maken van de armen op het einde van den slag. Zooals men weet, moet
op het einde van den slag, wanneer het lichaam zijne achterwaartsche
beweging gemaakt heeft, de riem tot de borst worden doorgetrokken. Dit
geschiedt natuurlijk door de buiging der armen, maar daarom volstrekt
nog niet _door de samentrekking van den biceps_. Integendeel, de biceps
blijft nagenoeg werkeloos, en de beweging wordt uitgevoerd door de
spieren, die de schouderbladen verbinden met den bovenarm, en de
spieren, die aan de achterzijde van den bovenarm liggen. Om zich een
denkbeeld te vormen van de werking dier spieren, stelle men zich voor
dat men met den elleboog een voorwerp achterwaarts duwt door den
bovenarm iets voorbij 't lichaam naar achteren te brengen, of dat men
een achter zich staanden persoon met den elleboog een stomp geeft.
Dezelfde spieren, die dan in werking komen, gebruikt men ook bij het
roeien, de bovenarmen worden aangehaald, totdat zij langs en evenwijdig
met 't lichaam komen te hangen, de benedenarmen dienen hierbij slechts
als eene verbinding van den riem met de bovenarmen; anders uitgedrukt,
de hoek bij den elleboog wordt eenvoudig gemaakt door den bovenarm
achterwaarts te trekken, niet door den benedenarm naar zich toe te
halen, hetgeen door den biceps geschiedt. (Zie fig. 7).
[Illustratie: Fig. 7.]
Buigt men de armen door de samentrekking van den biceps, dan moeten
noodzakelijk de ellebogen zijwaarts opgeheven worden, want anders zou
de riem naar den hals en dus veel te hoog opgetrokken worden. Brengt men
daarentegen den riem naar 't lichaam door de werking van de spieren over
de schouderbladen en aan den achterkant van den bovenarm, dan komen de
armen langs het lichaam, met de ellebogen naar beneden gericht.
Men behoeft dus niets anders te doen dan de armen langs het lichaam aan
te trekken, om de aangewezen spieren te laten werken, en een krachtig
einde van den slag te maken.
[Illustratie: Fig. 8.]
Doet men dit niet, trekt men door de kracht van den biceps den riem
tot de borst, en houdt men bijgevolg de ellebogen zijwaarts opgeheven,
zooals in fig. 8 is afgebeeld, dan zal 't einde van den slag niet alleen
veel zwakker zijn, maar, en hiervan zijn wij uitgegaan, deze fout zal
talrijke andere fouten na zich slepen.
In de eerste plaats zal de borst ingedrukt en de rug gekromd worden
op 't einde van den slag, juist op 't oogenblik dat de borst 't meest
moet gewelfd worden. Men kan zich hiervan gemakkelijk overtuigen door
een niet al te zwakken armstrong te nemen, dien met het ééne einde
ergens aan te bevestigen, en met beide handen aan het andere einde
den armstrong uit te rekken door de armen, met de ellebogen zijwaarts
opgeheven, te buigen. Men zal dan duidelijk kunnen bemerken dat de borst
eene sterke neiging heeft zich in te trekken. Voert men echter dezelfde
beweging uit met omlaag gehouden ellebogen, dan zal de borst zich
gemakkelijk en als van zelf opheffen.
Een tweede gevolg van de aangewezen fout is eene langzame en aarzelende
strekking van de armen na 't uit 't water halen van den riem. Wanneer
de armen zijwaarts worden gebogen, dan vormen zij bij den elleboog een
scherper hoek, dan wanneer ze langs het lijf worden aangetrokken; en
hoe meer de armen zijn gebogen, hoe scherper hoek zij dus maken, des
te moeilijker wordt ook de strekkende beweging. Deze zal dus langzamer
zijn, en om den verloren tijd in te halen moet de voorwaartsche beweging
in 't volgend oogenblik en op 't einde sneller zijn, waardoor schokken
gegeven worden en de beweging de vereischte gelijkmatigheid en
veerkracht verliest; of, en dit is even verkeerd, de armen worden niet
in ééns gestrekt, en daarna eerst 't lichaam voorover gebracht, maar
beide bewegingen beginnen gelijktijdig, zoodat het lichaam zich over
den riem heenbuigt; wij hebben boven aangeduid, waarom dit verkeerd is.
* * * * *
Eene andere fout die op 't einde van den slag bedreven wordt en zeer
veel voorkomt, is _dat de roeier het lichaam tegen den riem optrekt_, in
plaats van den riem tot de borst door te halen. Dat hierdoor de slag
aanmerkelijk korter wordt, springt in het oog, maar toch zal degene,
die die fout begaat, dit zelf niet zoo spoedig inzien. Hij vormt zich
de illusie een even langen slag te maken als de anderen, daar hij toch
even ver zijn lichaam vooruitstrekt en achteroverzwaait als dezen, en
verwondert zich dan, dat hij eerder "klaar" is, maar bedenkt niet, dat
hij wel zijn lichaam evenver achterover zwaait, maar vóórdat de slag nog
geëindigd is, reeds weer aan den riem optrekt.
Deze fout is gewoonlijk een gevolg van overhaasting, of, om 't zoo uit
te drukken, van de begeerte om zoo spoedig mogelijk weer een nieuwen
slag te beginnen.
Een ander gevolg van die overhaasting is te groote inspanning van de
beenspieren, voornamelijk die naast het scheenbeen loopen, bij 't naar
voren komen. Hierboven is aangewezen in welke volgorde de bewegingen van
armen, bovenlijf en beenen moeten uitgevoerd worden. Natuurlijk worden
ze niet elk afzonderlijk uitgevoerd, ze vloeien in elkaar, maar de ééne
moet vóór de andere _begonnen_ worden. Hij die 't eerst of gelijktijdig
met de voorwaartsche beweging van 't bovenlijf zijne beenen aantrekt,
loopt kans deze laatste te overspannen.
* * * * *
Wij gaan nu over tot 't belangrijkste moment in de beweging van 't
roeien, tot 't _begin van den slag_. Het is best mogelijk dat iemand al
de opgenoemde vereischten voor een goeden stijl in zich vereenigt, dat
hij eene goede houding heeft, zijn riem op de juiste hoogte in 't water
houdt, de voorwaartsche beweging van 't lichaam correct uitvoert, en
dat hij toch als roeier weinig beteekent, omdat hij in 't begin van den
slag geen kracht zet, en, om zoo te zeggen, den riem een eind door 't
water laat drijven, vóórdat hij er aan begint te trekken. Hij heeft de
hoedanigheid verkregen om zijne krachten op de meest spaarzame wijze te
gebruiken, en zoo weinig mogelijk te verspillen, maar hij wendt ze niet
op het juiste oogenblik aan.
Het is daarom van het hoogste gewicht dat men al dadelijk leert op
hetzelfde oogenblik, dat 't blad in het water komt, zijne volle kracht
aan den riem te brengen. Men moet doen, alsof, zoodra 't blad in 't
water komt, 't bankje van onder zich verdwijnt, en de eenige steunpunten
voor 't lichaam zijn 't spoorplankje en 't handvat van den riem,
aan welk laatste men blijft hangen. Die juiste en bliksemsnelle
krachtsaanwending wordt door de Engelschen van zóóveel gewicht geacht,
dat zij legio termen hebben om het denkbeeld uit te drukken: "_Catch
the water, do all the work at the beginning, lift at the beginning_",
en nog verscheidene andere. Dus tegelijk dat de voorwaartsche beweging
is geëindigd, worden de handen iets opgelicht, zoodat de riem den
vereischten steun in 't water heeft, en men hangt dan aan den riem en
drukt de voeten stevig tegen den spoorplank.
De reden waarom juist in 't begin van den slag de volle kracht gebruikt
moet worden, is deze: na afloop van elken slag vermindert telkens de
vaart van de boot, omdat elk licht vaartuig weinig vaart houdt zoodra de
voortstuwende kracht opgehouden heeft te werken, en bovendien omdat door
de voorwaartsche beweging van de lichamen of liever door de drukking van
den riem op den strijkdol de gang gestremd wordt. Dus telkens wanneer
men een slag begint, heeft de boot zijne minste vaart; op dat oogenblik
heeft men den meesten "vat" op 't water. Brengt men eerst later zijne
volle kracht in werking, dan is een sneller achterwaartsche beweging
van 't lichaam noodig om een even krachtigen druk op 't water uit te
oefenen.
Daarom, maak gebruik van 't oogenblik waarop gij den meesten steun in
't water hebt, waarop gij door een betrekkelijk langzame beweging groote
kracht kunt uitoefenen.
Het vereischt eene ernstige oefening om op 't juiste oogenblik op ééns
zijne volle kracht aan te wenden, zonder toch een ruk te geven.
Velerlei zijn daarom de fouten, die omtrent dit punt worden
aangetroffen. Er zijn er, die, zooals wij reeds aanmerkten, eerst nadat
de riem eenigen tijd in 't water is, hunne volle kracht gebruiken.
Anderen beginnen den slag goed, verslappen echter spoedig en eindigen
zwak.
Weer anderen pakken 't water goed, rusten in 't midden van den slag wat
uit, en geven aan 't eind nog een flinken ruk.
Al deze manieren hebben 't groote gebrek dat zij geen volledig gebruik
maken van den kostbaren tijd, dat de riem in 't water is, en de laatste
methode nog bovendien dit, dat er rukken gegeven worden. Laat de roeier
toch begrijpen dat door rukken geen resultaat verkregen wordt evenredig
aan de krachtsinspanning. Bovenal zij hem op het hart gedrukt, om
gelijkmatig den riem door 't water te halen, in 't begin van den slag
reeds met volle kracht, maar zooveel mogelijk tot 't laatste toe die
krachtsuitoefening voort te zetten.
* * * * *
_De wijze waarop de roeier van zijn sliding-seat moet gebruik maken._
Wij hebben reeds in de vorige § aangewezen op welke wijze men na
volbrachten slag 't handvat van den riem weer vooruit brengt om een
nieuwen slag te beginnen, en daarbij als eene zaak van veel gewicht
er op aangedrongen, dat de handen dadelijk en met vlugheid voor zich
uitgeworpen worden, en eerst daarna de zwaai van 't lichaam en de
voorwaartsche beweging van 't glijbankje moeten volgen, en wel in de
volgorde waarin wij ze opnoemen om deze reden, dat het lichaam zoodra
het den steun van den riem moet missen, zoo spoedig mogelijk van zijne
achteroverliggende houding opgeheven moet worden, daar deze houding eene
vrij groote inspanning van de buikspieren vordert.
Maar nu de trek, de eigenlijke slag: hoe moeten daarbij de bewegingen
van 't lichaam en van de sliding-seat ten opzichte van elkander zijn?
De armen kunnen wij hier buiten rekening laten, daar, zooals wij gezien
hebben, deze eerst gebogen worden op 't einde van den slag, wanneer
de overige deelen van 't lichaam hunne functiën verricht hebben.
We hebben dus alleen te maken met den zwaai van 't lichaam en met het
strekken der beenen.
Daar de spieren der beenen de sterkste zijn van 't lichaam, zal de
roeier er allicht toe komen, om bij 't begin van den slag de beenen in
ééns en met kracht te strekken, terwijl 't bovenlijf voorover gebogen
blijft, totdat 't bankje geheel naar achteren is gebracht, op welk
oogenblik eerst de zwaai begint.
[Illustratie: Fig 9.]
Deze manier heeft deze twee fouten:
1º. Wordt gedurende een groot deel van den slag 't lichaam in
voorovergestrekte houding gelaten, in welke de spieren van den rug
met meer moeite den last zullen dragen dan wanneer 't lichaam wat
achterover gestrekt was. Zelfs zal het dikwijls voorkomen, dat bij
zulke plotselinge strekking der beenen, 't bovenlijf niet in staat is
te volgen, maar als 't ware achterblijft, dat tengevolge daarvan de
schouders naar voren komen en de rug gekromd wordt, dat dus de geheele
houding van den roeier bedorven wordt.
2º. Ook dan, wanneer de goede houding bewaard blijft, werkt de
langdurige vooroverliggende positie de vrije ademhaling tegen.
~Victor Silberer~ in zijn "_Handbuch des Rudersport_" is daarom eene
andere methode toegedaan: "eerst het bovenlijf achterover zwaaien,
en dan eerst de beenen strekken." Dus de beenen worden gedurende
het eerste gedeelte van den slag in dezelfde stelling gehouden, de
sliding-seat blijft op dezelfde plaats totdat het lichaam achterover
gezwaaid is, waarna eerst de beenen gestrekt worden.
[Illustratie: Fig. 10.]
Ook deze methode heeft, naar onze meening hare gebreken, waardoor zij
niet aanbevelenswaardig wordt.
1º. Zal de "catch," 't begin van den slag, bij deze methode, niet zóó
flink, niet zóó krachtig zijn als 't behoort. Met opgetrokken, sterk
gebogen beenen kunnen de spieren van den rug niet zoo krachtig werken
als na eenige strekking. En in die onnatuurlijke houding met opgetrokken
knieën wil men hebben, niet alleen dat 't lichaam gedurende eenigen tijd
blijft, maar ook dat bovenlijf zijne geheele functie zal verrichten,
totdat het zijne uiterste achteroverhangende stelling heeft ingenomen.
2º. Doet zich dit bezwaar voor, dat de beenspieren, de sterkste van het
lichaam, gedurende een kort gedeelte van den slag, en nog wel op 't
einde, wanneer de boot reeds weer vaart heeft, het bankje met snelheid
achteruit stooten, hetgeen allicht de boot doet schokken.
Bij de eerste methode bestond dit bezwaar niet, daar in 't begin van den
slag de riem den grootsten weerstand ondervindt, en dus, hoe energiek
de beenen ook werken, het bankje niet met zóó groote snelheid achteruit
geschoven kan worden.
Beide genoemde stelsels zijn uitersten; naar onze meening moet er eene
transactie gesloten worden om de ware methode te verkrijgen.
Zoodra de slag wordt aangevangen, strekken zich de beenen niet in ééns,
noch zwaait 't bovenlijf achterover terwijl de knieën opgetrokken
blijven, maar beide bewegingen geschieden gelijktijdig: het bankje wordt
langzamerhand achteruit geduwd, terwijl het lichaam zijn
achterwaartschen zwaai maakt.
[Illustratie: Fig. 11.]
In dit stelsel wordt het lichaam niet gedwongen gedurende een groot
deel van den slag in onnatuurlijke houding te blijven, daar door eene
kleine strekking van de beenen de rugspieren al dadelijk gemakkelijker
kunnen werken, de sterke beenspieren werken mede tot een krachtig
begin van den slag, terwijl aan den anderen kant ook eene langdurige
voorovergestrekte houding van het bovenlijf vermeden is. Ook wordt de
gelijkmatigheid, waarmee de riem door 't water gehaald wordt, door deze
methode zeer bevorderd.
* * * * *
Een andere kwestie van belang, waarover de meeningen nog al
uiteenloopen, is _de mate van snelheid waarmee de riem naar voren
gebracht moet worden na 't eindigen van elken slag_.
Het beginsel waarvan men uitgaat, is om zoo weinig mogelijk tijd te
verliezen. Elk overtollig oogenblik dat de riem boven water doorbrengt
na elken slag, heeft ten gevolge tijdverlies, en maakt dus den tijd
waarin de baan afgelegd wordt langer. Vandaar dan ook, dat de riem geen
oogenblik stil mag zijn, noch na 't einde van den slag, wanneer hij uit
't water gehaald is, noch vóór 't begin van den slag na zijne vlucht
over 't water. Wanneer de riem slechts 1/10 seconde stil ligt b.v. na 't
einde van elken slag, dan blijft hij in één minuut, wanneer 40 slagen in
de minuut gemaakt worden, reeds 4 seconden werkeloos. Zoo krijgt men een
denkbeeld van 't kolossale tijdverlies, dat op de geheele baan wordt
geleden.
Dus in geen geval stilstand van den riem. Maar nu welke mate van
snelheid? Wanneer men alleen rekening hield met het zooeven genoemd
beginsel, dan zou het wenschelijk zijn om _zoo snel mogelijk_ naar
voren te komen, omdat men dan zoo weinig mogelijk tijd verliest.
Er zijn echter ook andere factoren van de snelheid van de boot, waarmee
men rekening moet houden.
1º. Zooals wij reeds ter andere plaatse hebben gezegd, verliest de boot
na 't einde van elken slag door de voorwaartsche beweging van 't lichaam
telkens een deel van hare snelheid. Hoe sneller nu de voorwaartsche
beweging van 't lichaam is, hoe grooter de kracht waarmee de gang van de
boot gestremd wordt.
2º. Vordert 't naar voren brengen van 't lichaam eene groote inspanning
vooral van de buikspieren. Wordt nu deze beweging zoo snel mogelijk
gemaakt, dan worden genoemde spieren overmatig ingespannen, en daardoor
de energie, de veerkracht van 't lichaam uitgeput, want men moet wel
bedenken dat te groote inspanning van sommige spieren terugwerkt op alle
deelen van 't lichaam.
Zoo moet dus ook alweer hier een middenweg hem trachten te vinden
door de praktijk, waarbij men zich zal kunnen laten leiden door twee
hoofdbeginselen van het roeien: 1º. Nooit mag de beweging met schokken
geschieden, 2º. Geen deel van 't lichaam mag bovenmatig en buiten
evenredigheid met de andere deelen ingespannen worden.
* * * * *
Wanneer iemand begint te leeren roeien, zal de gedurige aanmaning van
zijn leermeester zijn: "_flink naar voren komen en goed naar achteren
vallen!_" Hoewel wij deze methode van leeren geenszins afkeuren, omdat
de leerling steeds eene sterke neiging gevoelt om rechtop te blijven
zitten, en slechts met de armen te werken, zoodat hij vroegtijdig moet
gedwongen worden zijn bovenlijf te gebruiken, zoo zal men toch in de
meeste gevallen zien dat hij na deze aanmaning in zijn ijver veel te
ver achterover zwaait, en soms ook de voorover strekkende beweging
overdrijft.
_Tot hoever moet hij nu deze bewegingen uitstrekken?_
In eene boot met vaste dollen zal de voorwaartsche strekking van het
lichaam van zelf hare grens vinden in het gevaar dat de riem tusschen
de dollen bekneld raakt. Men zorge dan steeds zoover naar voren te
komen als maar mogelijk is, zonder in 't begin van den slag met den
voorkant van den riem tegen den strijkdol aan te komen. Het is echter
ook mogelijk, dat in eene boot de dollen te ver van elkaar verwijderd
zijn; in dit geval en wanneer er draaiende gekozen worden, eene
verzoening gezocht tusschen twee tegenstrijdige beginsels. In theorie is
het moeilijk te zeggen, welke die middenweg is. Men moet zich wachten
voor overdrijving van de voorwaartsche beweging. De strekking mag niet
ontaarden in eene vooroverbuiging, zoodat de rug gekromd, de schouders
vooruitgebracht, de borst bekneld wordt. Wij hebben het reeds meer
gezegd, men moet zijn lichaam geen geweld aandoen. Het voordeel van een
langeren slag weegt dan niet op tegen de groote inspanning om in die
houding den riem met kracht door 't water te halen.
Ook het achterovervallen mag niet reiken over een zeker punt, van waar
de roeier zich weer gemakkelijk kan oprichten. Gaat men verder, dan
zal de lengte van den slag daardoor winnen, maar het hieruit verkregen
voordeel ook alweer niet in evenredigheid zijn met de vermeerdering van
inspanning der buik- en lendespieren, die het lichaam weer moeten
opheffen.
Vaste regels zijn hier echter niet voor te geven; sommige roeiers zullen
meer naar voren komen, anderen meer achterover vallen, weer anderen
beide bewegingen in meerdere mate uitvoeren. Dit hangt dan grootendeels
af van de gewoonte en van de oefening, waardoor zich sommige spieren
meer ontwikkelen dan andere. Maar in elk geval wake men tegen
overdrijving.
In nauw verband met het juist gezegde staat _het aantal slagen_ door
eene ploeg in de minuut gemaakt.
Dikwijls ziet men op wedstrijden of ook wel wanneer als oefening op tijd
wordt geroeid, de toeschouwers angstvallig letten op het aantal slagen
in de minuut, en dan hoort men ook veelal uit het grootere of kleinere
aantal conclusies maken ten nadeele of ten gunste van de ploeg.
Meestal zijn die conclusies geheel ongemotiveerd; men kan in 't algemeen
uit het aantal slagen geen gevolgtrekking maken over de kwaliteit van
den roeier. Natuurlijk moet een zoogenaamde "_ratelslag_" evenals een
luie "_zeurslag_" geen hoogen dunk geven van den roeier; dit ligt
aan een gebrek in den stijl, hetzij aan overhaasting, hetzij aan
langzaamheid, gemis aan veerkracht in de bewegingen. Maar het is zeer
goed mogelijk dat eene bepaalde ploeg in eene zekere boot met 36 slagen
in de minuut sneller roeit, dan met 38 slagen, als ook andersom.
Daarom is het zoo verkeerd, dat een trainer vooraf bepaalt met hoeveel
slagen zijne ploeg moet roeien, en aanmerking maakt, wanneer ze een
kalmer, langer slag aanneemt. Dit kan hij eerst beoordeelen, wanneer hij
zijne ploeg goed kent, en zelfs door proeven eene zekere ondervinding
omtrent haar heeft opgedaan.
* * * * *
Wij laten hier nog volgen eenige regels voorgeschreven door den
schrijver van "_The principles of Rowing and Steering_", en eenige door
hem aangewezen meest voorkomende fouten.
"The requisites for a perfect stroke are:
1º. Taking the whole reach forward, and falling back gradually a little
past the perpendicular, preserving the shoulders throughout square, and
the chest developed at the end.
2º. Catching the water and beginning the stroke with a full tension on
the arms at the instant of contact.
3º. A horizontal and dashing pull through the water immediately the
blade is covered, without deepening in the space subsequently traversed.
4º. Rapid recovery after feathering by an elastic motion of the body
from the hips, the arms being thrown forward perfectly straight,
simultaneously with the body, and the forward motion of each ceasing at
the same time.[3]
[3] Wij hebben hierboven in dit hoofdstuk eene andere meening verdedigd.
5º. Lastly, equability in all the actions, preserving full strength
without harsh, jerking, isolated, and uncompensated movements in any
single part of the frame.
Faults in rowing.--The above laws are sinned against when the rower
1º. Does not straighten both arms before him.
2º. Catches the water with unstraightened arms or arm, and a slackened
tension as its consequence; thus time may be kept, but not stroke;
keeping stroke always implying uniformity of work.
3º. Rows round and deep in the middle, with hands high and blade still
sunken after the first contact.
4º. Keeps one shoulder higher than the other.
5º. Doubles forward and bends over the oar at the feather, bringing the
body up to the handle and not the handle up to the body.
6º. Strikes the water at an obtuse angle, or rows the first part in the
air.
7º. Shivers out the feather, commencing it too soon and bringing the
blade into a plane with the water while work may yet be done; thus the
oar may leave the water in perfect time, but stroke is not kept. This
and No. 2 are the most subtle faults in rowing, and involve the
science of shirking.
8º. Rolls backward, with an inclination towards the inside or outside of
the boat.
9º. Turns his elbows at the feather instead of bringing them sharp past
the flanks.
10º. Throws up water instead of turning it well aft off the lower angle
of the blade. A wave thus created is extremely annoying to the oar
further aft; there should be no wave travelling astern, but an eddy
containing two small circling swirls."
§ 4. _Het scullen._
Men zorge er voor, alvorens in eene scullingboot plaats te nemen,
het roeien met één riem in den grond te kennen. En dan nog is het den
beginner geraden in eene zware boot met vaste banken te beginnen, daar
men in eene lichte raceboot reeds aan het bewaren van het evenwicht
zoozeer zijn aandacht moet wijden, dat de beweging zelve er door op den
achtergrond zou geraken.
Het is ook wenschelijk dat het materiaal vooraf door een ervaren sculler
worde nagezien, want hetgeen bij het roeien in 't algemeen over 't
aanleeren van fouten door slecht materiaal gezegd is (bv. verkeerde
stand van de dollen, van het stootleer, enz.) geldt in nog grooter
mate bij het scullen. Men lette hierbij vooral op de voldoende ruimte
tusschen de dollen, want, daar de hefboom van een scull korter is dan
van een riem, is de hoek door een scull met de dollen gevormd, ook
scherper, waaruit volgt, dat de dollen verder van elkander moeten staan,
zal de scull niet er tusschen bekneld raken.
De vereischten voor een goeden stijl in het scullen zijn dezelfde als
bij het roeien met één riem. Door de hanteering van twee riemen wordt
de beweging echter van zelf iets gewijzigd, want men wordt nu niet meer
gedwongen met de eene hand verder te reiken dan met de andere, en zoo
ook worden beide handen op 't einde van den slag even ver naar zich toe
getrokken.
Een punt van onderscheid maakt de lengte van den slag uit. In eene
scullingboot kan en moet de slag langer zijn dan in eene andere.
Bij de voorwaartsche beweging reeds kan de sculler iets verder reiken,
daar hij zijne armen naar beide zijden voor zich uitspreidt, zoodat het
lichaam recht voorover gestrekt kan blijven, terwijl de roeier, wil hij
zich zoover mogelijk naar voren strekken, in dat geval genoodzaakt is
zijn lichaam naar binnen te buigen en dan nog zijne armen niet recht
voor de borst heeft.
Maar het is vooral in de achterwaartsche zwaai dat de sculler zijn slag
veel langer kan maken.