Allereerst is het noodig, dat zij in een goed gesloten _giekenloods_

(_boathouse_, _garage_, _Boothaus_) tegen weer en wind beschut zijn.

Verder moeten zij aldus gelegd worden, dat zij door slechte ligging niet

haren vorm kunnen verliezen. Zoo moet men eene boot nooit op de beide

uiteinden laten rusten, daar zij dan in 't midden zal uitzakken, doch

liefst op 3 of 4 dwarsbalken of bokken leggen, zóódat zij op alle

gelijkelijk steunt.

Gedekte booten worden liefst in zeilen opgehangen.

Een boot moet steeds goed gevernist zijn om het hout tegen slechte

invloeden van weer en temperatuur te beschutten. Ook is het goed lichte

booten van tijd tot tijd met vet in te wrijven, daar dit zoowel het

vernis spaart als het hout tegen scheuren beschut, die door invloeden

van water en hitte kunnen ontstaan.

[Decoratieve illustratie]

[Decoratieve illustratie]

DERDE HOOFDSTUK.

HET ROEIEN.

§ 1. _Algemeene opmerkingen._

Geen lichaamsbeweging is er bijna, die zoozeer aanspraak kan maken op

de goede eigenschap van 't aangename aan 't nuttige te verbinden, als

't roeien. Wat is heerlijker dan op een schoonen zomeravond over den

gladden waterspiegel heen te glijden, en na een snikheeten Julidag te

luisteren naar het geplas der riemen in het frissche water? Wat is

gezelliger dan een roeitochtje, waarbij men onder eene frissche, gezonde

beweging nieuwe streken doortrekt, vreemde dorpen en steden bezoekt?

Groot is daarom 't aantal van hen, die in eene boot hebben plaats

genomen om dat genoegen te smaken, en die op dien grond beweren te

kunnen roeien. Hoe weinigen zijn er echter onder hen, die beseffen hoe

ingewikkeld en moeilijk deze lichaamsbeweging is, wanneer men er zich op

toelegt om haar correct uit te voeren, wanneer men haar als een sport

beschouwt!

Het is waar, 't is het lot van de meeste lichaamsbewegingen om aldus

behandeld te worden. De overgroote meerderheid stelt zich al heel

spoedig tevreden, en getroost zich de moeite niet om haar in den grond

te leeren. Maar het sterkst doet zich dit voor bij 't roeien.

Wil men leeren paardrijden, men neemt dan ten minste toch eenige lessen;

gaat men leeren schaatsenrijden, de moeielijkheden doen zich dan vaak in

't begin pijnlijk gevoelen; zoo is 't ook met 't schermen, 't zwemmen en

zoo vele andere lichaamsoefeningen.

Maar met 't roeien? Wel, men gaat met een vriend, die evenmin ooit

een riem in zijne handen heeft gehad, in eene tweeriemsboot zitten; de

eerste slagen gaan dan wel minder goed, maar spoedig toch begint het er

wat meer naar te gelijken, de riemen komen wat meer gelijk in 't water,

en heeft men bovendien leeren scheren, dan kan men roeien. Zoo is men in

twee middagen een roeier.

Wij behoeven zeker niet te zeggen, hoe dwaas het is dit te meenen; maar

toch met hoeveel menschen gaat het niet op deze wijze!

Het roeien is schijnbaar een zeer gemakkelijke beweging, omdat het zoo

weinig moeite kost een vaartuig over 't water te doen glijden; maar

tracht men met een minimum inspanning de grootst mogelijke snelheid te

verkrijgen, dan eerst wordt het een sport, en wel een edele sport, omdat

het een zeer groot aantal spieren in beweging brengt, en het lichaam

harmonisch ontwikkelt. Het aanleeren van dezen sport, aldus beschouwd,

kost veel moeite en eenigen tijd; en het is vooral zaak al dadelijk

onder leiding te komen en niet te trachten het zich zelf te leeren, want

allicht neemt men fouten aan, die later moeilijk afgeleerd worden.

Een goede stijl wordt genoemd die methode van roeien, die de grootste

resultaten voortbrengt, d. w. z. die met de minst mogelijke inspanning

de grootst mogelijke snelheid doet verkrijgen. Bij het opsporen naar

deze beste methode heeft men geput uit de kennis der spieren, en uit

de natuurkunde; maar de ervaring, de praktijk is hier de voornaamste

leermeesteres. Het spreekt van zelf, dat deze opsporing niet overal

dezelfde resultaten heeft gegeven. Ook bij 't roeien heeft men

verschillende meeningen, verschillende theoriën. Maar omtrent een groot

aantal punten, omtrent de hoofdzaken is men het ééns.

Bij 't onderzoek naar de vereischten voor een goeden stijl, heeft men

zich laten leiden door dit beginsel, dat de krachtsinspanning zooveel

mogelijk over het geheele lichaam moet verdeeld worden.

Gemakkelijk is 't te begrijpen waarom. Werken slechts weinige spieren,

dan drukt 't geheele gewicht van den arbeid op deze, en zij zullen niet

alleen het niet zoo lang volhouden, maar er zal ook lang niet zooveel

kracht ontwikkeld kunnen worden, als wanneer 't werk door een groot

aantal spieren verricht wordt. Verdeeling van den arbeid dus, en wel

naar de juiste maat; elke spier drage bij naar zijne krachten!

Wij zullen trachten naar ons vermogen uiteen te zetten hoe men een

eerstbeginnende de hoofdbeginselen van 't roeien leert, voor welke

fouten hij zich vooral moet hoeden, en welke eischen men aan een goeden

stijl mag stellen.

Maar vooraf nog een raad. Laat hij, die wil leeren roeien, eerst

leeren zwemmen, zoo hij deze kunst nog niet verstaat. Want hoewel niet

dikwijls, zoo gebeurt 't toch soms, dat de boot omslaat, en dit gevaar

bestaat vooral in ons land, waar men veel ruw water vindt. Aan hem,

die op 't IJ of op de groote rivieren in ons land roeit, is deze raad

in de eerste plaats gegeven, maar ook aan hem, die door de ligging

van de plaats, waar zijne roeivereeniging gevestigd is, minder in

de gelegenheid verkeert om zich op ruw water te begeven. Er zijn

voorbeelden van 't verdrinken van een groot deel der bemanning door

't omslaan van de boot.

§ 2. _De eerste beginselen van de roeikunst._

Om iemand het roeien te leeren, is het raadzaam hem te plaatsen in

eene zware tweeriemsgiek met vaste banken. De onderwijzer gaat op den

stuurbank zitten, als slag neemt een geoefenden roeier plaats in de

boot, terwijl de leerling den boegriem in handen krijgt. Deze methode

heeft het voordeel, dat de leerling tegelijk dat hem de lessen worden

gegeven, de toepassing ervan kan zien; de noodige wenken worden hem

gegeven, de fouten worden hem aangewezen door den stuurman, terwijl hij

een voorbeeld vóór zich heeft in den slag, die hem de verschillende

bewegingen vóórdoet, en dien hij tracht na te volgen.

Het eerste wat de leerling moet leeren is de _houding_ in de boot. Hij

plaatst zich midden op het aan den bank bevestigd matje. Dit matje moet

op zoodanige wijze om den bank worden gebonden, dat men vlak bij het

boord zit zonder het nochtans met zijn dijen aan te raken.

De voeten worden stevig tegen het spoorplankje aangedrukt, na ze onder

de voetriemen te hebben geschoven. Daarvoor is het noodig, dat het

spoorplankje niet te ver verwijderd is, maar juist zóóver, dat de

beenen niet geheel gestrekt kunnen worden, en de knieën nog iets gebogen

zijn. Vooral op dit laatste moet de onderwijzer letten, daar ieder

eerstbeginnende de neiging heeft, om het spoorplankje zoover mogelijk

van zich af te zetten, ten einde bij het scheren minder last van zijne

knieën te hebben. Toch is 't noodzakelijk voor een stevigen zit en voor

een veerkrachtigen slag, dat de voeten stevig tegen den spoorplank

aangedrukt worden, hetgeen alleen mogelijk is wanneer de beenen niet

geheel gestrekt zijn.

De hielen worden tegen elkander gedrukt en de voeten waaiervormig

uitgespreid. De beenen worden evenwijdig met de bootskiel gestrekt.

Het bovenlijf wordt volkomen rechtop gehouden, beide schouders op

gelijke hoogte, en vooral niet naar één kant overhellend; 't gezicht en

de borst gekeerd naar den achtersteven, met geen der zijden vooruit.

De borst wordt naar boven gewelfd, en de schouders iets naar beneden

achterwaarts gedrukt, maar zonder overdrijving, zonder zoogenaamden knip

of deuk in den rug. Het doel moet zijn om de longen en het hart zooveel

mogelijk ruim en onbekneld te laten werken, zonder toch eene gewrongen

houding aan te nemen. Hoe meer ongedwongen, hoe vrijer en gemakkelijker

men zit, hoe beter; want daardoor wordt de werking der spieren

zuiverder, en kan er meer kracht ontwikkeld worden.

[Illustratie: _Verkeerde greep._ Fig. 5.]

[Illustratie: _Juiste greep._ Fig. 6.]

Na de houding moet de leerling leeren zijn riem vast te houden.

Onwillekeurig zal hij bij 't roeien wanneer hij eenige kracht wil

zetten, zijn riem stevig omknellen, zelfs knijpen. (Zie fig. 5.) Dit nu

is niets anders dan verspilling van krachten, want daardoor worden de

spieren, nl. die van den benedenarm, gespannen en vermoeid, zonder er

eenig grooter resultaat mede te verkrijgen. De handen moeten slechts

dienen als middel om den riem te verbinden aan het lichaam; hoe losser

dus de riem vastgehouden wordt, hoe beter, en daartoe buige men slechts

de twee uiterste leden der vingers, waardoor er als 't ware een haak

gevormd wordt, die zich om den riem slaat; (zie fig. 6) de duim wordt

onder den riem gehouden en ook slechts met 't uiterste lid er tegen

aangedrukt. De polsgewrichten mogen volstrekt niet naar beneden gebogen

worden, want daardoor worden juist de spieren van den benedenarm

ingespannen, hetgeen van geen nut is, en daarom streng verboden moet

worden. Het doel moet immers zijn geen spier in te spannen, zonder

daaruit eenig aan de krachtsinspanning evenredig resultaat te

verkrijgen. De hand moet dus zóó gehouden worden, dat zij met den

arm één rechte lijn vormt.

De buitenhand houdt men geheel aan 't einde van den riem, de binnenhand

ongeveer 1 d.M. er van af. Daar men met de buitenhand verder moet

reiken, zoo moet deze nog losser om den riem geslagen zijn dan de

binnenhand.

Nu gaat de leerling slagklaar liggen, d. i. hij strekt 't lichaam flink

vooruit, zonder nochtans den rug te krommen, of de schouders te veel

naar voren te brengen, waardoor zijn hoofd zich als 't ware daartusschen

verbergt; maar toch moet dit ongedwongen geschieden. Deze houding is

voor den eerstbeginnende zeer lastig te leeren, want hij zal allicht in

één van twee uitersten vervallen, òf zijn rug krommen en de schouders te

veel naar voren brengen, òf stijf blijven zitten en zelfs een deuk, een

holte in zijn rug maken.

Maar na eenige oefening zal het hem gelukken de middelmaat te vinden,

waarbij hij zijn borst vrij laat zonder zijn spieren geweld aan te

doen.

De armen worden volkomen gestrekt, 't lichaam evenwijdig met de kiel

naar den achtersteven gericht, niet naar binnen gebogen, en zonder dat

de buitenzijde méér naar voren komt.

Nu wordt het tijd den leerling de verschillende bewegingen, die

gezamenlijk 't roeien vormen, te leeren. Is hij slagklaar, dan wordt

eerst 't blad van den riem juist verticaal in 't water gelaten, door de

handen even op te lichten. Een punt van groot belang is dat _de stand

van 't blad juist verticaal is_; noch de holle, noch de bolle zijde mag

eenigszins naar boven gekeerd zijn; in 't eerste geval zou 't blad, bij

't maken van den slag, dadelijk in de diepte verdwijnen, zonder veel

tegenstand van 't water te ondervinden, en dus in een gedeelte van den

slag niet de voortstuwende kracht op de boot uitgeoefend worden, terwijl

het bovendien moeite kost om den riem van uit de diepte weer uit 't

water te brengen; in het tweede geval zou 't blad niet dadelijk geheel

in 't water gaan, maar gedeeltelijk er boven blijven rusten, ja, soms

zal het eerste gedeelte van den slag daardoor in de lucht gemaakt

worden. Opdat het blad zuiver verticaal in 't water gehouden wordt, is

het noodig dat de riem goed gevormd en niet gedraaid, het stootleer

juist aangebracht is, en de trekdol niet scheef achterover staat. Het is

zelfs wenschelijk, dat de afstand tusschen de dollen van boven kleiner

is dan onderaan.

Ook noodzakelijk is het, dat _niets meer maar ook niets minder dan het

blad onder water wordt gestoken_. Komt een gedeelte van den steel ook

onder water, dan zal grooter moeite ontstaan om den riem uit 't water te

lichten, zonder dat de voortstuwende kracht grooter wordt, want de dunne

steel ondervindt bijna geen weerstand van 't water; laat men echter een

gedeelte van het blad boven water, dan zal de weerstand van 't water

aanmerkelijk kleiner worden en daarmede ook de voortstuwende kracht.

Nu wordt 't blad van den riem in rechte lijn in horizontale richting

gelijkmatig door 't water getrokken, door met 't lichaam kalm achterover

te zwaaien. _De armen worden daarbij volkomen gestrekt gehouden_, zoodat

de kracht wordt uitgeoefend door de spieren van den rug. Eerst op 't

einde van den slag, wanneer 't lichaam zijn zwaai volbracht heeft,

worden de armen gebogen, en de riem tot aan den buik of de borst

doorgetrokken. Men zorge hierbij steeds den rug niet te krommen, en

op 't einde van den slag zelfs _de schouders achterwaarts neder te

drukken_. _Het blad van den riem wordt_, zooals wij reeds zeiden,

_gedurende den geheelen slag op gelijke hoogte onder het water gehouden

tot op het einde toe_.

Is de slag gemaakt, dan is 't noodig, ten einde een nieuwen slag te

beginnen, dat 't lichaam opnieuw naar voren gebogen en de armen gestrekt

worden.

Om de verschillende bewegingen van 't roeien zuiver te leeren maken, is

het noodig, dat ze in het begin langzaam en kalm uitgevoerd worden. Door

ze dadelijk snel en vlug te willen maken, leert men fouten aan.

Dus men ligt met 't lichaam iets achterover en 't handvat van den riem

tegen den buik of den borst gedrukt. Nu wordt 't blad uit 't water

gelicht door eene kleine drukking van de handen op den riem ('t scheren

moet niet dadelijk geleerd worden, maar eerst nadat de leerling de

bewegingen van 't roeien reeds eenigszins begint te begrijpen, en zich

wat thuis begint te gevoelen in de boot), daarna worden de armen in ééns

gestrekt, en 't lichaam vooruit gebracht.

Deze tweeledige beweging wordt in de volgende volgorde uitgevoerd: _men

begint de armen te strekken, vóórdat de voorwaartsche beweging van 't

lichaam wordt gemaakt_, en wel omdat: 1º. men veel meer moeite heeft

de beweging te maken met gebogen armen, dan met gestrekte; ten bewijze

hiervan beproeve men een zwaar voorwerp of een persoon weg te duwen

met gebogen armen, en daarna met gestrekte; dan zal men bemerken dat

't laatste veel minder inspanning kost; 2º. omdat, wanneer de armen

niet dadelijk gestrekt worden, de knieën in den weg zitten, vooral op

sliding-seats; maar ook op vaste banken, omdat ook hier de knieën zich

bij de voorover strekkende beweging van 't lichaam iets opheffen; 3º.

omdat, wanneer de voorwaartsche beweging wordt gemaakt met gebogen

armen, 't lichaam zich noodzakelijk over den riem moet heenbuigen, en de

borst wordt ingetrokken; 4º. omdat anders de voorwaartsche beweging op

't einde niet langzaam uitloopt, zooals behoort, maar juist op 't laatst

de grootste snelheid verkrijgt, zoodat zij met een schok moet eindigen.

Wanneer deze beweging is volbracht, laat men het blad van den riem weer

dadelijk in 't water, zooals hierboven is aangeduid, en begint op 't

zelfde oogenblik te trekken, niet met een ruk, _maar toch met kracht,

en met evenveel kracht trekt men den geheelen slag door_.

Zoo maakt 't lichaam een slingerende beweging, evenwijdig met de

kiel van de boot, zonder bij 't einde van den voorwaartschen of

achterwaartschen zwaai te rusten. Zoodra de slag geëindigd is, wordt de

riem in één beweging uit 't water gelicht en naar achteren gebracht, en

ook zoodra hij zijn vlucht boven 't water volbracht heeft, weer dadelijk

in één beweging ondergedompeld en door het water heengehaald. _Er

mag geen stilstand in de beweging van den riem zichtbaar zijn, ja,

schijnbaar moet alles in één onafgebroken loop doorgaan._

Eerst na de eerste lessen komt 't _scheren_ aan de beurt. Dit is het

naar achteren zwaaien van den riem met 't blad in horizontale houding.

De moeilijkheid bestaat in 't platdraaien van 't blad. Dit moet op de

volgende wijze geschieden: Nadat de slag geheel volbracht is, brengt men

eerst eene drukking met de vingers op 't handvat van den riem teweeg,

en vlak daarna drukt men er den palm van de hand tegen, waardoor de

riem van zelf omgedraaid wordt en tegelijk het blad zijn vlucht over

het water begint. Dit moet noodzakelijk in de aangegeven volgorde

geschieden. Drukt men eerst den palm van de hand tegen den riem, dan zal

't blad zich noodwendig onder water omkeeren, en men "vangt een snoek."

Worden beide bewegingen tegelijk uitgevoerd, dan zal de onderkant van

het blad nog even de gelegenheid hebben wat water mede te nemen en door

de omdraaiende beweging een straaltje in de hoogte te werpen. Dit

laatste is niet zoo gemakkelijk te vermijden, en zelfs oudere en meer

geoefende roeiers ziet men het dikwijls doen.

Men moet deze fout echter wel onderscheiden van eene andere veel

grootere fout, n.l. het naar achter weg werpen van water. Terwijl het

eerste een gevolg is van incorrect platdraaien van 't blad van den riem,

is het laatste 't gevolg van een geheel verkeerde houding van den riem

gedurende 't laatste gedeelte van den slag. Het blad van den riem wordt

dan gedurende den slag reeds een weinig omgedraaid, zoo dat het niet

geheel verticaal meer is, daarbij worden de handen niet in één rechten

lijn naar den borst getrokken, maar in een boog naar beneden gedrukt.

Zoo wordt met 't blad van den riem een kolom water mede opgelicht,

en door 't laatste gedeelte van den slag weggeworpen. Dat dit tot

de grootste fouten in 't roeien behoort, is duidelijk, want door 't

naar beneden drukken van den riem worden krachten aangewend niet in

horizontale richting, maar om de boot in 't water neer te drukken;

bovendien gaat 't laatste gedeelte (hoe klein ook) van den slag in de

lucht verloren. Nadat de leerling eenigen tijd op vaste banken heeft

geroeid, en hij zich aangewend heeft bij het begin van den slag zijn

lichaam flink vooruit te strekken, en bij het einde goed achterover te

vallen, en de slingerende beweging van het bovenlijf zonder schokken of

stooten uit te voeren, dan wordt het eerst tijd hem op sliding-seats te

doen plaats nemen. Hier wordt de beweging meer gecompliceerd, daar nu

de werking der beenen grooter is dan op vaste banken. Telkens wanneer

de slag geëindigd is en 't lichaam vooruitgestrekt wordt, moet ook 't

bankje naar voren gebracht worden. Dit laatste mag echter volstrekt niet

met geweld gedaan worden. Door de voorwaartsche strekking van armen en

lichaam wordt de stoot gegeven, waardoor 't bankje als 't ware van zelf

naar voren glijdt. Daarmee willen wij niet zeggen, dat 't vooruitbrengen

van 't lichaam met een schok moet geschieden, maar _eerst armen en

bovenlijf, en dan volgt de sliding-seat gemakkelijk en als van zelf_.

Doet men dit niet op deze wijze, dan zullen de spieren, die langs het

scheenbeen loopen, spoedig vermoeid worden, en de boot zal eene

stootende beweging verkrijgen.

Op 't oogenblik dat 't bankje naar voren is gebracht, moet ook 't

lichaam voorover gestrekt zijn, en op datzelfde oogenblik wordt het blad

weer in 't water gestoken en een nieuwe slag begonnen. Op de wijze,

waarop men met de beenen de sliding-seat naar achteren afzet, in verband

met de achteroverstrekkende beweging van 't lichaam, komen wij later

terug. Eerstbeginnenden is het vooral zaak op het hart te drukken,

ook hierbij _geen rukken of stooten te geven, maar gelijkmatig en

veerkrachtig alle bewegingen van 't roeien uit te voeren_.

Wij gelooven dat het, om 't juist gebruik van de sliding te leeren, den

beginner aan te raden is om in 't eerst niet de geheele lengte ervan af

te loopen, maar langzamerhand telkens een grooter stuk ervan te

gebruiken.

* * * * *

Wij behoeven bijna niet te zeggen, dat het van 't grootste gewicht is,

dat de leden van een ploeg _goed maat houden_, dat zij allen op 't

zelfde oogenblik hun riem in 't water steken en kracht zetten, en ook

op 't zelfde tijdstip hem er weer uit lichten en beginnen te scheren.

Wordt dit niet gedaan, dan zal 't totaal van de uitgeoefende kracht

versnipperd worden, en de boot nu eens naar bakboord- dan weer

naar stuurboordzijde overgetrokken worden, terwijl bovendien eene

schommelende beweging van de boot, 't gevolg van ongelijk roeien, niet

alleen lastig is voor de roeiers, maar ook eene wrijving veroorzaakt met

't water, die den gang van de boot tegenhoudt.

* * * * *

In dit hoofdstuk hebben wij gesproken van het "_snoek vangen_." Dit

gebeurt òf wanneer men den riem na 't eindigen van den slag niet tijdig

uit 't water kan lichten, òf wanneer men bij 't scheren, in plaats van

't blad over de oppervlakte van 't water te laten gaan, het ontijdig in

zijne platgedraaide houding weer in 't water doet vliegen. Het eerste

geval komt voor, wanneer de riem niet verticaal, maar scheef in 't water

wordt gestoken, zoodat hij in de diepte verdwijnt; of wanneer men 't

blad platdraait, vóórdat het uit 't water is gelicht. In beide gevallen

zal de boot een schok krijgen, en zoo de riem niet dadelijk uit de

dollen wordt gelicht, zullen deze noodwendig moeten breken. Daarom,

roeier, wanneer 't ongeluk van een snoek te vangen u overkomt, hef dan

dadelijk 't handvat van den riem met beide handen op, zoodat hij uit

de dollen gelicht wordt, en door den vaart over 't water langs den

achtersteven van de boot komt te glijden. Dadelijk daarna wordt 't

blad van den riem op 't water rustende met eenige kracht naar achteren

geslingerd, en op deze wijze wordt het met leer bedekte gedeelte weer in

de dollen gebracht.

Na de beginselen van 't roeien leert men met de boot te manoevreeren.

Plotseling kan zich iets voor den boeg opdoen, dat de stuurman eerst

laat ontdekt; dan is 't zaak de boot dadelijk tot stilstand te brengen,

ten einde eene botsing te voorkomen. Of men heeft zich in een nauw

vaarwater begeven, waarin 't wenden onmogelijk is, en de weg wordt

versperd. In het eerste geval moet men kunnen _stoppen_, in het tweede

_strijken_.

Het stoppen geschiedt aldus: met gestrekte armen en 't lichaam iets

voorover gestrekt brenge men 't blad van den riem bijna horizontaal,

maar met de holle zijde iets naar den boeg gericht, in 't water, en

draaie dan langzamerhand den riem om, totdat de holle zijde geheel naar

den voorsteven gekeerd is. Daarbij zorge men echter niet op het handvat

van den riem te drukken, want daardoor wordt het boord naar beneden

gedrukt.

De bewegingen van het strijken zijn juist de tegenovergestelde van die

van het ophalen of trekken. Achterover zittende brenge men den riem, met

de holle zijde van 't blad naar den boeg gekeerd, in 't water, strekke

de armen en bewege 't lichaam voorwaarts, zoodat het blad door 't water

geduwd wordt; na 't einde van den slag drukke men den riem iets neer

en draaie hem plat, schere het blad over 't water door 't lichaam

achteruit te brengen en de handen tegen de borst te trekken, en beginne

een nieuwen slag. Ook deze beweging geschiedt gelijkmatig, terwijl

slechts 't blad van den riem onder water mag gehouden worden. Bij 't

wenden, wanneer het ééne boord ophaalt en het andere strijkt, moeten

ook de riemen gelijktijdig in 't water komen, en daarbij richten zich

de strijkende roeiers naar de trekkende.

§ 3. _Nadere behandeling van sommige punten._

Wij stellen ons voor eenige momenten in de beweging van 't roeien

uitvoeriger te bespreken, enkele, omdat daaraan veel gewicht moet

gehecht worden, andere, omdat daarin de meeste fouten voorkomen, weer

andere, omdat daaromtrent de meeningen zeer uiteenloopen.

De correcte uitvoering van de bewegingen is dáárom niet alleen

wenschelijk, omdat 't begaan van een fout ten gevolge heeft verspilling

van krachten of verkeerde krachtsaanwending, maar ook omdat één fout

gewoonlijk andere na zich sleept. Het scheef inzetten b.v. van het blad

van den riem maakt niet alleen dat het eerste deel van den slag verloren

gaat, maar bovendien wordt het lastiger den riem van uit de diepte weer

uit 't water te lichten, en dit belemmert de snelle voortwaartsche

beweging van 't lichaam; de roeier komt daardoor uit de maat, en om

gelijk te blijven is hij genoodzaakt zijn lichaam minder voorover te

strekken en dus zijn slag korter te maken.

Indien het blad van den riem niet gedurende den geheelen slag onder

water gehouden wordt, maar bij het einde half uit 't water gelicht, dan

zal niet alleen de op de boot werkende voortstuwende kracht verminderd

worden, maar bovendien door den minderen weerstand van 't water tegen

het blad, de slag spoediger geëindigd zijn dan bij de andere roeiers

't geval is, wanneer door allen dezelfde kracht wordt aangewend; zoo

zal dus ook hier de maat verbroken zijn, en de voorwaartsche beweging

langzamer moeten zijn om zich als 't ware te laten inhalen, en bij 't

begin van den slag weer gelijk te zijn.

Nederlandsch handboek voor roeisport · 第 3 / 7 段