jongere roeiers geoefend en getraineerd door hunne oudere collega's,
leden of eereleden van de vereeniging. Het behoeft nauwelijks gezegd te
worden dat eerstgenoemd gebruik veel voor heeft. De in dienst genomen
trainers toch zijn niet alleen beproefde roeiers, of het geweest, maar
bovendien menschen die er hun beroep van maken om de fouten in eens
anders methode te ontdekken, en in de roeikunst onderwijs te geven. Dit
nu is eene kunst op zich zelf.
Het doel van de training is natuurlijk om de ploeg in den toestand
te brengen waarin zij haar toppunt heeft bereikt, en de baan in den
kortst mogelijken tijd aflegt. De engelschen zeggen dan dat men "_in
condition_" is.
Daarvoor is noodig dat de roeiers reeds vóórdat de training begint, goed
kunnen roeien. Het is een zeer verkeerd begrip, dat ze dat gedurende de
training wel kunnen leeren. Daarvoor is de tijd te kort; men moet dan
de laatste hand aan 't werk leggen, om zoo te zeggen, de puntjes op de
i zetten. Het spreekt van zelf, dat vooral bij jonge roeiers gedurende
de training de stijl zich aanmerkelijk nog zal verbeteren, maar men
mag het daarop niet aan laten komen, ze moeten reeds vóór dien tijd
geoefende roeiers zijn.
De training dient: 1º. om van de verschillende roeiers één geheel te
maken. Het is mogelijk dat ieder op zich zelf goed is, maar de ploeg
slecht; 2º. om de taaiheid der spieren, de kracht der longen en het
weerstandsvermogen van 't hart tot op 't maximum te brengen, dat ieder
der roeiers voor zich bereiken kan.
Om dit doel te bereiken, moet men zich dagelijks vele vermoeienissen
getroosten, vele genietingen ontzeggen. Hieraan is 't dan ook toe te
schrijven, dat zoo velen zich niet aan het régime willen onderwerpen.
Want dat er zijn, die van de training weinig zouden verwachten, kunnen
wij niet gelooven, wanneer de resultaten zoo helder aan den dag komen,
niet alleen op 't gebied van de roeisport, maar ook van de andere takken
van sport. Wanneer wij zien dat ~Axel Paulsen~, om wien te Leeuwarden
op zijne oefeningen de Friezen, als spreeuwen om een kraai, cirkels
beschreven, op den wedstrijd op de lange baan met glans overwon, wanneer
wij hem bewonderen als hij op het laatst even hard rijdt als in 't
begin, dan is 't onmogelijk dat wij in ernst over de training minachtend
de schouders ophalen. Moeten wij niet veeleer denken aan gemis aan
wilskracht, aan gemakzucht?
In hem, die het wel aardig vindt aan een wedstrijd deel te nemen, en
dit als een grap beschouwt, kunnen wij het verschoonen, dat hij zich
niet aan de ontberingen wil onderwerpen, en zich niet al te veel moeite
getroost. Maar den echten liefhebber van den sport strekt het tot
schande!
* * * * *
Welke zijn nu de middelen om het bovenomschreven doel te bereiken?
Wanneer wij de handboeken over den roeisport opslaan in het hoofdstuk
over de training, dan vinden wij daarin een overvloed van voorschriften,
die in de kleinste bizonderheden de dagverdeeling en de levenswijze der
roeiers in training aangeven. Behalve dat meestal hierdoor te weinig
rekening wordt gehouden met 't verschil in lichaamsgesteldheid, in
krachten, in gewoonten van de verschillende roeiers, heeft deze wijze
van behandeling bovendien deze grove fout, dat de geheele regeling te
bezwarend, ja onuitvoerbaar wordt. Het is daarom ons doel in de volgende
regelen aan te geven eene wijze van training, die het minst mogelijk
afwijkt van de dagverdeeling, levenswijze en gewoonten in Nederland
in zwang. Ieder wijzige deze naar zijne bizondere bezigheden, die hem
verhinderen haar juist te volgen, zooals ze hier zal worden aangegeven.
Ter bevordering van de regelmaat zullen wij de in acht te nemen
voorschriften in 3 cathegorieën verdeelen.
In de eerste plaats komt in aanmerking _de oefening in de boot_.
Noodzakelijk is 't hieraan de grootste zorg te besteden. Om het grootst
mogelijke nut van deze oefeningen te trekken moet men ze niet te snel
op elkander doen volgen. Twee oefeningen daags, ieder van 1½ uur, zijn
wenschelijk, een des morgens en een des avonds (daar bij ons alle
wedstrijden in den zomer plaats hebben). De slag zorge er voor, vooral
in de eerste week der training, een niet te snel tempo aan te geven,
maar zulk een, dat door allen gemakkelijk gevolgd kan worden. Men moet
nog leeren gelijk roeien, men moet aan elkander gewennen en eenigszins
dezelfde manier van roeien verkrijgen; daarvoor is 't vooral noodig dat
men niet overhaast wordt. Gaat 't niet goed, dan is 't raadzaam om een
oogenblik te rusten; in 't algemeen is 't wenschelijk op de oefeningen,
na de helft van den afstand afgelegd te hebben, 10 min. of een kwartier
te rusten. Men zal dan dikwijls bemerken, dat op den terugtocht beter
geroeid wordt dan bij 't heengaan.
Is er meer gelijkheid in de bewegingen van de roeiers gekomen, dan worde
het tempo versneld, en sommige kleine afstanden mogen zelfs met groote
krachtsinspanning geroeid worden.
Men ga er echter niet te spoedig toe over een baan op tijd te roeien;
dit bederft den stijl en vergt te veel van de krachten der roeiers.
Eerst wanneer de roeiers aan elkaar gewoon zijn geraakt, en een paar
weken van de training achter den rug zijn, dan mag er "_een baantje
geroeid worden_." Maar dit mag niet te dikwijls herhaald worden, want
eene lange oefening van 1½ uur is als regel veel beter.
Het is o. i. nuttig dagelijks een "_start_" te maken, en gedurende 1 of
2 min. het versnelde tempo te behouden. Maar men beginne ook hiermede
eerst nadat de ploeg eenige vorderingen gemaakt heeft.
Overigens is er weinig te zeggen van de wijze waarop in de boot geoefend
moet worden. Veel hangt af van de krachten der roeiers. Hiermede vooral
moet de trainer te rade gaan, en ook de bemanning zelve moet beoordeelen
hoeveel zij van haar krachten kan vergen.
Maar wij wenschten toch, vooral voor jonge roeiers, een raad te geven:
men denke niet dat hoe grooter de dagelijksche arbeid is, des te
sterker de ploeg wordt, want het gevaar voor overspanning is dan
groot. Werkelijk, 't is geen zeldzaam geval, dat men op 't einde van
de training zwakker wordt, omdat men "overtrained" is; en dit is dan
meestal 't gevolg van 't overmatig baantjes roeien.
De groote moeilijkheid, die zich bij de training voordoet, is juist
deze, dat men moet ontwijken twee klippen, aan den eenen kant te slappe
oefening, aan den anderen kant overspanning, in één woord, men moet
nabij komen aan het maximum, dat van ieders krachten kan gevergd worden,
zonder hem af te matten.
Als tweede middel tot oefening van de spieren, maar vooral van hart en
longen, diene het _hardloopen_.
Ook hiervoor geldt natuurlijk de waarschuwing tegen overspanning. Men
beginne daarom met slechts eenige minuten in kalmen draf te loopen,
en telkens op te houden, wanneer de ademhaling te moeilijk wordt.
Langzamerhand worden de afstanden grooter, en sommige daarvan met
grooter snelheid afgelegd. Op deze wijze gebruike men des morgens daags
een ½ uur. Maar deze oefening mag geen afbreuk doen op de oefening in de
boot; zoodra men bemerkt dat men spoedig vermoeid wordt bij het roeien,
moeten de oefeningen in het hardloopen ingekort worden.
Zoowel door de oefening in de boot als door 't loopen verliest men 't
overtollige vet. Dit is bevorderlijk voor de vrije werking van hart en
longen, en ook van de spieren.
Maar wij houden het voor bepaald nadeelig om nog bovendien kunstmatig te
doen zweeten door b.v. na het hardloopen in bed onder de dekens te gaan
liggen, waardoor de transpiratie nog eenigen tijd wordt voortgezet,
zooals door sommigen (o. a. ~Victor Silberer~) wordt aangeraden. Op
deze wijze verliest men krachten, zonder dat de spieren, zooals bij
het natuurlijke zweeten 't geval is, door de gezonde oefening worden
gestaald. Bovendien wordt door strenge training, op de wijze zooals
hierboven is aangewezen, van zelf het vet tot een minimum
teruggebracht.
Tot de derde cathegorie brengen wij de regels en voorschriften omtrent
de _levenswijze_ en het _dieet_ gedurende de training in acht te nemen.
Eene geregelde levenswijze, vroeg naar bed en vroeg op, is eerste
plicht. Het spreekt van zelf dat na den vermoeienden dagelijkschen
arbeid het lichaam eene flinke rust noodig heeft. Veel hangt ook hier af
van ieders gewoonte; een bepaald aantal uren is daarom niet als regel
aan te geven, maar ieder zorge volkomen uitgerust des morgens op te
staan, zonder nochtans uit luiheid na voldoenden slaap in bed te blijven
liggen.
Wat het te gebruiken voedsel betreft, zijn alle vet aanzettende spijzen
verboden, en moeten de krachtige spieren vormende gerechten gezocht
worden. Zoo zijn rundvleesch en des morgens bij 't ontbijt eieren
als hoofdvoeding te gebruiken. Ook bladgroenten zijn aan te raden;
daarentegen aardappelen, zetmeelinhoudende groenten, als boonen, erwten,
enz. kortom alle meelspijzen af te raden.
Ook vette kost, als varkensvleesch, en ook al te versch brood is
nadeelig.
Eene hoofdzaak bij de training is de onthouding van allerlei
genietingen; maar tevens zijn de voorschriften hieromtrent gegeven, die,
welke het meest overtreden worden, en waarbij men helaas! geneigd is
groote toegevendheid jegens zich zelven te betoonen.
Dat de omgang met het andere geslacht streng verboden is, laat zich
gemakkelijk begrijpen. Vele krachtige sappen worden dan door het lichaam
verloren, die het onmogelijk missen kan, want, wij hebben het reeds
gezegd, dagelijks wordt het maximum krachtsinspanning van het lichaam
gevorderd; en het is onzin te beweeren, dat men door wat meer voedende
spijs te gebruiken de krachten kan herstellen, want ook de maag moet
reeds het maximum arbeid verrichten, reeds zooveel voedsel wordt
opgenomen, als mogelijk is zonder oververzadigd te worden.
Dat 't gebruik van sterken drank en het rooken uiterst nadeelig is, het
is eene algemeen bekende zaak; 't eerste omdat het 't bloed te snel in
beweging brengt, het tweede omdat 't nadeelig op de longen werkt. Deze
moeten zooveel mogelijk zuivere lucht inademen; vandaar ook dat 't aan
te raden is, gedurende de training zooveel mogelijk in de open lucht te
zijn.
Bier is nog bovendien om deze reden verboden, omdat het vet aanzet.
't Gebruik van een enkel glas wijn, wij kunnen het eerder goed- dan
afkeuren, vooral bij het middagmaal en dan aangelengd met een weinig
water, omdat het in dezen vorm den dorst meer lescht dan zuiver water.
Dikwijls ziet men roeiers in training na afloop van hunne oefeningen
groote hoeveelheden water drinken; en dit is zeer begrijpelijk, omdat
men door 't zweeten soms een bijna onlijdbaren dorst verkrijgt; en toch
is 't zeer verkeerd daaraan zonder eenigen tegenstand toe te geven. Men
drinke nooit een glas in één teug leeg; dit lescht den dorst niet, een
oogenblik daarna gevoelt men weer bijna evenveel behoefte, en op deze
wijze wordt de maag gevuld met plassen vloeibare stoffen, terwijl de
beschikbare ruimte, om 't zoo uit te drukken, gebruikt had moeten worden
tot opneming van krachtige spijzen. Een goede raad is 't om bij 't
drinken slechts kleine slokjes van tijd tot tijd te nemen; op die manier
wordt de dorst gestild door eene betrekkelijk kleine hoeveelheid. De
ondervinding heeft ons zelf geleerd welk verrassend resultaat men door
deze wijze van handelen kon verkrijgen. Gingen wij op eerstgenoemde
wijze te werk, door met groote teugen te drinken, dan waren wij
nauwelijks tevreden met 7 à 8 glazen water bij het middagmaal. Later
zagen wij in dat dit nadeelig was, en bemerkten toen, dat door de
hierboven aanbevolen methode reeds 3 glazen onzen dorst konden lesschen.
De vraag, welke de duur van den trainingtijd moet zijn, is niet in 't
algemeen te beantwoorden. Het hangt van verschillende omstandigheden af.
In de eerste plaats van de lengte van de baan, die op den wedstrijd
afgelegd moet worden. Is deze kort, dan kan men volstaan met een korter
trainingtijd; is hij daarentegen lang, dan is ook eene langdurige
training noodig om "_in conditie_" te komen. Verder hangt de
beantwoording van de vraag af van de meerdere of mindere geoefendheid
der roeiers. Hebben deze reeds meermalen op wedstrijden medegedongen, en
dus reeds meermalen eene training medegemaakt, dan zullen ze eerder in
conditie zijn dan 't geval is met jonge roeiers, die voorzichtiger
behandeld moeten worden, kalmer moeten beginnen, en daarom langer tijd
noodig hebben. Onzes inziens zou als middelmaat kunnen dienen de tijd
van 6 weken. Maar in alle geval moeten allen reeds voor de eigenlijke
training geregeld eenigen tijd eene dagelijksche oefening hebben gehad,
daar 't lichaam anders niet voldoende in staat is om plotseling zulk
eene zware inspanning te verdragen. De overgang zou dan te schielijk
zijn.
* * * * *
Als slot van dit hoofdstuk laten wij volgen eene proeve van eene
verdeeling van den dag voor roeiers in Nederland.
Men staat 's morgens om zeven of acht uur op, al naar men de gewoonte
heeft vroeg of laat zijne legerstede te verlaten. Het lichaam wordt met
koud water geheel gewasschen, of zoo de gelegenheid open staat, even in
't water ondergedompeld, daarna met een ruwen handdoek hard afgewreven.
Vóór het ontbijt nog gaat men dan ongeveer een half uur uit en begint
zijne oefening in 't loopen op bovenvermelde wijze. Men mag zich echter
vóór het ontbijt niet te veel vermoeien; daarom is het beter, zoo men
den tijd heeft, om deze oefening zeer kort te maken, en haar in den
middag te herhalen. Men zorge steeds voor deze oefening andere kleeren
beschikbaar te stellen, die na afloop ervan uitgedaan worden, om 't
lichaam met een ruwen doek af te wrijven en schoon te droogen. Na drooge
kleeren aangetrokken te hebben, en toch vooral niet denzelfden flanellen
borstrok, gebruikt men een stevig ontbijt.
Tot 1 uur is men vrij; op dat uur begint de oefening in de boot, en deze
duurt tot half drie.
Om de lunch niet te kort hieraan te doen voorafgaan, beginne men er wat
vroeger mee, dan men gewoon is, zoodat een uur minstens verloopt na
afloop van de lunch vóór 't begin van de oefening. Het overige gedeelte
van den namiddag is men vrij. Voor zoover deze vrije uren niet bezet
zijn door bezigheden, waartoe men door zijn werkkring verplicht is,
brenge men ze door in kalme beweging zooveel mogelijk in de open lucht.
Liggen is in alle geval verkeerd.
Na het diner begint om 7 uur of half acht de 2e oefening in de boot;
deze duurt tot half 9 of 9 uur. Niet te kort voordat men zich te ruste
begeeft wordt nog een matig avondmaal gebruikt, bestaande uit niet te
zware spijzen; om half 11 of 11 uur gaat men ter ruste.
Het zal niet voor iedereen mogelijk zijn deze dagverdeeling te volgen,
maar, wij herhalen het, hij wijzige ze dan naar de eischen van zijne
werkzaamheden, zooveel mogelijk echter zóó, dat de lichamelijke arbeid
over den geheelen dag wordt verdeeld.
Het komt ons voor dat wie, zooveel in zijn vermogen is, dezen leefregel
volgt en daarbij de andere gegeven voorschriften nakomt, het onschatbare
genoegen zal smaken dagelijks zijne vorderingen te bemerken, en telkens
bij de oefeningen zich sterker en veerkrachtiger te gevoelen. Met
zelfvoldoening zal hij op 't einde van de training kunnen terugzien op
den zoo goed gebruikten tijd, waarin hij zijn lichaam gehard, zijne
wilskracht gestaald en zijn levenslust opgewekt heeft. Met een kalm hart
en een gerust geweten zal hij op den dag van den wedstrijd op de baan
verschijnen, die voor hem wellicht roemvol zal worden!
[Decoratieve illustratie]
[Decoratieve illustratie]
ZESDE HOOFDSTUK.
DE WEDSTRIJD (_race_, _course_, _rennen_).
Eindelijk is dan de lang verwachte dag aangebroken, die door eene
overwinning of eervolle nederlaag de kroon op het werk zal zetten.
Velen zijn van meening, dat de roeiers op den dag vóór den wedstrijd
denzelfden leefregel moeten volgen, dien zij den ganschen trainingtijd
hebben gehad; dus de loopoefening, roeioefeningen, enz. ook dien dag
waarnemen. Anderen raden aan, dat eene raceploeg dien dag in volkomen
rust moet doorbrengen om op die wijze als 't ware dubbele krachten voor
den wedstrijd zelf te verzamelen.
Wij zijn het meer eens met de laatsten en kunnen deze methode bij
ondervinding als de beste aanbevelen. Een eindje kalm roeien is dan
goed, maar alle inspanning moet vermeden worden.
Wat dus nog al eens in de laatste weken van dien tijd gedaan wordt,
"_het zoogenaamde baantje roeien_", mag op den dag vóór den wedstrijd
volstrekt niet geschieden.
Het beste is om alsdan met kalmen slag de baan een paar keeren af te
roeien, zoowel voor den stuurman om zijn koers voor den volgenden dag
vast te stellen, als voor de roeiers om zich te oriënteeren en aldus
in staat te zijn gedurende den strijd hunne krachten verstandig te
verdeelen.
Op den voorgaanden dag dus nooit de roeiers afmatten!
Twee uren vóór den aanvang van den wedstrijd gebruiken de roeiers een
stevig, maar niet overvloedig maal, bestaande uit vleesch en eieren;
en daar de wedstrijden bij ons te lande meestal te 1 ure aanvangen kan
dit maal dus gevoeglijk als lunch gelden, en zal er een kop koffie bij
kunnen gebruikt worden.
De stuurman begeve zich intusschen, zoo hij dit den vorigen dag nog
niet gedaan heeft, naar de regelingscommissie om alle noodzakelijke
inlichtingen aangaande afgaan, baan, draaiboeien, passeeren der winboei,
enz. te verkrijgen.
Na dan een uurtje met praten te hebben doorgebracht, wordt het al
spoedig tijd zich naar het terrein van den strijd te begeven, de boot
te water te laten en een oogenblik met kalmen slag op en neer te roeien
om de spieren wat lenig te maken.
Daarna gaan de roeiers op een beschaduwd plekje zitten tot het nummer
aan den seinpaal wordt geheschen, dat den wedstrijd aankondigt, waarin
zij zullen mededingen. Mochten zij alsdan dorst of liever een droge keel
hebben, zoo zal een slok spuitwater geen kwaad doen. Men moet echter
op den dag van den wedstrijd niet drinken, zoo men er geen bepaalde
behoefte aan heeft, en ook dan nog de kleinste hoeveelheden.
De ploeg stapt dus in, zorgt dat de sliding-seats goed loopen; dat het
stootleer van den riem goed, doch niet al te rijkelijk gesmeerd is; dat
de spoorplank goed vastzit; dat de voetriem geen gevaar loopt te breken;
dat de kleederen niet kunnen knellen, doch vrij en los om het lichaam
zitten. Nauwlettendheid is hierbij noodig, daar op alle wedstrijden
slechts ongevallen, die door de schuld van mededingers zijn veroorzaakt,
recht tot reclame geven. De stuurman zorgt, dat zijne stuurlijnen niet
doorgesleten zijn op het juk van het roer, dat zijn zitkussen stevig op
den bank bevestigd is, zoodat hij er niet mede naar de zijden kan
glijden.
Hij bespreekt nog even met den slag eenige zaken, die zij op den vorigen
dag hebben overgelegd b.v. welke theorie te volgen met het afgaan, welke
draaiboei te nemen, zoo men de keus heeft, op welke punten spurts te
maken, enz.
En daar ligt dan de boot aan de afvaartsboei, wachtende op het schot.
De stuurman heeft beide stuurlijnen in zijn eene, de afvaartsboei in de
andere hand, gereed om deze los te laten zoodra het schot afgaat en dan
de stuurlijnen terstond op de gewone wijze in handen te nemen.
De roeiers moeten zwijgen en op elk woord van den stuurman letten, die
natuurlijk zorgt de boot recht te houden in den voorgeschreven koers en
daartoe nu bakboord dan stuurboord iets zal laten ophalen of strijken.
De roeiers zien met voorovergebogen lichaam en gestrekte armen recht
voor zich uit en hebben slechts op den slag te letten om tegelijk met
hem te kunnen beginnen. Daartoe houden zij dan ook voortdurend het blad
van den riem in het water.
Wij herhalen het: de roeiers moeten letten op den slag en niet op het
schot. Zoo allen op het hooren van het schot willen afgaan, zal de start
nooit zoo regelmatig zijn, als wanneer zij slechts op den slag en op
niets anders om zich heen letten.
De slag vangt het schot op d. i. hij moet niet wachten, tot het schot
heeft weerklonken, doch als 't ware tegelijk met het afgaan ervan zijn
slag beginnen. Op dat oogenblik werpt de stuurman de afvaartsboei flink
zijwaarts van zich af, zoodat deze in het water en niet in de boot
terecht komt. Wij hebben meermalen gezien, dat de stuurman dat touw, aan
het einde gewoonlijk van een stuk kurk voorzien, in plaats van in het
water, achter zich in de boot wierp, waar het om een latje slingerde en
de boot vasthield. De roeiers moesten dan eerst zich aftobben om door
wanhopig rukken dat weerspannige touwtje of het latje waarom het zich
gedraaid had, stuk te trekken, vóórdat zij zich op weg konden begeven.
Wij behoeven niet te zeggen, hoe zulk een oogenschijnlijk klein en
vergeeflijk verzuim van een stuurman een zes weken langen arbeid kan
vruchteloos maken.
Dus het schot heeft weerklonken en pijlsnel schiet de boot voorwaarts.
Van dat oogenblik af hebben de roeiers slechts op den slag te letten;
zoo hij het tempo versnelt, moeten zij hem hierin terstond volgen; zoo
hij het aantal slagen vermindert, ook hierin één met hem zijn; van
praten onder den wedstrijd mag geen sprake zijn; slechts de slag zal nu
en dan aan den stuurman zijn wil door een wenk te kennen geven, zoodat
deze laatste op elke beweging van den slag moet letten, geene vragen aan
hem zal doen, waarop het antwoord uit eenige woorden moet bestaan, doch
zijne vraag aldus inkleeden, dat een knik van den slag voldoend antwoord
is.
Op wedstrijden heeft ieder wel stuurlieden in functie gezien, die
door ontzettend te schreeuwen hunne roeiers aanvuren en schor van die
inspanning aan land stappen. Dat schreeuwen is natuurlijk tot niets
nuttig en zal slechts den lachlust van het publiek kunnen opwekken. Wèl
kan het kwaad doen: namelijk de roeiers reeds in het begin tot te groote
inspanning verleiden, en niets is op een wedstrijd gevaarlijker dan dat.
Daarom, stuurman, spreek kalm tot uwe roeiers. Het zullen natuurlijk
meestal personen zijn, die gij goed kent, zoodat gij allicht weet, welke
snaren in hun gemoed moeten worden aangeroerd om hun moed in te
boezemen; en dan zal het wèl zooveel indruk maken, zoo gij hen dit kalm
en flink toevoegt, dan indien gij met een rood gelaat als een bezetene
zit te brullen en te springen.
Thans nog het een en ander over het afgaan.
Vraagt men, wat beter is: terstond alle krachten in te spannen om van
den aanvang af de leiding op zich te nemen of in het begin niet al te
veel "er op te zetten", teneinde dan later te toonen wat men kan, zoo
zouden wij hierop in het algemeen geen antwoord willen geven, maar wel
na eerst de ploeg te hebben leeren kennen, waarvoor het gevraagd wordt.
Eene ploeg, uit zenuwachtige personen bestaande, zal, zoo zij vóór is,
al terstond rustiger gestemd worden en dus beter samenwerken. Voor
zulke roeiers is het derhalve wel wenschelijk, om, zoo het niet al te
veel inspanning moet kosten, reeds in den aanvang vóór te komen. Vooral
voor jonge roeiers dus zal dit meestal verkieslijk zijn.
Wat daarentegen ervaren, bedaarde roeiers betreft, die er zich in 't
minst niet om bekommeren of zij aanvankelijk vóór of achter zijn, die
met een glimlach toezien hoe hunne tegenstanders in woeste vaart hen
voorbijvliegen en hunne krachten in het begin verspillen, zulke roeiers
zouden wij altijd aanraden flink maar kalm af te gaan.
Wij hebben eene bepaalde baan steeds in korteren tijd afgelegd, wanneer
wij bedaard vertrokken en al ons kunnen in het laatste gedeelte legden,
dan zoo wij hard afgingen en de baan, naar ons gevoel althans, toch ook
konden uitroeien.
Het spreekt van zelf, dat ook dat kalm afgaan en krachten sparen voor
het laatst niet moet overdreven worden. Ook dan kan men in een fout
vervallen, die de overwinning kosten kan.
Op de verstandige verdeeling der krachten komt dus veel aan.
In andere landen zijn meestal alle roeivereenigingen tot een bond
vereenigd, die reglementen voor wedstrijden vaststellen, welke dus voor
al die vereenigingen bindend zijn. Bij ons is dit niet het geval, en
laat elke vereeniging, die een wedstrijd uitschrijft, op het programma
tevens de voor dien wedstrijd geldende bepalingen drukken.
Het is misschien wenschelijk, dat de jaarlijksche vergadering te
Amsterdam dit punt eens op haar programma plaatste, n.l. het vaststellen
van een reglement voor roeiwedstrijden, uitgeschreven door nederlandsche
R. of Z. vereenigingen.
Eenige bepalingen, die algemeen zijn aangenomen, vindt men op elk
programma terug, o. a. hetgeen wij over het recht tot reclame zeiden.
Op een paar willen wij nog wijzen: