HIER IS NU MIJN RAAD.

Zijt gij alzoo begeerig, dat gij de aarde alleen wilt beërven, zoo

behoort gij nimmer meer eene andere taal over uwe lippen te laten komen

als godestaal, en dan behoort gij te zorgen, dat uw eigen taal vrij

blijft van uitheemsche klanken. Wilt gij nu dat er sommige van Lydas

kinderen en van Findas kinderen blijven, dan doet gij even zoo. De

taal der Oost Schoonlanders is door de vuile Magyaren verdraaid; de

taal der Keltana volgers is door de smerige Golen verdorven. Nu zijn

wij zoo mild geweest om de terugkeerende Hellenia volgers weder in

ons midden te nemen, maar ik schroom en ben zeer bezorgd, dat zij onze

mildheid zullen vergelden met verontreiniging van onze zuivere taal.

Veel hebben wij wedervaren, maar van alle burgten die door de booze

tijd verstoord en verdelgd zijn, heeft Irtha Fryasburgt onverlet

behouden; ook mag ik daar bij vermelden dat Fryas of Gods taal hier

even ongeschonden behouden is.

Hier op Texland moest men dus scholen stichten; van alle staten, die

het met de oude zeden houden, moest het jong volk hier heen gezonden

worden; daarna mochten zij die volleerd waren, de anderen helpen die

te huis verbeiden. Willen de andere volken ijzerwaren van u koopen

en daarover met u spreken en dingen, dan moeten zij tot godestaal

terugkeeren. Leeren zij Godstaal, dan zullen de woorden vrij zijn en

recht hebben tot hen inkomen, in hun brein zal het dan beginnen te

glimmen en te gloren tot dat alles tot eene vlam wordt. Deze vlam

zal alle slechte vorsten verteeren en alle schijnvrome en smerige

priesters.

De inlandsche en uitlandsche zendboden hadden genoegen van dat

geschrift, doch er kwamen geene scholen. Toen stichtte Adel zelf

scholen, na hem deden de andere vorsten hetzelfde. Jaarlijks gingen

Adel en Ifkja de scholen in oogenschouw nemen. Bevonden zij dan onder

de inlanders of buitenlanders zoodanige, die elkander vriendschap

toedroegen, dan lieten zij beide groote blijdschap blijken. Hadden

sommige zoodanige elkander vriendschap gezworen, dan lieten zij

alle menschen bij elkander komen, en met groote staatsie lieten

zij dan hunne namen in een boek schrijven, door hun het boek der

vriendschap genoemd: daarna werd feest gevierd. Al deze gebruiken

werden onderhouden om de afzonderlijke takken van Fryas stam weder

te zamen te snoeren. Doch de maagden die op Adel en Ifkja afgunstig

waren zeiden, dat zij het nergens anders om deden, dan om een goeden

roep en om allengs te heerschen over een anders staat.

Bij mijn vaders schriften heb ik een brief gevonden geschreven door

Luidgert den Geertman, behalve sommige zaken die mijn vader alleen

aangaan, geef ik hier het andere ten beste.

Pangab, dat is vijf wateren, en waar nevens wij weg komen, is

eene rivier van bijzondere schoonheid, en vijf wateren genoemd,

omdat vier andere rivieren door zijn mond in zee stroomen. Heel

verre oostwaarts is nog eene groote rivier, de heilige of vrome

Ganges geheeten. Tusschen deze beide rivieren is het land der

Hindos. De beide rivieren loopen van de hooge bergen naar de laagte

neer. Die bergen, waar zij van afstroomen, zijn zoo hoog, dat zij

tot den hemel reiken (laia), daarom wordt het gebergte Himmellaia

gebergte genoemd. Onder de Hindos en andere uit die landen zijn er

sommige lieden die in stilte bij elkander komen. Zij gelooven dat

zij onverbasterde kinderen van Finda zijn. Zij gelooven dat Finda

van uit het Himmellaia gebergte geboren is, van waar zij met hare

kinderen naar de delte of de laagte getrokken is. Sommigen onder hen

gelooven, dat zij met hare kinderen op het schuim van de heilige Ganges

naar beneden gegaan is. Daarom zoude die rivier de heilige Ganges

heeten. Maar de priesters die uit een ander land weg komen lieten

die menschen opsporen en verbranden; daarom durven zij voor hunne

zaak niet openlijk uitkomen. In dit land zijn alle priesters dik en

rijk. In hunne kerken worden allerlei gedrochtelijke beelden gevonden,

daaronder zijn vele van goud. Bewesten Pangab zijn de Yren (Iraniers)

of wrangen (Drangianen), de Gedrosten (Gedrosiers) of weggeloopenen,

en de Urgetten          of vergetenen. Al deze namen zijn hun door de

nijdige priesters gegeven, omdat zij hen ontvlieden wegens de zeden

en het geloof. Bij hunne komst hadden onze voorouders zich ook aan

den oostelijken oever van den Pangab neergezet, maar om der priesteren

wille zijn zij ook naar den westelijken oever gevaren. Daardoor hebben

wij de Yren en anderen leeren kennen. De Yren zijn geen wilden,

maar goede menschen, die geen beelden toelaten noch aanbidden: ook

willen ze geen kerken noch priesteren dulden, en even als wij het

heilige licht van Fasta aanhouden, zoo houden zij allerwege vuur

in hunne huizen brandende. Komt men later heel westelijk, zoo komt

men bij de Gedrosten. Van de Gedrosten: deze zijn met andere volken

verbasterd, en spreken alle afzonderlijke talen. Deze menschen zijn

wezenlijk wilde moordenaren, die altijd met hunne paarden over de

velden dwalen, die altijd jagen en rooven, en die zich als soldaten

verhuren aan de omwonende vorsten, ter wier wille zij alles neder

houwen, wat zij kunnen bereiken. Het land tusschen den Pangab en de

Ganges is even vlak als Friesland aan de zee, afgewisseld met velden

en wouden, vruchtbaar in alle deelen; maar dit kan niet beletten dat

daar bijwijlen duizenden bij duizenden van honger bezwijken. Deze

hongersnood mag daarom noch aan Wralda, noch aan Irtha geweten

worden: maar alleen aan de vorsten en priesters. De Hindos zijn

even bloode en vervaard voor hunne vorsten als de hinden voor de

wolven zijn. Daarom hebben de Yren en anderen hen Hindos genoemd,

dat hinden beteekent. Maar van hunne blooheid wordt afschuwelijk

misbruik gemaakt. Komen er uitheemsche kooplieden om koren te koopen,

dan wordt alles te gelde gemaakt, en door de priesters wordt het niet

geweerd, want deze nog listiger en hebzuchtiger als alle vorsten te

zamen, weten heel goed, dat al het geld eindelijk in hunne buidels

komt. Buiten en behalve dat de menschen daar veel van hunne vorsten

lijden, moeten zij ook nog veel van het vergiftige en wilde gedierte

lijden. Daar zijn groote olifanten, die bij geheele kudden loopen, die

soms geheele koornvelden vertrappen en geheele dorpen. Daar zijn bonte

en zwarte katten, tijgers geheeten, die zoo groot als groote kalveren

zijn, die mensch en dier verslinden. Buiten vele andere kruipende

dieren zijn er slangen van de grootte van een worm af tot de grootte

van een boom. De grootste kunnen eene geheele koe verslinden, maar

de kleinste zijn nog vreeselijker als die. Zij houden zich tusschen

bloemen en vruchten verscholen om de menschen te overrompelen, die

ze willen afplukken. Is men daardoor gebeten zoo moet men sterven,

want tegen haar vergif heeft Irtha geene kruiden gegeven, alzoo dat de

menschen zich hebben schuldig gemaakt aan afgoderij. Voorts zijn daar

allerlei soort van hagedissen, schildpadden en krokodillen; al deze

disken zijn evenals de slangen van een worm tot een boomstam groot;

naar dat zij groot of vreeselijk zijn, zijn hunne namen, die ik alle

niet noemen kan, de allergrootste adisken heeten alligators omdat zij

even gretig bijten in het verrotte vee, dat met de stroom van boven

naar de laagte drijft, als in het levende gedierte, dat zij kunnen

overrompelen. Aan de westzijde van Pangab, waar wij van daan komen,

en waar ik geboren ben, bloeijen en groeijen dezelfde vruchten en

granen als aan de oostzyde. Te voren werden er ook dezelfde kruipende

dieren gevonden, maar onze voorvaderen hebben alle kreupelbosschen

verbrand, en al zoo vaak achter het wilde gedierte gejaagd, dat er

slechts weinige meer over zijn. Komt men heel westelijk van Pangab,

dan vindt men nevens vetten kleigrond ook dorre geestlanden, die

eindeloos schijnen, bij wijlen afgewisseld met liefelijke streken,

waaraan het oog geboeid blijft. Onder de vruchten van het land zijn

er vele, die ik hier niet gevonden heb. Onder allerlei koorn is er

ook goudgeel; ook goudgeele appelen, van welke sommige zoet zijn als

honing, en andere zoo wrang als azijn. Bij ons worden noten gevonden

zoo groot als kinderhoofden; daar zit kaas en melk in; worden ze

oud dan maakt men er olie van; van de bast maakt men touw, en van de

kernen maakt men kelken en ander huisraad. Hier in de wouden heb ik

kruip- en steekbessen gezien. Bij ons zijn bessenboomen zoo groot als

uwe lindeboomen, waarvan de bessen veel zoeter en driewerf grooter

zijn als uwe doornbessen zijn. Wanneer de dagen op het langste zijn

en de zon uit het toppunt schijnt, dan schijnt ze lijnrecht op uw

hoofd neder. Is men dan met zijn schip heel ver zuidelijk gevaren,

en men des middags met zijn gelaat naar het oosten gekeerd, zoo

schijnt de zon tegen uwe linkerzijde, gelijk zij anders aan uwe

rechterzijde doet. Hiermede wil ik eindigen, maar na mijn schrijven

zal het u licht genoeg vallen, om de leugenachtige verhalen te kunnen

schiften van de ware berichten. Uw Liudgert.

Thet Oera Linda Bok, Naar een Handschrift uit de Dertiende Eeuw · 第 56 / 118 题