Friso die reeds machtig was door zijne manschappen, werd ook tot
opperste Grevetman gekozen door Staverens ommelanden. Hij spotte
met onze wijze van landverdediging en zeestrijden. Daarom heeft
hij eene school gesticht, waarin de knapen leeren vechten naar de
wijze der Krekalanders. Doch ik geloof, dat hij dat gedaan heeft om
het jongvolk aan zijn snoer te binden. Ik heb mijn broeder ook daar
heen gezonden, dat is nu tien jaren geleden. Want dacht ik, nu wij
geene Moeder langer hebben, om den een tegen den ander te beschermen,
behoor ik dubbel te waken, opdat hij niet meester over ons wordt.
Gosa heeft ons geene opvolgster benoemd, daarover wil ik geen oordeel
vellen; maar hier zijn nog oude ergdenkende menschen, die meenen, dat
zij het daarover met Friso eens geworden is. Toen Gosa gestorven was,
wilden de menschen van alle oorden een andere Moeder kiezen. Maar
Friso, die bezig was om een rijk voor zich zelven te maken, Friso
begeerde geen raad noch bode van Texland. Toen de boden der Landsaten
tot hem kwamen, sprak hij en zeide, Gosa, zeide hij, was verziende
geweest en wijzer als alle Graven te zamen, en toch had zij geen
licht noch helderheid in deze zaak gevonden; daarom had zij geen moed
gehad om eene opvolgster te kiezen, en om een opvolgster te kiezen die
twijfelachtig was daar heeft zij kwaad ingezien: daarom heeft zij in
hare uiterste wil geschreven, het is u beter geene Moeder te hebben
als eene, op welke gij u niet verlaten kunt. Friso had veel gezien,
hij was bij den oorlog opgevoed, en van de ranken en listen der Golen
en vorsten had hij juist zoo veel geleerd en vergaard, als hij noodig
had om de andere Graven te voeren, waarheen hij wilde. Zie hier hoe
hij daarmede is te werk gegaan.
Friso had hier eene andere vrouw genomen, eene dochter van
Wilfrêthe, die bij zijn leven opperste Graaf te Stavoren geweest
was. Bij deze had hij twee zonen gewonnen en twee dochteren. Door
zijn beleid is Kornelia, zijne jongste dochter, aan mijn broeder
uitgehuwelijkt. Kornelia is geen goed Friesch, en moet Korn-helia
geschreven worden. Weemoed zijne oudste heeft hij aan Kauch
verbonden. Kauch, die ook bij hem ter school ging, is de zoon van
Wichhirte den koning der Geertmannen. Maar Kauch is ook geen goed
Friesch en moet Kaap (koop) wezen. Doch slechte taal hebben zij meer
medegebracht, als goede zeden.
Nu moet ik met mijne geschiedenis terugkeeren.
Na de groote vloed, waarover mijn vader geschreven heeft, waren vele
Jutten en Letten met de ebbe uit de Balda of kwade zee gevoerd. Bij
Kathisgat dreven zij in hunne booten met het ijs op de Denemarker kust,
en zijn daar op blijven zitten. Daar waren nergens geen menschen
in het gezicht. Daarom hebben zij het land in bezit genomen; naar
hunnen naam hebben zij het land Jutland geheeten. Naderhand kwamen
wel vele Denemarkers terug van de hooge landen, maar deze zetten zich
zuidelijker neder. En als de zeelieden terug keerden die niet vergaan
waren, ging de een met den anderen naar de Zee of Eilanden. Door deze
schikking mochten de Jutten het land behouden, waarop Wralda hen
gevoerd had. De Zeelander schippers die zich niet wilden behelpen
of geneeren met visch alleen, en die een grooten afkeer hadden van
de Golen, die gingen toen de Phenicische schepen berooven. Aan
de zuidwestelijke hoek van Schoonland, aldaar ligt Lindasburgt,
toegenaamd Lindasneus, door onzen Apol gesticht, gelijk in dit boek
geschreven staat. Alle kustbewoners en ommelanders waren daar echt
Friesch gebleven, maar door de lust tot wraak tegen de Golen en
tegen de Kaltana volgers, gingen zij met de Zeelanders zamen doen;
maar dat zamen doen heeft geen stek gehouden. Want de Zeelanders
hadden vele verderfelijke zeden en gewoonten overgenomen van de
booze Magyaren, Fryas volk ten spot. Vervolgens ging elk voor zich
zelven rooven, maar als het te pas kwam, dan stonden zij malkander
getrouwelijk bij. Doch ten laatste begonnen de Zeelanders gebrek
te krijgen aan goede schepen. Hunne scheepmakers waren omgekomen,
en hunne wouden waren met grond en al van het land weggevaagd. Nu
kwamen er onverwacht drie schepen bij den ringdijk van onze burgt
voor anker. Door de inbraken van onze landen waren zij verdwaald en
den Flymond misgevaren. De koopman die mede gegaan was, wilde van ons
nieuwe schepen hebben, daartoe hadden zij allerlei kostelijke waren
medegebracht, die zij geroofd hadden van de Kaltanarlanden en van
de Pheniciers schepen. Nadien wij zelve geene schepen hadden, gaf ik
hun flinke paarden en vier gewapende renboden mede naar Friso. Want
te Staveren en langs het Alderga, daar werden de beste oorlogschepen
gemaakt van hard eiken hout, daar nimmer verrotting in komt. Terwijl
de zeekampers bij mij vertoefden, waren sommigen Jutten naar Texland
gevaren en vandaar waren zij naar Friso gewezen. De Zeelanders hadden
vele van hunne grootste knapen geroofd, die moesten op hunne banken
roeijen, en van hunne grootste dochters, om bij deze kinderen te
verwekken. De groote Jutten vermochten het niet te weren, doordien
zij geene goede wapenen hadden. Toen zij hun leed verteld hadden,
en daarover vele woorden gewisseld waren, vroeg Friso ten laatste,
of zij niet een goede haven in hun land hadden. O ja, antwoordden
zij, eene beste, eene door Wralda geschapen. Zij is juist gelijk
uwe bierkruik daar, haar hals is naauw, doch in haar buik kunnen
wel duizend groote booten liggen; maar wij hebben geene burgt, noch
burgtwapenen, om de roofschepen er uit te houden. Dan moest gij er
eene maken, zeide Friso. Goed geraden, antwoordden de Jutten; maar
wij hebben geene ambachtslieden, noch bouwgereedschap; wij alle zijn
visschers en jutters. De anderen zijn verdronken of naar de hooge
landen gevlucht. Middelerwijl zij dus praatten, kwamen mijne boden
met de Zeelander heeren aan zijn hof. Hier moet gij nu opletten,
hoe Friso allen wist te bedotten, tot genoegen van beide partijen
en ten bate van zijn eigen doel. Aan de Zeelanders beloofde hij,
zij zouden jaarlijks vijftig schepen hebben naar vaste afmetingen en
voor vaste gelden, toegerust met ijzeren ketenen en kraanbogen en
met volle tuig, gelijk het voor krijgsschepen noodig en nuttig is;
maar de Jutten zouden zij dan met vrede laten, en al het volk, dat
tot Fryaskinderen behoorde. Ja, hij wilde meer doen; hij wilde al onze
zeekampers uitnoodigen, dat zij mede zouden vechten en rooven. Toen de
Zeelanders vertrokken waren, liet hij veertig oude schepen beladen met
burgtwapenen, hout, hardgebakken steenen, timmerlieden, metselaren, en
smeden om daarmede burgten te bouwen. Witto, dat is witte, zijn zoon,
zond hij mede om toe te zien. Wat er al is voorgevallen, is mij niet
gemeld, maar zoo veel is mij duidelijk geworden, dat aan beide zijden
van den havenmond eene versterkte burgt gebouwd is, en daarin is volk
gelegd, dat Friso uit de Saksenmarken trok. Witto heeft Siuchthirte
bevrijd en tot zijne vrouw genomen. Wilhem, zoo heette haar vader,
hij was opperste Olderman der Jutten, dat is opperste Grevetman of
Graaf. Wilhem is kort daarna gestorven, en Witto is in zijne plaats
gekozen.