In oude tijden wisten de Slavonische volken niet van vrijheid. Gelijk
ossen werden zij onder het juk gebracht. Zij werden in de ingewanden
der aarde gejaagd om metaal te delven, en uit de harde bergen moesten
zij huizen houwen, tot woningen voor vorsten en priesters. Bij alles
wat zij deden was niets voor hun zelven, maar alles moest dienen, om
de vorsten en priesteren nog rijker en geweldiger te maken, om zich
te verzadigen. Onder dezen arbeid werden zij grijs en stram eer zij
oud waren en stierven zonder genot, ofschoon de aarde dat overvloedig
veel geeft ter bate van al hare kinderen. Maar onze weggeloopenen en
ballingen kwamen door Twiskland over in hunne marken trekken, en onze
zeelieden kwamen in hunne havens. Van deze hoorden zij spreken over
gelijke vrijheid en recht en over wetten, waar niemand buiten kan. Dit
alles werd door de droeve menschen ingezogen als dauw door de dorre
velden. Toen zij vol daar van waren, begonnen de stoutmoedigsten
te klippen met hunne ketenen, zoodat het den vorsten wee deed. De
vorsten zijn trotsch en krijgshaftig, daarom is er ook nog deugd in
hunne harten, zij raadpleegden te zamen, en deelden iets mede van
hunnen overvloed. Maar de laffe schijnvrome priesters konden dat
niet dulden, onder hunne verdichte goden hadden zij ook booze wreede
gedrochten geschapen. De pest kwam over het land, toen zeiden zij dat
de goden toornig waren over de overheersching der boozen. Toen werden
de stoutmoedigste menschen met hunne ketenen gewurgd. De aarde heeft
hun bloed gedronken, met dat bloed voedde zij vruchten en koorn en
al die daarvan aten werden wijs.
Zestien honderd jaren geleden is Atland gezonken, en te dier tijde
gebeurde er iets, waar niemand op gerekend had.
In het hart van Findasland op het gebergte ligt eene vlakte die
geheeten is Kasamyr, dat is, zeldzaam. Aldaar werd een kind geboren,
zijne moeder was de dochter eens konings en zijn vader was een
opperpriester. Om de schaamte te ontkomen moesten zij hun eigen
bloed verzaken. Daarom werd het buiten de stad gebracht bij arme
menschen. Intusschen was den knaap (toen hij grooter werd) niets
verheeld geworden; daarom deed hij alles om wijsheid te verzamelen en
te vergaderen. Zijn verstand was zoo groot, dat hij alles begreep,
wat hij zag en hoorde. Het volk beschouwde hem met eerbied, en de
priesters werden beangst voor zijne vragen. Toen hij meerderjarig
werd, ging hij naar zijne ouders. Zij moesten harde dingen hooren; om
hem kwijt te worden, gaven zij hem een overvloed van edelgesteenten;
maar zij durfden hem niet openlijk erkennen als hun eigen bloed. Met
droefenis overstelpt over de valsche schaamte zijner ouders ging hij
omdwalen. Al voort reizende ontmoette hij een Fryas zeevaarder, die
als slaaf diende, van dezen leerde hij onze zeden en gewoonten. Hij
kocht hem vrij, en tot den dood toe zijn zij vrienden gebleven. Alom
waar hij voorts henen trok, leerde hij aan de menschen dat zij noch
rijken noch priesters moesten toelaten; dat zij zich moesten hoeden
tegen de valsche schaamte, die allerwegen kwaad doet aan de liefde. De
aarde, zeide hij, schenkt hare gaven naarmate men hare huid krabt,
dat men daarin behoort te delven, te ploegen en te zaaijen, zoo men
daarvan maaijen wil. Doch, zeide hij, niemand behoeft iets te doen voor
een ander, zoo het niet met gemeene wil of uit liefde geschiedt. Hij
leerde dat niemand in hare ingewanden mocht wroeten om goud of zilver
of edelgesteenten, waar nijd aan kleeft en liefde van vliedt. Om uwe
meisjes en vrouwen te sieren, zeide hij, geeft haar de rivier water
genoeg. Niemand, zeide hij, is machtig alle menschen tevens rijkdom
en gelijk geluk te geven; doch het is aller menschen plicht om de
menschen alzoo tevens rijk te maken en zooveel genoegen te geven als
te bereiken is. Geene wetenschap, zeide hij, mag men minachten, doch
rechtvaardigheid, is de grootste wetenschap, die de tijd ons leeren
mag. Daarom, dat zij ergernis van de aarde weert, en de liefde voedt.
Zijn eerste naam was Jessos, doch de priesters, die hem zeer haatten,
heetten hem Fo, dat is valsch, het volk heette hem Krishna, dat is
herder, en zijn Friesche vriend noemde hem Buddha (buidel), omdat hij
in zijn hoofd een schat van wijsheid had en in zijn hart een schat
van liefde.
Ten laatste moest hij vluchten om de wraak der priesteren, maar overal
waar hij kwam was zijne leer hem vooruitgegaan, en overal waar hij
ging volgden hem zijne vijanden als zijne schaduw. Toen Jessos zoo
twaalf jaren rondgereisd had, stierf hij, maar zijne vrienden bewaarden
zijne leer en verkondigden die, waar zij ooren vond.
Wat meent gij nu dat de priesters deden? dat moet ik u melden;
ook moet gij er zeer acht op geven, voorts moet gij waken voor
hun bedrijf en ranken met alle krachten, die Wralda in u gelegd
heeft. Terwijl de leer van Jessos over de aarde zich uitbreidde,
gingen de valsche priesters naar het land zijner geboorte, om zijn
dood bekend te maken; zij zeiden dat zij van zijne vrienden waren,
zij veinsden eene groote droefheid door hunne kleederen in stukken
te scheuren en hun hoofd kaal te scheeren. Zij gingen in de holen
der bergen wonen, doch hierin hadden zij hunne schatten gebracht,
daar binnen maakten zij beelden van Jessos. Deze beelden gaven ze aan
de onergdenkende lieden; ten langen laatste zeiden zij dat Jessos een
godheid was, dat hij zelf dit aan hun had beleden, en dat allen die
aan hem en zijne leer gelooven wilden, hiernamaals in zijn koningrijk
zouden komen, waar vreugde is en genietingen zijn. Vermits zij wisten
dat Jessos tegen de rijken was te velde getrokken, verkondigden zij
allerwegen, dat armoede lijden en eenvoudig zijn de deur was om in
zijn rijk te komen, dat degene die op aarde het meeste geleden hadden,
hier namaals de meeste vreugde hebben zouden. Ofschoon zij wisten,
dat Jessos geleerd had, dat men zijne hartstochten overmeesteren en
besturen moest, zoo leerden zij dat men alle zijne hartstochten dooden
moest en dat de volkomenheid des menschen daarin bestond, dat hij
even gevoelloos werd als de koude steen. Ten einde nu het volk wijs
te maken, dat zij zelve zoo deden, veinsden zij armoede op straat,
en om voorts te bewijzen, dat zij al hunne zinnelijke lusten gedood
hadden, namen zij geene vrouwen. Doch zoo ergens eene jonge dochter
een misstap gedaan had, werd haar dat spoedig vergeven; de zwakken,
zeiden zij, moest men helpen, en om zijne eigene ziel te behouden,
moest men veel aan de kerk geven. Dusdoende hadden zij vrouw en
kinderen zonder huishouding, en werden zij rijk zonder werken; maar
het volk werd veel armer en meer ellendig als ooit te voren. Deze
leer, waarbij de priesters geen andere wetenschap noodig hebben,
als bedriegelijk te redeneren, een vrome schijn en ongerechtigheden,
breidde zich zelve van 't oosten naar het westen, en zal ook over
ons land komen.
Maar als de priesters zullen wanen, dat zij al het licht van Frya
en van Jessos leer uitgedoofd hebben, dan zullen er in alle oorden
menschen opstaan, die de waarheid in stilte onder elkander bewaard en
voor de priesters verborgen hebben. Deze zullen wezen uit vorstelijk
bloed, van priesterlijk bloed, van Slavonisch bloed en van Fryas
bloed. Deze zullen hunne fakkels en het licht buiten brengen, zoodat
alle man de waarheid moge zien; zij zullen wee roepen over de daden der
priesters en vorsten. De vorsten, die de waarheid liefhebben en het
recht, die zullen van de priesters afwijken; het bloed zal stroomen,
maar daaruit zal het volk nieuwe krachten vergaderen. Findas volk
zal zijne vindingrijkheid ten gemeenen nutte aanwenden, en Lydas volk
zijne krachten, en wij onze wijsheid. Dan zullen de valsche priesters
weggevaagd worden van de aarde; Wraldas geest zal alom en allerwege
geëerd en aangeroepen worden; de wetten die Wralda bij den aanvang
in ons gemoed legde, zullen alleen gehoord worden; daar zullen geene
andere meesters, noch vorsten, noch bazen wezen, als die welke bij
algemeene wil gekozen zijn; dan zal Frya juichen, en de Irtha zal
hare gaven alleen schenken aan den werkenden mensch. Dit alles zal
aanvangen vierduizend jaren nadat Atland verzonken is, en duizend
jaren later zal er langer geen priester noch dwang op aarde zijn.
Dela toegenaamd Hellenia, waak!
Zoo luidde Franas uiterste wil. Alle edele Friesen, heil! In den
naam van Wralda, van Frya en der vrijheid groet ik u, en bid u zoo
ik sterven mocht, eer ik eene opvolgster benoemd heb, dan beveel ik
u Teuntja aan, die Burgtmaagd is op de burgt Medeasblik, tot op heden
is zij de beste.
Dit heeft Gôsa nagelaten. Alle menschen heil. Ik heb geene Eeremoeder
benoemd, omdat ik geene wist, en omdat het u beter is geene Moeder
te hebben, dan eene waarop gij u niet verlaten kunt. Een booze tijd
is voorbijgegaan, maar daar komt nog een andere. Irtha heeft hem niet
gebaard, en Wralda heeft hem niet beschoren. Hij komt uit het oosten,
uit den boezem der priesteren weg. Zoo veel leed zal hij broeden,
dat Irtha het bloed niet zal kunnen drinken van hare verslagene
kinderen. Duisternis zal hij over den geest der menschen spreiden,
gelijk onweerswolken over het zonnelicht. Alom en allerwege zullen
list en bedrog met vrijheid en recht kampen. Vrijheid en recht
zullen bezwijken en wij met haar. Maar deze winst zal haar verlies
uitwerken. Van drie woorden zullen onze nakomelingen aan hunne lieden
en slaven de beteekenis leeren. Zij zijn algemeene liefde, vrijheid
en recht. In het eerst zullen zij schitteren, daarna met duisternis
kampen, totdat het helder en klaar wordt in ieders hart en hoofd. Dan
zal de dwang van de aarde geveegd worden, gelijk de donderwolken door
den stormwind, en alle bedrog zal niets meer daar tegen vermogen. Gôsa.