Zoo de roeier zich te veel achterover geeft, zal het einde van den slag

zeer zwak zijn, want de hefboom van zijn riem wijst naar zijn borst, en

moet dus naar den binnenkant van zijn lichaam getrokken worden. Want

indien het binneneinde van den riem zóó lang was, dat het handvat naar

zijne borst getrokken kon worden, ook al was hij evenmin achterover

gezwaaid, dan zouden al weder zijne armen buiten de richting van het

lichaam vallen op het oogenblik, dat de riem een rechten hoek met het

boord vormt, juist op het punt waarop de uitwerking van de ingespannen

kracht het grootst is. Bij den sculler daarentegen snijden de rechts

en links werkende krachten elkaar in het middenpunt der breedte van de

boot, zoodat het lichaam steeds in de richting der kiel kan blijven

werken, ook al is het nog zoo ver achterover gestrekt.

Eene zaak van gewicht is nog deze:

Bij het scullen is het nog meer noodig dan bij 't gewone roeien, dat

de armen na het einde van den slag in eens gestrekt worden; de handen

moeten bliksemsnel naar voren worden geworpen om eene aanraking met de

knieën te voorkomen; voor deze aanraking bestaat nl. bij het scullen

meer gevaar, daar de handen, niet op gelijke hoogte, maar de een boven

de andere over de knieën worden gebracht.

Deze beweging, juist uitgevoerd, zal de schouders terugbuigen en de

vrije ademhaling bevorderen.

~Walter Bradford Woodgate~ geeft nog eene andere afwijking aan van de

regels gegeven voor 't gewone roeien.

Hij zegt nl. dat een sculler op 't einde van den slag niet de sculls

naar zijn lichaam moet trekken, maar 't lichaam aan de sculls optrekken,

dus juist iets doen wat bij 't roeien met één riem streng verboden is.

Als redenen voor deze afwijking worden opgegeven de volgende argumenten:

1º. Bij het scullen wordt een langer slag gemaakt, het bovenlijf wordt

verder achterover gezwaaid, zoodat een extra kracht noodig is om het

weer op te heffen. De buik- en lendespieren zullen dus overmatig worden

ingespannen, zoo zij niet ondersteund worden, doordat 't lichaam aan de

riemen wordt opgetrokken.

2º. Het gewicht van het bovenlijf wordt, zoodra de sculls 't water

verlaten hebben, op de lendenen overgebracht. Is nu het lichaam op dat

oogenblik ver achterover gestrekt, dan zal het gewicht rusten op het

voorste gedeelte van de boot, waardoor de boeg "_dompt_," 't geen de

vaart vermindert. Trekt men echter 't lichaam aan de riemen op, dan zal

het gewicht eerst op de boot drukken wanneer 't lichaam weer een eind

voorwaarts is opgeheven, en dus niet meer zoover achterover ligt, zoodat

het gewicht niet zoover vóór in de boot komt.

Niettegenstaande onze achting voor de kundigheden van den bekenden

engelschen schrijver over de theorie van 't roeien, kunnen wij ons toch

geenszins vereenigen met de door hem voorgestane meening.

Onzes inziens is zijn betoog niets anders dan eene cirkelredeneering.

Zij komt hierop neer: de sculler moet verder achterover zwaaien dan de

roeier aan één riem; hieruit zullen twee gevolgen voortkomen:

1º. Wordt grooter krachtsinspanning vereischt om 't lichaam weer naar

voren te zwaaien, 2º. 't gewicht wordt na 't einde van den slag, zoodra

de riemen uit 't water gelicht worden, meer naar 't voorste gedeelte van

de boot verplaatst, waardoor de boeg zal dompen.

Om nu deze beide nadeelige gevolgen te voorkomen, moet dienen de

aanbevolen beweging, waarbij 't lichaam door de kracht van de armen

aan de riemen wordt opgeheven, want zoo zal men de voorwaartsche zwaai

vergemakkelijken, en dus krachten besparen, en tevens 't dompen der boot

voorkomen.

Volkomen waar; maar men vergeet dan, dat dit alles geschiedt ten

koste van de lengte van den slag, want stel dat de sculler zijn

achterwaartsche zwaai maakt totdat zijn lichaam den stand heeft van

_a c_ op hierbovenstaand figuur, maar hij trekt zich op 't einde van

den slag aan de riemen op, zóó dat op 't oogenblik dat zijne handen bij

zijne borst komen, 't lichaam den stand _a b_ heeft, dan wordt de slag

niet doorgetrokken tot punt _e_, maar tot punt _d_.

[Illustratie: Fig. 12.]

En waartoe dient nu de achterwaartsche zwaai tot _a c_, wanneer de slag

er toch niet langer door wordt, dan wanneer de zwaai gegaan was tot

_a b_? Immers nergens voor; want, hetzij men zich achterover geeft tot

_a c_, maar zich weer optrekt tot _a b_, hetzij men eenvoudig slechts tot

_a b_ achterover zwaait, in beide gevallen zal 't gewicht even ver naar

voren in de boot verplaatst worden, en ook zullen in beide gevallen de

buik- en lendespieren de voorwaartsche beweging moeten volbrengen van af

_a b_.

De redeneering van ~Woodgate~ loopt dus in dezen cirkel:

De slag moet langer gemaakt worden van _d_ tot _e_, maar om de daaruit

voortvloeiende nadeelen te niet te doen, geeft hij middelen aan de hand

waardoor de slag weer ingekort wordt tot _d_.

Is het dan niet eenvoudiger en dáárom beter, omdat de verdere zwaai

achterover bespaard wordt, om slechts tot _a b_ achterover te vallen?

Onze conclusie is dus deze: men moet zóóver het lichaam achterover

zwaaien, dat de voordeelen van de meerdere lengte van den slag de

nadeelen daaruit voortvloeiende nog overtreffen, en niet aan de nadeelen

trachten te ontkomen door middelen die den slag feitelijk korter maken;

want dit is met een omweg naar 't doel streven.

* * * * *

Er doen zich bij het scullen nog eenige eigenaardige moeilijkheden voor,

waarmede beginners soms zwaar te kampen hebben.

1º. De sculls loopen over een afstand van 5 à 6 cM. over elkaar heen,

waardoor het in 't begin moeilijk is het tegen elkaar stooten der handen

te vermijden. De eene hand moet dus hooger dan de andere gehouden

worden; het is geheel onverschillig welke hand men boven, welke onderaan

houdt. Maar men werpe ze toch tegelijk naar voren, zoodat de sculls

tegelijk in 't water komen, en het ook tegelijk weer verlaten.

Om het afglijden der handen te verhinderen, legge men het bovenlid van

den duim tegen het uiteinde van de scull aan.

2º. Door de geringe breedte zal de boot spoedig aan 't "_rollen_" gaan,

en de sculler zal dit trachten te verhinderen door bij het scheren de

bladen der sculls over 't water te laten gaan. Dit nu is verkeerd. Bij

't einde van den slag moet hij de sculls flink uit het water lichten en

ze naar achteren brengen zonder de oppervlakte van 't water te raken.

Dit is echter niet gemakkelijk, en eerst na oefening zal men zijn

evenwicht leeren bewaren.

Dikwijls wordt in het handvat van de scull een of twee ons lood gegoten

om op het vereischte oogenblik gemakkelijker het blad uit het water te

kunnen lichten en terug te brengen, zonder de oppervlakte van het water

aan te raken.

3º. Eene kunst die de sculler ook noodzakelijk moet leeren, is: zijn

vaartuig _in den koers te houden_. In 't eerst zal hij daartoe telkens

omzien, en zoodoende alras de handigheid verkrijgen om _alleen het

hoofd_ om te wenden, zonder daarbij met roeien op te houden. Op wateren

waar weinig of geen scheepvaart is, zal men dikwijls kunnen volstaan

met de oogen steeds op den achtersteven gericht te houden, nadat men

dezen eenmaal in de gewenschte richting heeft gebracht. Elke afwijking

zal terstond in het kielwater zichtbaar worden. Bovendien heeft het

gadeslaan van den achtersteven dit voordeel in, dat de sculler steeds

't werk zijner handen zal kunnen nagaan.

De stuurtoestellen verlichten 't werk zeer, als het noodig is de boot

weer in de vereischte richting te brengen, maar toch is het beter eerst

eenigen tijd dit toestel _niet_ te gebruiken. Het gemak, waarmee men

door een lichten druk van den voet eene afwijking der boot herstelt,

verleidt den sculler allicht om de gelijkelijke arbeid der handen te

veronachtzamen, en telkens zijn toevlucht te nemen tot 't stuurtoestel.

Het roer nu vertraagt den gang der boot door den tegenstand van 't

water. Hoe minder het dus gebruikt wordt, hoe beter.

Zijn alle moeilijkheden overwonnen en heeft men zich een goeden stijl

als sculler eigen gemaakt, zoo kan men zich vleien met het bewustzijn

een hoogen trap van volmaaktheid in de schoone roeikunst bereikt te

hebben.

[Decoratieve illustratie]

[Decoratieve illustratie]

VIERDE HOOFDSTUK.

HET STUREN EN DE STUURMAN (_coxswain_, _barreur_, _Steuermann_).

Evenals men den roeiliefhebber toeroept: "leer zwemmen vóórdat gij in

de boot plaats neemt," raden wij den aanstaanden _stuurman_ aan om te

leeren roeien alvorens de stuurlijnen ter hand te nemen.

Dikwijls komt het voor, dat iemand, door liefde tot de stuurmanskunst

aangetrokken, lid eener roeivereeniging wordt en dan maar terstond

als stuurman in eene boot plaats neemt zonder zich de moeite te willen

getroosten eerst te leeren roeien; immers, aldus redeneert hij, roeien

en sturen zijn geheel verschillende kunsten en hebben niets met elkaar

gemeen.

Wij behoeven zeker niet te zeggen, welke gevaren een ploeg, door zulk

een stuurman gestuurd, bedreigen.

Daar zit hij dan op den stuurbank in eene gedwongene houding, onbekend

met de kommando's, bij elken slag met het bovenlijf naar voren

slingerende, dan naar bakboord dan weer naar stuurboord glijdende, bij

de minste afwijking van den boeg zóó hevig aan een der stuurlijnen

trekkend, dat de boot plotseling veel te ver naar de andere zijde

vliegt, en bij het minste gevaar aarzelend en gereed om de stuurlijnen

te laten glippen.

Neen, eerst leeren roeien en dan sturen zij ieder aangeraden.

Een roeier zal, wanneer hij op den stuurbank plaats neemt, zijn

bovenlijf recht gestrekt houden en zorgen dat de boot niet naar ééne

zijde overhelt, daar hij als roeier geleerd heeft hoe lastig dit voor

de roeiers is. Hij zal een vast punt in de verte in het oog houden en

daarop steeds aansturen, daar hij als roeier heeft ondervonden, hoe het

zigzag sturen de roeiers afmat en den gang der boot vertraagt. Hij zal

de stuurlijnen steeds gestrekt houden, daar hij hierdoor alleen de boot

haren rechten koers zal kunnen doen behouden.

Verder moet de stuurman zijne beenen als een Turk gekruist houden en de

knieën zoover mogelijk uitgespreid. Tevens zal hij zooveel mogelijk

onbeweeglijk zitten en niet elke beweging der boot volgen; dat hij bij

elken slag door de meegevende beweging van het bovenlijf de snelheid der

boot zou bevorderen, is louter fictie; immers zal hij bij het einde van

den slag dezelfde beweging weer achterwaarts moeten maken om zijne

gewone positie te herkrijgen en dus daarbij ook de snelheid der boot

weer verminderen. Het eenig gevolg van dat heen- en weerslingeren is

dus, dat hij door onvast op den bank te zitten de roeiers in hunne taak

zal hinderen en door onbedoelde rukken aan een der stuurlijnen den gang

der boot kan belemmeren.

Ieder stuurman behoort verder met de volgende regels bekend te zijn:

1º. eene boot, die stroomopwaarts gaat, moet aan den oever blijven en

elke boot, die zij ontmoet, aan den binnenkant, d. w. z. in het midden

van den stroom laten passeeren.

2º. eene stroomafwaarts varende boot houdt het midden van den stroom en

laat eene haar ontmoetende boot aan den buitenkant voorbijgaan.

3º. eene boot, die eene andere boot inhaalt, moet voor deze uithalen om

te passeeren, terwijl de ingehaalde boot ongestoord haren koers kan

vervolgen.

4º. ontmoeten twee booten elkaar op niet stroomend water, zoo wijken

beiden naar stuurboord uit en ieder laat dus de andere aan bakboord

passeeren.

5º. eene boot met stuurman moet uitwijken voor eene boot, die zonder

stuurman vaart.

6º. eene roeiboot moet steeds voor eene zeilboot uitwijken.

7º. een tweeriems moet voor een vierriems--een vierriems voor een

zesriems--en deze weer voor een achtriems uitwijken.

Dit over de plichten van den stuurman in het algemeen.

Thans nog het een en ander over de taak, die hij op wedstrijden heeft te

vervullen.

Raceroeiers noemen den stuurman wel eens een noodzakelijk kwaad, en

vooral de Franschen en Belgen schijnen deze meening zeer te zijn

toegedaan, waarom zij dit kwaad maar zoo klein mogelijk trachten

te maken en met de kleinste exemplaren van het genus "stuurman" op

wedstrijden verschijnen. Gewoonlijk zijn het kinderen van 25 à 30 kilo,

aan wie in die landen op wedstrijden het roer wordt toevertrouwd. Dat

zulk een knaap slechts pro forma in de boot zit ingevolge het reglement,

dat een wedstrijd voor "booten _met_ stuurman" heeft uitgeschreven,

spreekt van zelf, daar de slag in werkelijkheid het bevel voert en hem

gedurende den ganschen kamp instructies moet geven.

Het voordeel van dezen maatregel ligt voor de hand: de roeiers hebben

minder ballast mee te trekken en de snelheid der boot kan daardoor

grooter zijn.

Doch ook de nadeelen, die uit die instelling voortvloeien, zijn niet

gering te schatten.

Zoo de wedstrijd op een water, dat zeer onstuimig is of waar vele

vaartuigen de baan her- en derwaarts doorkruisen, plaats vindt, zullen

kinderen al zeer slechte leiders zijn op dat moeilijke pad, en

ongelukken zullen allicht voorkomen.

Een goed stuurman kan door eene juiste kennis van den invloed van wind

en stroom op den gang der boot zijn ploeg menigen omweg en veel

krachtsinspanning besparen.

Wanneer wij bedenken, hoevele wedstrijden met eene bootslengte of minder

gewonnen zijn, dan is het duidelijk, dat een goed stuurman, die de boot

iedere afwijking, hoe gering ook, bespaart, en van elken gunstigen

toestand van wind of stroom onmiddellijk partij weet te trekken, in

vele gevallen voor een groot deel tot de overwinning heeft bijgedragen.

En hoe kan men dit van een kind eischen? Hoe kan men in een kind die

tegenwoordigheid van geest, dien vasten wil, dat vlug begrip verlangen,

die zoo noodzakelijk zijn tot het vormen van een racestuurman in den

waren zin van het woord? Wij herinneren den lezer slechts aan de wijze,

waarop door belgische ploegen op wedstrijden de boeien worden gemaakt,

waarbij zij steeds een eind tegen nederlandsche ploegen verliezen.

Ook zouden wij er op kunnen wijzen, hoe bespottelijk het is op

wedstrijden in genoemde landen den slag voortdurend tegen zijn "petit

barreur" te hooren schreeuwen en onophoudelijk te zien omkijken, in

plaats van op het tempo zijner slagen en de conditie zijner mederoeiers

te letten. Door dat geschreeuw èn van den slag èn van den stuurman, die

zonder ophouden zijn "tirez donc" laat hooren, worden ook de ooren der

toeschouwers op een allesbehalve welluidend concert vergast.

Neen, in dat opzicht is het in Nederland beter.

De gecombineerde vergadering van alle nederlandsche roeivereenigen, in

1885 te Amsterdam gehouden, heeft besloten, dat op onze wedstrijden

slechts stuurlieden worden toegelaten, die minstens 60 kilo wegen,

zoodat hierdoor het kwaad voorkomen wordt, dat sedert jaren in Frankrijk

en België voortwoekert.

Het is dus wel te verwachten, dat men binnenkort in België ons voorbeeld

volgen en een niet te laag minimum-gewicht voor den racestuurman zal

vaststellen.

Het is namelijk noodzakelijk, dat deze taak door iemand wordt

waargenomen, die in staat is met vaste hand den koers der boot te

bepalen, van elk voordeel partij te trekken, den roeiers op den

wedstrijd moed kan inboezemen en hen, zoo zij verslappen, met nieuwe

krachten weet te vervullen en tot de uiterste inspanning aan te sporen.

En in dat geval, is de stuurmanskunst eene edele kunst en kan de

stuurman met evenveel recht trotsch zijn op zijne behaalde medaille als

de roeier op de zijne.

Verkiest men echter zonder stuurman te roeien, zoo kieze men

wedstrijden voor booten, die door een der roeiers worden gestuurd, doch

trachte niet den edelen roeisport te verlagen door gehuurde kinderen in

de boot te nemen en aldus een voordeel op zijne tegenpartij te erlangen.

In vele landen is het roeien in booten, voorzien van een _stuurtoestel_,

(_steering-apparatus_), reeds doorgedrongen.

Het is eene amerikaansche uitvinding, die het gemis van een stuurman

mogelijk maakt door diens taak aan een der roeiers op te dragen. Op de

spoorplank van een der roeiers namelijk is een toestel aangebracht, dat

met de stuurlijnen in verband staat en den roeier in staat stelt de boot

met zijne voeten naar rechts of links te wenden.

Er zijn drie soorten van dit stuurtoestel, die allen, hoewel in

hoofdzaak aan elkaar gelijk, in samenstelling een weinig verschillen.

Het beste wordt vervaardigd door ~Searle & Sons~ te Londen.

Het spreekt van zelf, dat het gebruik van dit toestel van den roeier

groote vaardigheid vereischt, zoodat het in eene meerriemsboot

gewoonlijk aan den bekwaamsten roeier wordt opgedragen.

[Decoratieve illustratie]

[Decoratieve illustratie]

VIJFDE HOOFDSTUK.

Multatulit fecitque puer, sudavit et

alsit, abstinuit venere et vino.

DE TRAINING.

Een enkel woord vooraf over de keuze der roeiers en over de

samenstelling van eene ploeg is hier op zijne plaats. Dikwijls wordt

bij de samenstelling van eene raceploeg meer gelet op physieke kracht

dan op vaardigheid in 't roeien. Men gaat dan van 't denkbeeld uit,

dat degenen, die men gekozen heeft om hunne sterke spieren, met eenige

oefening zich een goeden stijl wel eigen zullen maken.

Het is gemakkelijk aan te toonen dat deze wijze van handelen onjuist is,

en wel om de eenvoudige reden dat de grondstelling waarvan men uitgaat,

nl. dat ieder door oefening eene goede methode van roeien zich zal

kunnen eigen maken, met de waarheid in strijd is. Er zijn er, die nooit

leeren roeien, er zijn er ook, die slechts door langdurige oefening het

tot op een zekere hoogte brengen.

Daarom is het raadzaam in de 1e plaats te letten op den aanleg voor en

de vaardigheid in 't roeien, en slechts in de 2e plaats in aanmerking te

nemen de physieke kracht.

Overigens is over de lichamelijke vereischten voor een roeier weinig

te zeggen. Het spreekt van zelf dat goede longen en een normaal werkend

hart onmisbaar zijn. Heeft men die niet, dan is zelfs eene proefneming

om de vermoeienissen der training te doorstaan reeds gevaarlijk voor

de gezondheid, terwijl de ploeg door het uittreden van een der leden

gedupeerd is, daar men nu met een ander opnieuw zal moeten beginnen te

oefenen.

Twijfelt men daarom maar eenigszins aan de volkomene gezondheid van een

der genoemde organen, dan doet men goed zich vooraf door een medicus te

doen onderzoeken.

Groote spierkracht, wij hebben het reeds gezegd, is geen

hoofdvereischte. Tot bewijs van deze bewering beroepen wij ons op het

feit dat zoovele groote roeiers van mindere lichaamskracht zich den baas

hebben getoond van anderen, die over veel grooter physieke kracht konden

beschikken. Een treffend voorbeeld is geweest ~Robert Coombes~, een man

van zeer kleine gestalte en slechts 56¼ K.G. wegende, die in 1846 het

Championnaat van Engeland won, en de eerste roeier van zijn tijd was.

En nemen wij ~Hanlan~ zelf, welk verschil van lichaamskracht bestaat er

niet tusschen hem en ~Trickett~, ~Laycock~, ~Ross~ en andere reuzen,

die allen voor hem 't onderspit moesten delven. En ook onder de

eerste amateurs kennen wij immers roeiers die, ten opzichte van hun

lichaamskracht, niet boven 't middelmatige gingen, b. v. ~Mr. Lowndes~

van Oxford, die eenige jaren het Championnaat van de Thames wist te

veroveren.

Maar hiermede willen wij geenszins aantoonen dat groote spierkracht van

geen nut is. Zeker zal, wanneer bij 2 roeiers alle voordeelen gelijk

zijn, de grootere kracht bij den één de schaal naar zijn kant doen

overhellen. Maar ze is niet van zooveel gewicht als men over 't algemeen

gelooft, en in geen geval kan ze in de plaats komen van 't gemis aan

eene goede methode van roeien. Men zorge echter bij de keuze van roeiers

niet gedecideerd zwakke personen te nemen, daar het noodig is dat ze

gedurende elken slag op zich zelf den riem gemakkelijk door 't water

halen; anders kan men niet verwachten dat ze diezelfde beweging

honderden malen zullen kunnen herhalen.

Aangeboren taaiheid strekt tot aanbeveling.

Ook geeft eene lange, slanke gestalte een voordeel bij het roeien,

omdat men dan om een even grooten slag te maken als door iemand van

korter, meer ineengedrongen lichaamsbouw wordt gemaakt, zijn lichaam

minder voorover en achterover behoeft te strekken, en dus vanzelf

gemakkelijker roeit.

Na de keuze der roeiers gaat men over tot de aanwijzing van ieders

plaats in de boot. Hierbij zijn eenige regels in acht te nemen. Als

slagroeier (_strokeman_, _chef de nage_, _Schlagmann_) kieze men den

besten roeier, of hem, die door meerdere geoefendheid boven de anderen

uitmunt. De slagroeier is 't, die de grootste verantwoordelijkheid in

de boot draagt. Vertraagt hij zijn tempo, verliest zijn slag de noodige

veerkracht, noodwendig moet dit terugwerken op de anderen, want ze

moeten hem volgen, en al waren ze de beste roeiers der wereld, ze kunnen

er niets aan doen.

Ook zijn kalmte en koelbloedigheid zeer gewenschte eigenschappen in hem,

om dezelfde reden, dat hij 't tempo moet aangeven. Een zenuwachtige slag

heeft dikwijls een wedstrijd doen verliezen, evenals kalmte en beleid

hem vaak doen winnen. Te gelegener tijd uitgevoerde "_spurtjes_", het

juist gebruik maken van zwakke oogenblikken van de tegenpartij, zijn

dikwijls beslissend geweest op een race tusschen ongeveer gelijkstaande

ploegen.

In die oogenblikken is het de taak van de overige leden der ploeg, maar

vooral van den 2en slagroeier, om oogenblikkelijk 't veranderd tempo

te volgen; geen halve slag mag daardoor ongelijk worden, op 't zelfde

oogenblik dat de slagroeier zijn tempo verandert, moeten de overigen dit

als een elektrischen schok voelen; wij herhalen het, in de 1e plaats de

2e slagroeier, want volgt hij niet, dan zullen alle stuurboordroeiers

eveneens achterblijven; hij is als 't ware de slagroeier aan stuurboord.

Bij de aanwijzing van ieders plaats komt 't gewicht in aanmerking. Het

grootste gewicht moet in 't midden der boot gelegd worden, dus in een

vierriemsgiek zijn 2e slagroeier en 2e boeg de zwaarste personen, zoo 't

kan de 2e slag nog zwaarder dan de 2e boeg. De boeg (_bow_, _brigadier_,

_Bug_) is de lichtste, terwijl de slagroeier minder gewicht moet hebben

dan de twee in 't midden der boot gezetenen. De gewichtsverdeeling

is echter niet van overwegend belang; stel dat iemand door zijn

regelmatig tempo, etc., de meeste geschiktheid bezit als slagroeier,

maar tevens de zwaarste van de ploeg is; dit laatste zal dan geen

verhindering mogen zijn om hem als slag te doen plaats nemen. Eerst

wanneer een tweede, wat die geschiktheid betreft, met hem gelijk staat,

zal de gewichtsverdeeling in aanmerking mogen komen. 't Gewicht aan

bakboord moet ongeveer gelijk zijn aan dat aan stuurboord; anders zou

de boot naar één kant "overliggen", hetgeen alleen verholpen kan worden

doordat de stuurman meer naar den kant van 't minste gewicht gaat

zitten. Behalve dat dit laatste nadeelig voor de boot is, heeft het nog

dit inconvenient dat de stuurman bij de minste schommeling van de boot

door wind of golven weer naar 't midden van zijn zitplaats zal glijden,

in welk geval 't evenwicht weer verloren is.

Een punt aan groot belang is dat de krachten aan stuurboord en aan

bakboord zooveel mogelijk gelijk zijn, zoodat, wanneer 't roer

losgelaten wordt, de boot eene rechte lijn volgt en geen van beide

boorden, zooals 't heet, "_overgetrokken_" wordt. Duidelijk is het,

waarom.

Trekt een van de boorden over, dan ziet de stuurman zich genoodzaakt

voortdurend 't roer naar één kant om te halen, hetgeen met meer of

mindere kracht voortdurend het vaartuig in zijn gang tegenhoudt.

* * * * *

Zijn de roeiers gekozen, is ieders plaats in de boot aangewezen, de

ploeg kan dan "_in training_" gaan. De beteekenis van 't engelsche woord

"_to train_" is africhten; hij, die de handeling pleegt is _de trainer_.

In Engeland is dit gewoonlijk een "_professional_" (d. i. iemand, die

van een zekeren tak van sport, in casu van 't roeien, zijn beroep, zijne

broodwinning heeft gemaakt) of een gewezen _professional_, die in dienst

treedt bij eene roeivereeniging, om de ploegen voor de wedstrijden af te

richten, door hun, bij de oefeningen en bij hunne levenswijze met raad

ter zijde te staan en het noodige toezicht over hen uit te oefenen.

Ook in Duitschland is bij de groote roeivereenigingen de gewoonte om

trainers in dienst te nemen, heerschende, en in Frankrijk en België niet

onbekend.

Nederlandsch handboek voor roeisport · 第 5 / 7 段