Friso die onze geschiedenis had leeren kennen uit het boek der
Adelingen, had alles gedaan om hunne vriendschap te winnen. Zijn
eersten zoon, dien hij hier won bij zijne vrouw Swethirte heeft hij
terstond Adel genoemd. En ofschoon hij kampte met al zijne macht,
om geene burgten te herstellen noch op te bouwen, zond hij toch Adel
naar de burgt te Texland, opdat hij hoe eer hoe beter bekend worden
mocht met alles wat tot onze wetten, taal en zeden behoort. Toen Adel
twintig jaren telde, liet Friso hem naar zijn eigen school komen, en
toen hij daar volleerd was, liet hij hem door alle staten reizen. Adel
was een beminnenswaardige jongman; op zijne reizen heeft hij vele
vrienden gewonnen, daardoor is het gekomen, dat het volk hem Atharik
(vriendenrijk) genoemd heeft, iets dat hem naderhand zoo wel te pas
is gekomen, want toen zijn vader gestorven was, bleef hij in zijne
plaats, zonder dat er over het kiezen van een anderen Graaf sprake
kwam. Terwijl Adel te Texland in de leer was, bevond zich aldaar tevens
eene heel lieve maagd op de burgt. Zij kwam uit de Saksenmarken weg,
uit de staat die genoemd is Suobaland, daarom werd zij te Texland
Suobene genoemd, ofschoon haar naam Ifkja was. Adel had haar lief
gekregen, en zij had Adel lief; maar zijn vader verzocht hem, dat
hij nog wat wachten zoude. Adel was gehoorzaam, maar zoodra zijn
vader gestorven was en hij gezeten, zond hij terstond boden naar
Berthold haren vader (met verzoek) of hij zijne dochter tot vrouw
mogt hebben. Berthold was een vorst van onverbasterde zeden, hij
had Ifkja naar Texland in de leer gezonden in de hoop, dat zij eens
tot burgtmaagd zoude gekozen worden in zijn land. Doch hij had hun
beider begeerte leeren kennen, daarom ging hij heen en gaf hun zijnen
zegen. Ifkja was eene flinke Friesin. Voor zoo verre ik haar heb leeren
kennen, heeft zij steeds gewerkt en gewroet, opdat Fryaskinderen weder
mochten komen onder dezelfde wet en onder eenen bond. Om de menschen
op hare zijde te krijgen, was zij met haren echtgenoot van haren vader
door alle Saksenmarken gereisd en voorts naar Geertmannia. Geertmannia,
zoo hadden de Geertmannen hunne staat geheeten, die zij door Gosas
bemoeijing gekregen hadden. Daarop gingen zij naar de Denemarken. Van
de Denemarken gingen zij te scheep naar Texland. Van Texland gingen
zij naar Westflyland en zoo langs de zee naar Walhallagara. Van
Walhallagara vertrokken zij langs den Zuiderrijn (de Waal), totdat zij
met groote vrees boven den Rijn bij de Marsaten kwamen, waarvan onze
Apollonia geschreven heeft. Toen zij hier eene wijle geweest waren,
gingen zij weer naar de laagte. Als zij nu een tijdlang naar de laagte
afgevaren waren, totdat zij in de streek van de oude burgt Aken kwamen,
zijn er onverhoeds vier knechten vermoord en naakt uitgekleed. Zij
waren een weinig achteraan gekomen. Mijn broeder, die overal bij was,
had hun vaak verboden, doch zij hadden niet geluisterd. De moordenaars
die dat gedaan hadden, waren Twisklanders, die heden ten dage stoutweg
over den Rijn komen te moorden en te rooven. De Twisklanders, dat
zijn gebannen en weggeloopen Fryaskinderen, maar hunne vrouwen hebben
zij van de Tartaren geroofd. De Tartaren zijn een bruin Findasvolk,
aldus genoemd, omdat zij alle volken ten strijde uittarten. Zij zijn
allen ruiters en roovers. Daar van daan zijn de Twisklanders evenzoo
bloeddorstig geworden. De Twisklanders, welke die boosheid bedreven
hadden, noemden zich zelven Frijen of Franken. Er waren, zeide mijn
broeder, roode, bruine en witte onder. Die, welke rood of bruin waren,
beten hun haar met kalkwater wit. Naardien echter hunne aangezichten
bruin bleven, werden zij des te leelijker daardoor. Even als Apollonia
beschouwden zij naderhand Lydasburgt en het Alderga. Daarna trokken
zij over Staverens oorden bij hunne lieden rond. Zij hadden zich
zoo beminnelijk aangesteld, dat de menschen hen allerwege houden
wilden. Drie maanden later zond Adel boden naar alle vrienden die hij
gewonnen had en liet hun verzoeken, dat zij in de Minnemaand wijze
lieden tot hem zouden zenden,†
zijne vrouw, zeide hij, die maagd geweest was te Texland had daarvan
een afschrift gekregen. Te Texland, worden nog vele geschriften
gevonden, die niet in het boek der Adelingen overgeschreven zijn. Van
deze schriften had Gosa een bij haar uiterste wil gelegd, 't welk
door de oudste maagd Albetha openbaar gemaakt moest worden, zoodra
Friso gestorven was.