HEIL!

Wanneer de Kroder een tijd heeft voortgekruid, dan zullen de

nakomelingen wanen, dat de leken en gebreken, die de Brokmannen

medegebracht hebben, eigen waren aan hunne voorvaderen. Daarvoor

wil ik waken en dus zoo veel over hunne gewoonten schrijven, als ik

gezien heb. Over de Geertmannen kan ik gereedelijk heenstappen. Ik

heb niet veel met hen omgegaan. Doch zoo veel ik gezien heb,

zijn zij het meest bij hunne taal en zeden gebleven. Dat kan ik

niet zeggen van de anderen. Die van de Krekalanden weg komen, zijn

kwaad ter taal, en op hunne zeden valt niet te roemen. Velen hebben

bruine oogen en haar. Zij zijn nijdig en vrijpostig en bang door

bijgeloovigheid. Wanneer zij spreken, noemen zij de woorden voorop,

die het laatst komen moesten. Tegen âld zeggen zij âd, tegen sâlt,

sât, ma voor man, sol voor skil, sode voor skolde, te veel om

te noemen. Ook voeren zij meest zonderlinge en verkorte namen,

waaraan men geene beteekenis hechten kan. De Joniers spreken beter,

doch zij verzwijgen de h, en waar die niet wezen moet, wordt zij

uitgesproken. Wanneer iemand een beeld maakt naar een afgestorvene

en het gelijkt, dan gelooven zij, dat de geest des overledene daarin

vaart. Daarom hebben zij alle beelden verborgen van Frya, Fâsta,

Medea, Thiania, Hellenia en vele andere. Wordt er een kind geboren,

dan komen de nabestaanden te zamen, en bidden tot Frya, dat zij hare

dienaressen mag laten komen, om het kind te zegenen. Als zij gebeden

hebben, mag niemand zich verroeren noch laten hooren. Begint het kind

te schreijen en houdt dat eene poos aan, dan is dat een kwaad teeken,

en men is in vermoeden, dat de moeder overspel bedreven heeft. Daarvan

heb ik al erge dingen gezien. Begint het kind te slapen, dan is dat

een teeken, dat de dienaressen gekomen zijn. Lacht het in den slaap,

dan hebben de dienaressen het kind geluk toegezegd. Vervolgens gelooven

zij aan booze geesten, heksen, kollen, aardmannetjes en elfen, alsof

zij van de Finnen afstammen. Hiermede wil ik eindigen en nu meen ik,

dat ik meer geschreven heb, als een mijner voorvaderen. Frethorik.

Frethorik mijn echtgenoot is drieenzestig jaren oud geworden. Sints

honderd en acht jaren is hij de eerste van zijn geslacht, die vreedzaam

gestorven is; alle anderen zijn onder de slagen bezweken, daarom dat

allen kampten met eigen volk en vreemden om recht en plicht.

Mijn naam is Wiljo, ik ben de maagd, die met hem uit de Saksenmarken

naar huis voer. Door taal en omgang kwam het uit, dat wij alle beide

van Adelas geslacht waren; toen ontstond liefde en daarna zijn wij

man en vrouw geworden. Hij heeft mij vijf kinderen nagelaten, twee

zonen en drie dochters. Konereed, zoo heet mijne oudste, Hachgana mijn

tweede, mijne oudste dochter heet Adela, de tweede Frulik en de jongste

Nocht. Toen ik naar de Saksenmarken voer, heb ik drie boeken gered,

het boek der zangen, het boek der verhalen en het Hellenia boek. Ik

schrijf dit, opdat men niet moge denken, dat zij van Apollonia

zijn; ik heb daar veel verdriet over gehad, nu wil dus de eere ook

hebben. Ook heb ik meer gedaan; toen Gosa-Makonta gestorven is, wier

goedheid en helderziendheid tot een spreekwoord geworden is, toen

ben ik alleen naar Texland gegaan, om de schriften over te schrijven,

die zij nagelaten had, en toen de laatste wil gevonden is van Frana,

en de nagelaten schriften van Adela of Hellenia heb ik dat nog eens

gedaan. Dit zijn de schriften van Hellenia. Ik heb ze voorop geplaatst,

omdat zij de alleroudsten zijn.

Thet Oera Linda Bok, Naar een Handschrift uit de Dertiende Eeuw · 第 49 / 118 题