Wij hebben het terrein verkend,
zooals het zich in ons vaderland van de 16de eeuw ten opzichte van
het huwelijk aan ons voordeed. Oude en nieuwe elementen, theorieën en
rechtspractijken, gebruiken en idealen zijn te zamen gekomen. Wat zal
uit die mengeling geboren worden? Tegenover welke taak staat het nieuwe
geslacht? Welke vormen zullen staat en kerk de verloving en het huwelijk
doen aannemen? Zietdaar vragen, waarop de volgende bladzijden het
antwoord zullen moeten geven.
HOOFDSTUK II.
DE VRIJAGE.
Tot alle vereeniging, van het wettig huwelijk af tot de losse
verbintenis toe, leidt de vrijage. Het is de werving van den man om de
begeerde vrouw. Vrijen beteekent ook het minnelijk omgaan met elkander
van twee gelieven, maar ieder voelt in de taal het verschil tusschen
»vrijen om« en »vrijen met«, gelijk bij Petrus Stastok's eerste
minnekoozerij, zoo wreed door Rudolf van Brammen verstoord, de jongeling
_met_ Koosje van Naslaan vrijde en misschien wel den moed zou gehad
hebben later _om_ haar te vrijen, als de jonge wijnkooper uit de
naburige stad hem niet vóór geweest ware. Wie eene stad wil innemen moet
haar belegeren, wie de bruid voor zich wil innemen moet om haar vrijen
en aan de vrijage ontkomt alleen hij, die met voorbedachten rade het
huwelijk mijdt. Zóó waren er ook onder de vaderen, die hun goeden raad
te berde brachten en uitriepen: »gij, o, geluckige, die noch buyten
dien grouwelijcken staat zijt, schrik voor dezelve. Schu een vrou veel
meerder als de vissen den angel!« Onze letterkunde bewaart--het is waar
niet op hare fraaiste bladzijden--lange, berijmde samenspraken tusschen
een »huwelijksbeminnenden Jacob« en eene »echthatende Maria« en andere
grove en zoutelooze polemiek tegen het huwelijk. Maar gelukkig hield de
natuur het tegen het »contra« met het »pro« en de grove scherts van het
voorgeslacht spaarde zelfs de verlangende, oude vrijster niet, die op 5
December vroeg:
»O, Sunter klaasje, goed-heylig-man
Trek erais je beste, moye tabbert an!
Wat was ik in mijn schik...«
volgt eene plastische omschrijving van den huwelijken staat. Althans
leeft hier nog de, sedert verloren, herinnering aan den H. Nicolaas
als den »hijlic-man«, den huwelijkssluiter, sinds tot »heilig man«
verbasterd.
De vrijage dan, de bruidswerving, in haren wezenlijken aard zichzelve
door de eeuwen heen gelijk gebleven, vertoont in hare vormen eene
oneindige wisseling. Wij zwijgen van den grijzen vóórtijd, waarin
volgens de meesten nog geen huwelijk, waarin de agamie was, de
volstrekt ongeregelde geslachtsmenging, waarbij vrijage en huwelijk in
één oogenblik samenvielen en in één oogenblik ook weêr voorbij gingen.
Wij spreken evenmin van het roofhuwelijk, waarbij ook moeielijk aan
voorafgaande vrijage te denken valt, zeker niet bij dien ouden vorm,
dien wij nog kennen uit het verhaal van den roof der meisjes van Sjilo
door de Benjaminieten, of uit dat van den Sabijnschen maagdenroof door
de mannen van Romulus, in beeld gebracht door Bologna en later door
Begas, of uit de verzen van Homerus, als hij zingt, van wat Hephaistus'
kunst op het gedreven metaal van het schild van Achilles aanbracht:
»Bruiden, bij 't vlammende licht van de fakkels geroofd uit de
slaapzaal,
Werden gevoerd door de stad.«
Al even weinig sprake van vrijage in onzen zin is er bij het
koophuwelijk in dien ruwen vorm, waarin het zich o. a. vertoont--mogen
wij Herodotus gelooven--in de dorpen van het oude Babylonië, waar de
huwbare meisjes werden bijeen verzameld op de markt, de mannen om haar
heen. Een heraut bood ze te koop aan, bij de schoonste te beginnen. Zij
werden verkocht om te huwen (dus niet als slavinnen). En zoovelen als
er rijk waren onder de trouwlustigen joegen elkander op en kochten de
schoonsten. De leelijken werden toegewezen, aan wie met de kleinste som
te tevreden waren. Ruwer en wreeder kan het bezwaarlijk. Daarentegen
treedt de vrijage duidelijk naar voren bij de »Jacobshuwelijken«, zoo
genoemd naar Jacob, die tweemaal zeven jaren diende om Rachel, want hier
moest de vrijer dienen om de bruid, of proeven afleggen van kracht of
behendigheid. Onze Oudgermaansche sagen bewaren ons den dichterlijken
trek, dat de koninklijke vrijer zich vermomt en zich uitgeeft voor den
bode zijns konings, aldus het paleis der begeerde prinses betreedt en
zich door eigene heldendaden en die zijner dienaren, of door een lied of
een geestig woord openbaart en de koningsdochter tot vrouw krijgt. In
de longobardische sage van »Authari's bruidswerving« maakt de vermomde
koning zich bekend door de kracht, waarmede hij zijn bijl in een boom
vastwerpt. In de latere, op deze steunende, Thidhrekssage behaalt de
(weder vermomde) koning Osantrix een reeks van overwinningen op koning
Melias van Hunnenland. Dan wordt diens dochter Oda vóór hem gebracht.
»Toen zette de koning Osantrix haren voet op zijn knie en deed er een
zilveren schoen aan en hij paste, alsof hij voor haar gemaakt ware.«
Hetzelfde geschiedt met een gouden schoen. »Toen streek de prinses zich
over haar been en zeide, terwijl zij opzag: o God in den hemel, wanneer
zult gij mij zoo genadig zijn, dat ik mijnen voet alzoo op den troon van
koning Osantrix zetten mag? Toen lachte de koning en zeide: heden reeds
is het de dag, waarop God u zoo genadig is, dat gij uwen voet op den
troon van Osantrix, den koning van Wilkinenland, zetten moogt. Toen
bespeurde zij dat koning Osantrix zelf gekomen was en ontving hem
vriendelijk.« Om mijn kort bestek kan ik hier nog slechts één voorbeeld
van zulk een vrijage bijvoegen, de allerbekoorlijkste anecdote van
Theudelinde, de jonge weduwe van den genoemden Longobardenkoning
Authari. Zij zal hertrouwen, en reist haren aanstaanden gemaal Agilulf
tegemoet. Zelve reikt zij hem den welkomstbeker. »Toen hij den beker
van haar aannam en daarbij eerbiedig zijne lippen op hare hand drukte,
lachte de koningin en bloosde en zeide: hij behoefde hare hand niet
te kussen, daar hij haar wel een kus op den mond geven mocht.« Wel
terecht heeft Gibbon het in Boccacio gelaakt, dat hij in eene zijner
vertellingen, den naam dezer Theudelinde bezoedeld heeft. Maar genoeg
van deze oude vrijages.
Het ligt voor de hand, dat hoe meer de vrouw steeg in de achting der
mannen, hoe verder zij zich bevrijdde (of bevrijd werd) uit den staat
harer slavernij, hoe meer zij zich harer waarde bewust werd, ook de
vrijage grooter inspanning, fijner overleg, geduldiger toewijding
eischte, terwijl zij bovendien haar aandeel verkreeg van de zachter
wordende zeden. Maar altijd behield zij naar haren aard het karakter
van voor-zich-willen-veroveren, als het belegeren van eene vesting, als
(naar het woord van prof. Van der Vlugt) »eene taktische kunst met hare
duizend regelen en conventiën«. Zoo spreekt Breêro van de vrijage:
»... Dan wert benadert en becingelt stracx de stee
Met loopgracht en met schans, met weeren en bolwerken...«
en Johan de Witt laat zijn neef Jacob de Graaff den raad geven, dat hij
zijne uitverkorene »met een jeuchdich ende brandendt hardt sal moeten
comen aborderen, niet negligerende all 't gene de jeucht wat in 't ooge
loopt als van cierlijcke kleederen etc.« Dit laatste behoefde niemand
hun te raden: in zijn beste plunje gaat de vrijer tot den aanval over,
wandelt langs het huis zijner godin, bindt, te schemeravond, ter sluik
bloemen aan den deurklopper, staat bij het uitgaan der kerk aan de deur
om (mocht het zijn!) liefjes groet te ontvangen. Hij kent de kracht van
kleine geschenken, vergezeld van briefjes en verliefde rijmpjes, en soms
waagt hij openlijker aanval en huurt een troepje speelluiden en brengt
eene serenade voor het gesloten huis in de maanverlichte straat: schuift
eene kleine hand daar even het gordijntje ter zijde en zien de oogen
zijner koningin met welgevallen op den verlangenden jongman neder?
Voorts behoeft niemand hem te leeren, dat hij de ouders zijne hulde
betoonen moet, dat hij, als zij des avonds op de stoepbank onder de
luifel een luchtje scheppen, met breeden armzwaai den geveerden hoed
lichten en met een hoffelijk woord hen aanspreken zal. Misschien kan
hij, als één hunner hem reeds genegen is, daardoor ook het hart des
anderen vermurwen, gelijk wederom Johan de Witt van zijne eigene
vrijage om Wendela Bicker vertelt, dat hij door »de genegentheydt van
de vaeder 't geluck gehadt (heeft) de groote scrupule van de moeder
te surmonteren«. Is de lieve lente in 't land gekomen, dan vraagt de
minnaar het meisje een ganschen dag met hem uit spelevaren te gaan,
vriendinnen en vrienden zijn van de partij, de wagen met de »dappere
dravers« komt voor of de schuit wordt afgehuurd, en dan is er, in de
vrije natuur, naar 's lands zeden, overvloedig gelegenheid den aanval
te wagen op het hart van Dafne of Amaryl, met harten snijden in gladden
beukenstam, met grasjes knoopen als symbool van den huwelijksband,
met letters vlechten uit buigbare bloemstengels. Voor handtastelijker
vrijage deinsden de 17de-eeuwsche jongelieden niet terug, bij iederen
eenboogsbrug of heul klonk het »heulen, heulen« en was er het zoet
gespeel van graag gezochte en niet te spijtig toegelaten kussen, en aan
het zeestrand greep de vrijer het meisje om het middel en droeg haar
een eindweegs de golven in, om het »soete, onnoosele dier« daarna met
»sant te zouten«, weinig arcadische galanterie naar onzen smaak in het
Batavisch arcadia der vaderen, niet door allen goedgekeurd, maar als
proeve van kracht en behendigheid toch wel heimelijk toegejuicht.
Helaas, dat »Draag Roosje nu in zee« het arme kind, in Bellamy's bekend
gedicht, het jonge leven kostte. Binnenshuis, bij winteravond, waren de
kansen niet minder schoon en tal van gezelschapsspelen, vrijer en losser
dan onze preutscher tijden zouden toestaan, gaven aanleiding tot niet
te misduiden liefdesverklaring en tot, bij vooruitbetaling, al vast
ontvangen van het loon.