HIER IS DIT GESCHRIFT MET GOSAS RAAD.

Toen Wralda kinderen gaf aan de moeders van het menschelijk geslacht,

toen legde hij ééne taal in aller tongen en op aller lippen. Dit

geschenk had Wralda aan de menschen gegeven, opdat zij elkander

daarmede mochten kenbaar maken, wat men vermijden moet en wat men

najagen moet om zaligheid te vinden en zaligheid te houden in alle

eeuwigheid. Wralda is wijs en goed en alles voorziende. Naardien hij nu

wist, dat geluk en zaligheid van de aarde moet vlieden, als de boosheid

de deugd bedriegen kan, zoo heeft hij aan de taal eene regtvaardige

eigenschap verbonden. Deze eigenschap is hierin gelegen, dat men

daarmede geen leugen zeggen, noch bedriegelijke woorden spreken kan

zonder stamelen, noch zonder blozen, waardoor men de boozen van harte

terstond onderkennen kan. Naardien dus onze taal tot geluk en zaligheid

den weg baant, en dus mede waakt tegen de booze neigingen, daarom

is zij met alle recht godestaal (de taal des goeds) genoemd, en alle

degene, die haar in eere houden, hebben daar eere van. Doch wat is er

gebeurd. Zoodra er onder onze halfzusteren en halfbroederen bedriegers

opkwamen, die zich zelf voor dienaren des goeds uitgaven, is dat weldra

anders geworden. De bedriegelijke priesters en de boosaardige vorsten,

die altijd te zamen heulden, wilden naar willekeur leven en buiten de

wetten des goeds handelen. In hunne ondeugendheid zijn zij heen gegaan

en hebben andere talen verzonnen, opdat zij heimelijk konden spreken in

tegenwoordigheid van ieder ander over alle booze dingen en over alle

onwaardige zaken, zonder dat stamelen hen zoude verraden, noch blozen

hun gelaat ontsieren. Maar wat is daaruit geboren? Even gemakkelijk

als het zaad van goede kruiden van onder den grond weg ontkiemt, dat

in 't openbaar gezaaid is door goede menschen bij lichten dag, even

gemakkelijk brengt de tijd de schadelijke kruiden aan het licht, die

gezaaid zijn door booze menschen in het verborgene en bij duisternis.

De wulpsche meisjes en verwijfde knapen, die met de onzedelijke

priesters en vorsten boeleerden, ontlokten die nieuwe talen aan

hunne boelen, derwijze zijn zij verspreid onder de volken, tot dat

zij godestaal glad vergeten hebben. Wilt gij nu weten, wat daarvan

geworden is? Nu het stamelen en de gelaatskleur hunne booze driften

niet meer verrieden, is de deugd van uit haar midden geweken,

de wijsheid is gevolgd en de vrijheid is medegegaan; de eendracht

is te zoek geraakt, en tweespalt heeft hare plaats ingenomen; de

liefde is gevlucht, en de ontucht zit met nijd aan tafel; en waar

vroeger rechtvaardigheid heerschte, heerscht nu het zwaard. Allen

zijn slaven, de lieden van hunne heeren van nijd, booze lusten en

begeerlijkheid. Hadden zij nu maar ééne taal uitgevonden, mogelijk

was het dan nog eene wijle goed gegaan. Maar zij hebben zoo vele talen

uitgevonden als er staten zijn. Daardoor kan het eene volk het andere

volk even min verstaan als de koe den hond of de wolf het schaap. Dit

kunnen de zeelieden betuigen. Doch daar van daan is het nu gekomen,

dat alle slavenvolken elkander als andere menschen beschouwen, en dat

zij tot straf van hunne onbezonnenheid en vermetelheid elkander zoo

lang moeten beoorlogen en bestrijden tot dat zij alle verdelgd zijn.

Thet Oera Linda Bok, Naar een Handschrift uit de Dertiende Eeuw · 第 55 / 118 题