DIT GESCHRIFT IS MIJ OVER NOORDLAND OF SCHOONLAND GEGEVEN.

Ten tijde dat ons land neder zonk, was ik in Schoonland. Daar ging

het zoo toe. Er waren groote meeren, die van den bodem als een

blaas uitzetten, dan spleten zij vaneen, uit de scheuren kwam eene

stof, alsof het gloeijend ijzer was. Er waren bergen, wier kruinen

aftuimelden, deze stortten neder en vernielden wouden en dorpen. Ik

zelf zag, dat een berg van een ander werd afgerukt. Lijnrecht zeeg hij

neder. Toen ik naderhand ging zien, was er een meer ontstaan. Toen

de aarde hersteld was, kwam er een hertog van Lindasburgt met zijn

volk en eene maagd, die alom uitriep: de Magy is schuldig aan al

het leed, dat wij geleden hebben. Zij trokken steeds voort en het

heer werd al grooter. De Magy vluchtte weg, men vond zijn lijk,

hij had zich zelf omgebracht. Toen werden de Finnen verdreven naar

ééne plaats, daar mochten zij leven. Er waren ook van gemengd bloed,

deze mochten blijven, doch velen gingen met de Finnen mede. De hertog

werd tot koning gekozen. De kerken, die heel gebleven waren, werden

vernield. Sedert dien tijd komen de goede Noormannen dikwijls op

Texland om raad van de Moeder. Doch wij kunnen hen niet voor rechte

Friezen meer houden. In de Dennemarken is het zeker gegaan, als bij

ons. De zeelieden, die zich zelven stoutelijk zeekampers noemen,

zijn op hunne schepen gegaan, en naderhand zijn zij terug getrokken.

Thet Oera Linda Bok, Naar een Handschrift uit de Dertiende Eeuw · 第 48 / 118 题