TWEEDE HOOFDSTUK.
DE BOOT EN HARE ONDERDEELEN.
§ 1. _De Boot._
De booten worden in twee hoofdgroepen verdeeld: _outrigged-_ en
_inriggedbooten_.
Bij ons te lande wordt bijna uitsluitend de laatste soort gebezigd, om
welke reden wij daaraan het meest onze aandacht zullen wijden.
Daar echter de veranderingen en verbeteringen aan de _outriggedbooten_
ook op die der tweede soort grooten invloed hebben uitgeoefend, zullen
wij vooraf eene korte beschrijving van _outriggedbooten_ geven. De
snelheid eener boot is afhankelijk van twee hoofdfactoren, n.l. hare
breedte en de lengte van den hefboom des riems. De uitvinding van den
outrigger nu is de eenvoudige oplossing van het probleem: de lengte van
den hefboom onafhankelijk te maken van de breedte der boot, m. a. w.
de boot smaller te kunnen maken, zonder dat het daarbij noodig is den
hefboom te verkorten. ~H. Clasper~ van New-Castle on Tyne heeft in 1841
deze vraag opgelost door de dollen, in plaats van op het boord, buiten
de boot op een uitstekend ijzeren toestel aan te brengen.
Naar dit toestel nu, dat den naam _outrigger_ draagt, worden ook de
booten, die er mede voorzien zijn, _outriggers_ genoemd.
Zij hebben in Amerika en Engeland de oudere bootsoorten op wedstrijden
geheel verdrongen, zijn in Duitschland reeds overal ingevoerd en
beginnen ook in Frankrijk en België het burgerrecht te verkrijgen.
In Nederland is tot nog toe de _single-sculling_ de eenige
vertegenwoordiger van de _outriggers_ op wedstrijden.
Daar _outriggers_, die voor wedstrijden gebruikt worden, gewoonlijk niet
meer dan een paar centimeter boven het water uitsteken, zijn zij met taf
overdekt, uitgezonderd het gedeelte waarin de roeiers zitten. Dit wordt
door eene kleine verhooging der boorden, het _waschboord_ genaamd, tegen
het binnenslaan der golven beveiligd.
Bij _inrigged-_ of _rowlockboats_ (_yole-gigs_, _Dollenboote_), bij ons
kortweg _gieken_ geheeten, zijn de dollen niet op outriggers, maar op de
boorden aangebracht.
De _giek_ is breeder en hooger dan de _outriggers_; breeder, omdat geen
outrigger hierin de lengte van den hefboom onafhankelijk maakt van de
breedte der boot; hooger, omdat zij niet overdekt zijn. Doordat echter
de roeiers niet in het midden der boot, maar tegen de boorden zitten,
kan hierdoor de hefboom weer langer zijn.
Hoewel, zooals reeds gezegd is, in vele landen op wedstrijden door
den _outrigger_ verdrongen, zal toch ook daar de _giek_ steeds
moeten blijven bestaan voor het oefenen van beginners; want om in een
_outrigger_ te kunnen gaan roeien moet men het tot zekere hoogte in de
kunst gebracht hebben. Bij ons wordt de _giek_ nog altijd op wedstrijden
gebruikt, doch voorzien van allerlei veranderingen en verbeteringen, die
in Engeland in verloop van tijd aan de _outriggers_ werden aangebracht.
Zoo ziet een _racegiek_ (_yole-gig de course_, _Dollenrennboot_), die
men tegenwoordig van fransche of duitsche bootbouwers ontvangt, er
geheel anders uit dan eene echte, oude engelsche _inriggedracingboat_;
de sliding-seat is er in aangebracht, de oude houten dollen zijn door
_swiveling-rowlocks_ vervangen, en deze staan niet meer op het boord,
doch op een naar buiten stekend, op het boord aangebracht stuk hout,
zoodat het eigenlijk geen _inriggers_ meer zijn. En nog worden
er jaarlijks nieuwe veranderingen in aangebracht en worden onze
vereenigingen daardoor jaar op jaar gedwongen zich nieuwe booten aan te
schaffen, zoo zij ten minste op wedstrijden niet door haar materiaal
aan de tegenpartij een voordeel willen verschaffen; en de bootbouwers
wrijven zich de handen van plezier en worden steeds scherpzinniger in
het uitvinden van "_innovations_"; want elke nieuwigheid heeft nieuwe
bestellingen tengevolge.
Hiertegenover staat, dat wij, de _outriggers_ op onze wedstrijden
invoerende, onze vereenigingen vele kosten zouden besparen, daar het
model van een _outrigger_ niet telkens verandert.
Maar het grootste voordeel zou zijn, dat wij ook met de Engelschen, tot
dusver de eersten onder de amateurs, onze krachten zouden kunnen meten,
terwijl wij nu met onze _gieken_ op het vasteland kunnen blijven.
Waarom niet flink en doortastend terstond de _outriggers_ ingevoerd in
plaats van krampachtig aan onze _inriggers_ vast te houden, die toch
eigenlijk geen _inriggers_ meer zijn?
Wij stellen met onze hybridische _gieken_ nog ééns de uitvinding van den
_outrigger_ voor.
Immers men verhaalt, dat ook de eerste _outrigger_ slechts een houten
toestel was om de dollen naar buiten te brengen, en dat ~Clasper~ hierop
het denkbeeld heeft opgevat om dit toestel te verlengen en uit ijzeren
stangen te vervaardigen. En dat was in 1841!
Ook bij onze naburen, de Belgen, is de _outrigger_ zeer koel ontvangen
en slechts op enkele "_courses pour embarcations de construction libre_"
verschenen. Toch vindt hij daar ijverige verdedigers, getuige het
jaarverslag over 1885 van de _Cercle des Régates_ te Brussel, waarin men
leest: "Depuis longtemps les sociétés des pays voisins nous ont devancés
dans cette voie, et il est réellement fâcheux qu'en Belgique certains
cercles persistent dans leurs anciens errements."
Zoowel _outriggers_ als _inriggers_ ontvangen naar het aantal roeiers,
waarvoor zij bestemd zijn, hun naam. Zoo heet eene boot voor 8, 6, 4
of 2 roeiers een _achtriems_ (_eight-oar_, _gig à huit rameurs_,
_Achtriemer_), _zesriems_, _vierriems_ of _tweeriems_ (_pair-oar_).
Wanneer de roeier slechts één riem hanteert, zoo heet deze _oar_
(_aviron de pointe_); roeit hij echter met twee riemen, dan worden deze
_sculls_ (_avirons de couple_) genoemd, de roeier is dan een _sculler_
en de boot een _scullingboat_.
Een boot, die slechts voor één roeier bestemd is, heet daarom
_single-scullingboat_.
Ook komen wel booten voor, die voor meerdere scullers zijn ingericht.
Booten, die door meerdere roeiers worden voortbewogen, hebben gewoonlijk
een stuurman.
In Amerika en Engeland worden echter _vierriemsoutriggers_ meestal--en
_tweeriemsoutriggers_ (_pairoars_) altijd door een der roeiers gestuurd.
De tegenwoordige _single sculling outrigger_, waarin alom om het
"_championship_" geroeid wordt, draagt in België en Frankrijk algemeen
den naam van _skiff_, waaronder vroeger een geheel ander vaartuig werd
verstaan. Toen was het een korte, zware en wijde boot, die eenigszins
het model van eene _wherry_ had.
De _wherry_ was vóór twintig jaren de meest voorkomende boot op de
Thames. Zij gelijkt op een _giek_, maar is zwaarder en korter, terwijl
de boorden, in plaats van over de geheele lengte dezelfde hoogte te
hebben, op de plaatsen, waar de dollen zijn aangebracht, oploopen. Zij
is meestal overnaadsch en dient voor het maken van tochten, zoodat zij
dikwijls ook voor zeilen is ingericht.
§ 2. _Onderdeelen der Boot._
Wanneer men zich in eene boot gezeten denkt met het gelaat naar den
voorsteven, evenals de stuurman, dan heet de linkerzijde _bakboord_
(_port_ of _larboard_, _babord_, _Backbord_)--de rechterzijde
_stuurboord_ (_starboard_, _tribord_, _Steuerbord_).
Het voorste gedeelte tot aan den eersten roeier wordt de _boeg_ (_bow_,
_Bug_)--het achterste tot aan den stuurman de _achtersteven_ (_stern_)
genoemd; het overige heet _midships_.
Tot de onderdeelen overgaande hebben wij vooreerst: de _kiel_ (_the
keel_), die bij zware booten aan den binnen- en buitenkant--doch bij
racebooten alleen aan den binnenkant zichtbaar is. Zij vormt geen rechte
lijn, maar is aan de beide uiteinden eenigszins opwaarts gebogen en is
dus als 't ware de ruggegraat der boot.
Aan beide zijden van de kiel zijn de _ribben_ (_the ribs_, _timbers_ of
_lands_, _die Rippen_) bevestigd. Het is van groot belang, dat de ribben
stevig met de kiel verbonden zijn, daar zij het beloop der zijwanden
aangeven.
De _waterlijn_ is de streep, die het water op de zijden der boot
afteekent, wanneer deze bemand op het water ligt. Daar elke boot ééne
bepaalde ligging op het water heeft, waarbij zij het snelst loopen kan,
is het groot geheim der kunst juist in het vaststellen dier lijn
gelegen.
Het lichaam zelf der boot bestaat uit lange, smalle, over elkander
sluitende planken, die tegen de ribben genageld zijn. Zulke booten
heeten _overnaadsche-_ of _klinkerbooten_.
Bij _lichte_ of _gladde booten_, die op wedstrijden gebruikt worden, is
het lichaam uit lange, breede en zeer dunne bladen hout samengesteld.
Deze zijn door stoom gebogen en sluiten zóó dicht tegen elkander, dat
het geheele uitwendige eene gladde oppervlakte vertoont.
Deze laatste soort wordt gewoonlijk van amerikaansch cederhout
vervaardigd, terwijl de overnaadsche booten meestal van eiken- of
mahoniehout zijn gemaakt en voor oefen- of pleiziervaartuigen dienen.
Racebooten worden tegenwoordig zóó gemaakt, dat zij in twee of drie
stukken kunnen worden uit elkander genomen, hetgeen vooral voor het
vervoer zeer gemakkelijk is en vele kosten bespaart. De Franschen noemen
zulk eene boot _démontable_, de Duitschers _zusammenlegbar_.
In Amerika worden racebooten in de laatste jaren ook van papier
vervaardigd; zij moeten ten opzichte van lichtheid, gemakkelijke
reparatie, groote hechtheid, enz. vele voordeelen aanbieden. Door lang
in het water te liggen zal de papieren substantie, al is deze ook nog
zoo hard gemaakt, naar onze meening, echter noodzakelijk water inzuigen.
In Europa zijn zij nog slechts weinig in gebruik om de eenvoudige reden,
dat de Amerikanen de bewerking geheim houden. Al heeft men er dus de
hooge transportkosten voor over om hier zulk eene boot te bezitten, zoo
moet men haar toch bij elke averij in Amerika laten herstellen.
_Boeg_ (_stem_, _Bug_) heet het voorste gedeelte der boot, dat het water
doorsnijdt, terwijl het achterstuk, waaraan het roer bevestigd wordt,
_achtersteven_ (_stern_ of _afterpart_, _Hintersteven_)--en bij booten,
waarbij dit deel niet scherp uitloopt, maar een klein plat vlak vormt,
_hek_ (_transom_, _Heck_) wordt genoemd.
De _loopplanken_ liggen altijd los op den bodem der boot om er bij het
schoonmaken te kunnen worden uitgenomen.
De _spoorplank_ of het _voetbord_ (_stretcher_, _la barre de pied_,
_Stemmbrett_), waartegen men bij het roeien de voeten plaatst, kan
naar gelang van de lengte der beenen verplaatst worden. Hierop is de
_voetriem_ bevestigd, die de voeten van den roeier omsloten houdt en
deze daardoor in de voor- en achterwaartsche bewegingen ondersteunt.
Het is noodzakelijk voor de regelmatigheid dezer bewegingen, dat beide
voeten in voetriemen steken, daar de roeier, zoo slechts één der voeten
door een riem is omvat, na het einde van den slag alle kracht bij het
naar voren komen op die zijde van het lichaam overbrengt.
_Dollen_ (_rowlocks_, _dames_, _Dullen_) zijn de houten of metalen
pennen, waartusschen de riem bij het roeien ligt. Zij zijn bij
_inriggers_ op de boorden--bij _outriggers_ op de _outriggers_
aangebracht. De een, waartegen de riem bij het trekken drukt, heet de
_trekdol_ (_thowl_, _dame d'arrêt_, _Ruderpflock_), de ander, die bij
het strijken dienst doet, de _strijkdol_ (_stopper_ of _after-thowl_,
_dame de retour_, _Streichpflock_).
Het houtje, dat tusschen de beide dollen ligt en waarop de riem rust,
heet het _scheerhout_ of _vulhout_ (_filling_, _Dullenlager_ of
_Fütterung_).
Sedert eenige jaren is men in Amerika op de gedachte gekomen om
beweegbare dollen op scullingbooten te plaatsen.
[Illustratie: Fig. 1.]
Het is eene uitvinding, die op het invoeren der sliding-seat
noodzakelijk volgen moest. Terwijl immers hierdoor de roeier werd in
staat gesteld om de sculls veel verder naar voren en achteren te brengen
dan op vaste banken, moesten ook de dollen verder van elkander worden
geplaatst. Dit nu was nadeelig, 1e door de grootere speelruimte,
welke de scull daardoor tusschen de dollen kreeg, en door de daaruit
voortvloeiende onvastheid, en 2e door de grootere wrijving.
Deze beide bezwaren nu worden door de _draaidollen_ (_swivel rowlocks_)
opgeheven, daar de roeier hierbij zóóver met zijne sculls reiken kan,
als hij zelf maar wil.
Van deze draaidollen bestaan tegenwoordig alweer tallooze soorten. Ook
de fransche bootbouwers brengen ze op inriggers aan. Voor een der beste
soorten geldt de "_Davis swivel rowlock_", waarvan ook ~Hanlan~ zich
steeds bediend heeft. (zie fig. 1).
De _riem_ (_oar_ of _scull_, _aviron_ of _rame_, _Ruder_ of _Riem_)
bestaat uit vier deelen: het _handvat_ (_handle_, _le manche_, _la
poignée_, _Griffe_), het _binneneind_ (_loom_, _Innenhebel_), het
_buiteneind_ (_shank_ of _small_, _Aussenhebel_) en het _blad_ (_blade_,
_pelle_, _Blatt_).
Op de plaats, waar de riem in de dollen rust, is hij over eene lengte
van 15 cM. met leder bekleed om de wrijving te verminderen; en hierop is
het _stootleêr_ (_stop_, _Pflock_ of _Knopf_) aangebracht, dat het
uitglijden uit de dollen verhindert.
Dit stootleer werd gewoonlijk met drie lange draadnagels aan den riem
vastgemaakt, waardoor deze op die plaats zeer verzwakt werd. In de
meeste gevallen, dat riemen werden stukgetrokken, geschiedde dat op die
plaats. Nu heeft een Engelschman ~Young~ in 1885 een middel uitgevonden
om het stootleer zonder spijkers aan den riem te bevestigen, en op zijne
uitvinding patent aangevraagd. De door roeiers uit Londen, Oxford en
Cambridge genomene proeven hebben uitstekend voldaan.
Ook in de riemen heeft de Amerikaan ~Davis~ in den laatsten tijd eene
verbetering aangebracht. De as der bladen van de door hem vervaardigde
riemen valt niet in het verlengde van den steel, maar vormt hiermede een
hoek, zoodat bij het roeien de bovenkant van het blad evenwijdig is aan
de wateroppervlakte, hoewel de steel van den riem met het watervlak
natuurlijk een stompen hoek maakt.
Onderstaande figuur geeft een scull te zien, zooals die onder den trek
in het water staat.
[Illustratie: Fig. 2.]
De proeven, die de berlijnsche bootbouwer ~Rettig~ in 1885 met holle
riemen heeft genomen, zijn niet bevredigend uitgevallen.
Het _roer_ (_the rudder_, _la barre_, _das Steuer_), dat met de roerpen
aan den achtersteven wordt verbonden, bestaat uit het blad, en het juk,
aan welks uiteinden de _stuurlijnen_ (_yokelines_, _fils_,
_Steuerleinen_) verbonden zijn.
De _vanglijn_ (_painter_ of soms _headfast_) is het touw, waarmede de
boot wordt vastgelegd.
De zitplaatsen blijven ons nog ter bespreking over.
De zitplaats van den stuurman, stuurbank genoemd, wordt tegenwoordig
aldus in de boot aangebracht, dat men dien naar gelang van het gewicht
van den stuurman kan verplaatsen.
De _roeibanken_ (_thwarts_, _bancs de nage_, _Ruderbänke_) staan dwars
op de boot en zijn door middel van kniehoutjes aan de boorden bevestigd.
Gewoonlijk zit de roeier op een aan den bank vastgebonden matje of
kussen om het afglijden en dóórroeien tegen te gaan. Op wedstrijden
echter lieten de roeiers die kussens weg en gleden op hunne banken
heen en weder om den slag langer te kunnen maken; om deze beweging
te vergemakkelijken werd de zitplaats wel met zeep of vet bestreken,
waarover de roeier dan met eene met leder bekleede broek heen en weer
schoof.
Bij het scullen was deze methode ongetwijfeld voordeelig; doch bij het
roeien, waarbij 6 à 10 slagen per minuut méér worden gemaakt, woog het
voordeel van den langeren slag niet op tegen de buitengewone inspanning
der beenen.
Zoo was de beroemde ploeg van Renforth gewoon op vaste banken te
glijden, wanneer zij op een korten afstand alle krachten aanwendden
(_to make a spurt_, _faire un enlevage_), doch op lange afstanden konden
zij zulks niet volhouden. Ook de vierriemsploeg "~John-o' Gaunt~" van
Lancaster, die in 1870 aan de Henley deelnam, gleed over vaste banken,
en verkreeg op eene korte baan eene groote snelheid; maar de beenen
werden te zeer ingespannen, dan dat zij het lang vermochten vol te
houden.
Zonderling, dat roeiers, die toch inzagen, dat het gebrekkige in dit
glijden voortkwam uit de wrijving van het lichaam op den bank, niet op
de gedachte kwamen de beweging te vereenvoudigen door den bank tegelijk
met het lichaam te laten glijden. Aan een Amerikaan is de theoretische
toepassing van dit principe te danken. Maar de amerikaansche roeiers,
hoewel schrander genoeg om in te zien dat, zoo het lichaam over den
bank moest glijden, deze beweging gemakkelijker werd door op een
afzonderlijk bankje over den eigenlijken bank heen en weer te gaan,
stelden deze uitvinding niet genoeg op prijs; hetgeen wel hieraan wordt
toegeschreven, dat de Amerikanen in dien tijd bij het roeien bijna allen
hunne armen en schouders gebruiken, zonder aan het gebruik der been- en
lendespieren gewicht te hechten.
Een ploeg uit het noorden van Engeland, die destijds in Amerika
vertoefde en daar de oplossing van het probleem zag, bracht het
bij haar terugkomst in praktijk; en het groote nut der _glijbanken_
(_sliding-seats_, _bancs à coulisse_, _Gleitsitze_) bleek op den
wedstrijd voor vierriemsgieken in Nov. 1871 op de Tyne. ~J. Taylor~
namelijk had zijne ploeg overgehaald tot het beproeven der nieuwe
methode en dit tot den dag van den wedstrijd zorgvuldig geheim gehouden.
Het resultaat was verrassend, want de tegenpartij, de ploeg van
~Chambers~, werd met gemak verslagen.
Twee wedstrijden in sculling, in de daaropvolgende lente op de Thames
gehouden, deden het voordeel der glijbanken nog meer uitkomen.
Zonderling is het verder, dat de Amerikanen, de eigenlijke uitvinders
der glijbanken, nalieten er zich van te bedienen, en, terwijl zij
zelven in hunne methode van roeien de beenen niet gebruikten, aan hunne
mededingers, de Engelschen, door hunne uitvinding de beste wijze aan de
hand gaven om het meeste voordeel van de beenspieren te trekken.
Bekend is de overwinning van de _London Rowing-club_ op de _Club
Atalanta_ van New-York, waarbij eerstgenoemde de glijbanken gebruikte.
Hoewel toen de Engelschen, zoowel door meerdere physieke kracht als door
hun beteren stijl, ook zonder dat voordeel de overwinning zouden hebben
behaald, zoo was toch de _sliding-seat_ in de engelsche boot voor een
groot gedeelte de oorzaak van de smadelijke nederlaag der Amerikanen.
Maar juist de overtuiging, dat de Engelschen toch verreweg de baas
waren, hield de oppositie tegen de nieuwigheid bij de roeiers van het
oude stelsel nog levendig. Want de schoone stijl (zoo redeneerden zij)
gaat er door verloren, al moge men dan ook iets in snelheid winnen.
Mettertijd echter ging men inzien, dat de schoone stijl zeer goed te
vereenigen was met het roeien op _sliding-seats_, en dat, al valt het
niet te ontkennen dat voorbeelden van goeden stijl minder talrijk zijn
dan in den tijd van de vaste banken, deze toch langzamerhand terugkeert.
En naarmate men het juiste gebruik der _sliding-seat_ beter zal leeren
kennen, zullen alle roeiliefhebbers zich niet over het bederf van den
stijl hebben te beklagen, doch zich verheugen over eene uitvinding, die
alle lichaamsdeelen tot hun recht laat komen en het roeien tot een der
volledigste lichaamsoefeningen maakt.
In den laatsten tijd tracht men ook in de _sliding-seat_ weer
verbeteringen te brengen door de banken over wieltjes te laten
rollen. Daar men het over de zaak nog niet eens is, verwijzen wij
belangstellenden naar de no. 24 en 25 van de _Wassersport_ van 1885,
waarin de kwestie door ~Dr. Schiller~ in met teekeningen opgeluisterde
opstellen wetenschappelijk behandeld wordt; en naar no. 42, waar zij
door ~R. Rochow~ meer uit een praktisch oogpunt wordt besproken.
Nog van eene andere uitvinding der Amerikanen moeten wij melding maken,
n.l. het _windzeil_ voor scullers. Ieder sculler weet bij ondervinding,
hoe lastig het is om bij zijwind koers te houden, daar de boot steeds
neiging heeft met den boeg tegen den wind in te loopen; hierdoor is men
dan genoodzaakt met den arm aan de windzijde bijna alléén te roeien,
zoodat deze daardoor bovenmatig ingespannen en vroegtijdig vermoeid
wordt.
Verschillende middelen werden daartegen reeds beproefd, o. a. heeft men
een gewicht van een kilo aan het achtereind der boot gehangen, onder aan
de kiel een zwaard aangebracht: alles tevergeefs.
Door het eerste middel namelijk lag de boot van achteren te diep en stak
met den boeg in de lucht, door het tweede werd het draaien zoo goed als
onmogelijk.
Eerst het _windzeil_ heeft de kwaal geheel verholpen. Het bestaat uit
een dun blad hout, dat loodrecht op den boeg wordt geplaatst en aan
elken zijwind is blootgesteld. De wind draait dan, door den druk op het
zeil, den boeg zoover van zich af als de neiging der boot is om in den
wind op te loopen, zoodat de boot haren rechten koers behoudt en de
roeier beide armen gelijkelijk kan gebruiken, hetzij hij bij windstilte
of bij sterken zijwind vaart.
De beide volgende afbeeldingen van verschillend gevormde windzeilen,
ontleend aan de "_Spirit of the Times_," zijn geplaatst op booten van de
_New-York Athletic-Club_.
[Illustratie: Fig. 3.]
[Illustratie: Fig. 4.]
* * * * *
Na alzoo de boot en hare onderdeelen te hebben besproken, rest ons nog
het een en ander over de vervaardigers ervan te zeggen.
Om dan met ons land te beginnen, kunnen wij de ~Gebr. van Heemstede Obelt~
te Amsterdam noemen, die vooral in de laatste jaren in het bouwen van
racegieken zijn vooruitgegaan, getuige de overwinningen der R. V.
_Fortuna_ in gieken van die firma behaald.
Hunne booten zijn gewoonlijk zwaarder dan de fransche en engelsche, en
dit is zeker de reden, waarom de nederlandsche roeivereenigingen hunne
gieken meestal uit den vreemde laten komen.
In het vorige jaar hebben zich ook te Rotterdam ~Deichmann~ en ~Ritchie~,
die vroeger bij ~Rettig~ te Berlijn werkzaam waren, nedergezet en zich
reeds een goeden naam verworven met booten voor berlijnsche clubs en
voor de _Deutsche Turn- und Ruder-Verein_ te Rotterdam.
De duitsche fabriekanten zijn ons onbekend, hoewel er in de laatste
jaren aldaar velen zijn verrezen.
Wij laten onze inriggers voor verreweg het grootste gedeelte uit
Frankrijk komen, hetzij van ~Louis Dossunet~ te Joinville-le-Pont
(à l'Ecluse) Seine of van ~Tellier~, Quai de la Rapée, Paris.
Bij ~Dossunet~ schijnt men zich wel het best te bevinden, daar alle
nederlandsche ploegen, die de laatste jaren in België, waar men algemeen
aan booten van ~Tellier~ de voorkeur geeft, overwinningen hebben behaald,
deze lauweren in booten uit ~Dossunet~'s werkplaats hebben weggedragen.
Ook zijn zijne booten veel billijker in prijs. De Stud. R. V. _Njord_
toch ontving in 1883 van hem een tweeriemsracegiek van 700 francs en in
het volgend jaar een dito van ~Tellier~ voor 900 francs.
Inriggers uit Engeland te laten komen is niet aan te raden, daar men
zich daar niet meer bedient van de bootsoort, die bij ons op wedstrijden
gebruikt wordt. Zoo hebben wij van ~Clasper~ te Oxford in 1881 een
vierriems- en in 1882 een zesriemsracegiek (beide inrigged) gezien, die
zóó slap waren, dat men bij het uit- en indragen bang was, dat ze inéén
zouden zakken.
Voor losse riemen zijn ~E. Ayling~, oar and scullmaker, Vauxhall, London
S. E., alsmede ~Norris~, York, Wandsworth aan te bevelen, die zonder
prijsverhooging bij ~Deichmann~ en ~Ritchie~ te verkrijgen zijn.
Voor outriggers, die door de genoemde fransche firmas trouwens ook
vervaardigd worden, worden gewoonlijk genomen ~J. H. Clasper~ in Oxford;
~Searle & Sons~, London, ~S. E. Stangate~, Lambeth; en ~R. Simmons & Sons~
in Putney. Bij ~Messum & Sons~ te Richmond bevonden wij ons vroeger zeer
goed wat betreft booten met vaste banken.
* * * * *
De duurzaamheid eener boot hangt grootendeels af van de wijze van
behandeling, vooral lichte racebooten kunnen door vele geforceerde
wendingen in korten tijd worden tegronde gericht.