WAT FRISO VERDER DEED.

Van zijn eerste vrouw had hij twee zwagers overgehouden, die zeer

kloek waren. Hetto, dat is heete, den jongste zond hij als zendbode

naar Kattaburgt, dat diep in de Saksenmarken ligt. Hij had van

Friso medegekregen zeven paarden, behalve zijn eigen, beladen met

kostbare zaken door de zeekampers geroofd. Bij ieder paard waren twee

jonge zeekampers en twee jonge ruiters met rijke kleederen gekleed,

en met geld in hunne buidels. Gelijk hij Hetto naar Kattenburgt

zond, zoo zond hij Bruno, dat is bruine, den anderen zwager naar

Mannagarda oord; Mannagarda oord is vroeger in dit boek Mannagarda

forda geschreven, maar dat is fout. Alle rijkdommen, die zij mede

hadden, werden naar omstandigheden weggeschonken aan vorsten en

vorstinnen en aan uitverkorene meisjes. Kwamen dan zijne knapen op de

gelagkamer om daar met het jongvolk te dansen, dan lieten zij korven

met kruidkoek en bargen of tonnen van het beste bier komen. Na deze

boden liet hij gedurig jongvolk over de Saksenmarken trekken, die alle

geld in de buidels hadden en alle giften of geschenken medebrachten,

en op de gelagkamer teerden zij steeds onbekommerd voort. Als het nu

gebeurde dat de Saksen knapen daar afgunstig op zagen, dan lachten zij

goedelijk en zeiden: als gij den algemeenen vijand durft bestrijden,

dan kunt gij uw bruid nog veel rijker geschenken geven en dan nog

vorstelijker vertering maken. Alle beide zwagers van Friso zijn

getrouwd met dochters van de aanzienlijkste vorsten, en naderhand

kwamen de Saksische jongelingen en meisjes bij geheele troepen naar

het Flymeer afzakken. De Burgtmaagden en oude maagden, die nog van hare

vroegere grootheid wisten, helden niet over tot Frisos bedrijf; daarom

spraken zij geen goed van hem. Maar Friso, slimmer als zij, liet haar

babbelen. Maar de jonge maagden verknochte hij met gouden vingeren aan

zijne zaak. Zij zeiden allomme: wij hebben langer geene Moeder meer,

maar dat komt daar vandaan dat wij meerderjarig zijn. Tegenwoordig

past ons een koning, opdat wij onze landen terug winnen, die de

Moeders verloren hebben door hare onvoorzichtigheid. Verder spraken

zij: Aan ieder Fryaskind is vrijheid gegeven, zijne stem te laten

hooren, voor dat er besloten wordt bij het kiezen van een vorst,

maar als het zoover komen mogt, dat gij u weder een koning kiest,

dan wil ik ook mijne meening zeggen. Naar al wat ik beschouwen kan, is

Friso daartoe door Wralda gekozen: want hij heeft hem wonderlijk hier

heen geleid. Friso kent de ranken der Golen, wier taal hij spreekt,

hij kan dus tegen hunne listen waken. Dan is er nog iets in het oog

te houden: welken graaf zoude men tot koning kiezen, zonder dat de

anderen daar wangunstig over waren. Al zulke praatjes werden door de

jonge maagden gehouden, maar de oude maagden, ofschoon weinig in getal,

tapten hunne redenen uit een ander vat. Zij spraken allerwegen en

tot iedereen: Friso, zoo spraken zij, doet, gelijk de spinnen doen,

des nachts spant hij zijne netten naar alle zijden en des daags

verschalkt hij daarin zijne onergdenkende vrienden. Friso zegt dat

hij geene priesteren noch vreemde vorsten lijden mag, maar ik zeg,

hij mag niemand lijden dan hem zelven. Daarom wil hij niet gedogen,

dat de burgt Stavia weder opgericht wordt. Daarom wil hij geene Moeder

weêr hebben. Vandaag is Friso uw raadgever, maar morgen wil hij uw

koning worden, opdat hij over u allen rechten mag. In den boezem des

volks ontstonden nu twee partijen. De ouden en armen wilden nu weder

eene Moeder hebben, maar het jongvolk, dat vol strijdlust was, wilde

een Vader of koning hebben. De eersten noemden zich Moederszonen,

en de anderen noemden zich Vaderszonen; maar de Moederszonen werden

niet geteld; want omdat er vele schepen gemaakt werden, was hier

overvloed voor de scheepmakers, smeden, zeilmakers, reepmakers en

voor alle andere ambachtslieden. Daarenboven brachten de zeekampers

allerhande sieraden mede. Daarvan hadden de vrouwen genoegen, de

maagden genoegen, de meisjes genoegen, en daarvan hadden alle hunne

bloedverwanten genoegen, en alle hunne goede kennissen en vrienden.

Toen Friso bij de veertig jaren te Staveren had huis gehouden,

stierf hij. Door zijne bemoeijing had hij vele staten weder tot

malkander gebracht, maar of wij daardoor beter werden, durf ik niet

bevestigen. Van alle Graven, die voor hem waren, was er niemand zoo

befaamd als Friso geweest. Doch zoo als ik vroeger zeide, de jonge

maagden spraken zijn lof, terwijl de oude vrouwen alles deden om hem

te laken en hatelijk te maken bij alle menschen. Daarmede nu konden de

oude vrouwen hem wel niet verstoren in zijne bemoeijingen, maar zij

hadden met haar misbaar toch zooveel uitgewerkt, dat hij gestorven

is zonder dat hij koning was.

Thet Oera Linda Bok, Naar een Handschrift uit de Dertiende Eeuw · 第 53 / 118 题