Mijn naam is Frêthorik toegenaamd oera Linda, dat wil zeggen over
de Linden. Te Ljudwardia ben ik tot Asga gekozen. Ljudwardia is een
nieuw dorp, binnen den ringdijk van de burgt Ljudgaarda, waarvan de
naam in oneer gekomen is. Onder mijne tijden is veel gebeurd. Veel
had ik daarover geschreven; maar naderhand zijn mij nog vele dingen
gemeld. Van een en ander wil ik eene geschiedenis achter dit boek
schrijven, de goede menschen tot eere, de slechten tot oneer.
In mijne jeugd hoorde ik klachten alomme: booze tijd kwam; booze
tijd was gekomen; Frya had ons verlaten; zij had hare waakmeisjes
terug gehouden; want gedrochtelijke (afgods)beelden waren binnen onze
landpalen gevonden.
Ik brande van nieuwsgierigheid om die beelden te zien. In onze buurt
strompelde een oud vrouwtje de huizen uit en in, altijd roepende
over de booze tijd. Ik draaide haar op zijde. Zij streek mij om de
kin. Nu werd ik vrijmoedig en vroeg haar of zij mij de booze tijd en de
beelden eens wilde toonen. Zij lachte goedaardig, en bragt mij op de
burgt. Een grijsaard vroeg mij of ik al lezen en schrijven kon. Neen,
zeide ik. Dan moet gij eerst heengaan en leeren, zeide hij, anders
mag het u niet getoond worden. Dagelijks ging ik bij den schrijver
leeren. Acht jaren later hoorde ik, dat onze burgtmaagd ontucht
had bedreven en dat sommige burgtheeren verraad gepleegd hadden
met den Magy. En vele menschen waren op hunne zijde. Overal kwam
tweespalt. Er waren kinderen, die opstonden tegen hunne ouders. In
't geheim werden de brave menschen vermoord. Het oude vrouwtje, dat
alles openbaar maakte, werd dood gevonden in een gruppel. Mijn vader,
die rechter was, wilde haar gewroken hebben. Bij nacht werd hij in zijn
huis vermoord. Drie jaren later was de Magy meester zonder strijd. De
Saxmannen waren vroom en braaf gebleven. Naar hen vluchtten alle goede
menschen. Mijne moeder bestierf het. Nu deed ik als de anderen. De Magy
verhief zich op zijne slimheid. Maar Irtha zoude hem toonen, dat zij
geen Magy noch afgoden mocht toelaten tot de heilige schoot, waaruit
zij Frya baarde. Even als het wilde ros zijne manen schudt, nadat
het zijn berijder in het gras geworpen heeft, even zoo schudde Irtha
hare wouden en bergen. Rivieren werden over de velden gespreid. De zee
kookte. Bergen spuwden vuur naar de wolken, en wat zij gespuwd hadden,
slingerden de wolken weder op aarde. Bij den aanvang van Arnemaand
(oogstmaand) neigde de aarde noordwaarts en zeeg neder, al lager
en lager. In de Wolvenmaand (wintermaand) lagen de lage marken van
Fryasland onder de zee bedolven. De wouden, daar beelden in waren,
werden opgeheven en een spel der winden. Het jaar daarop kwam vorst
in de Hardemaand (louwmaand) en legde oud Fryasland onder een plank
(ijsveld) verscholen. In Sellemaand (sprokkelmaand) kwam stormwind
uit het noorden weg, mede voerende bergen van ijs en steenen. Toen
springvloed kwam, hief de aarde zich op. Het ijs smolt weg. Ebbe kwam
en de wouden met de beelden dreven naar zee. In de Winne of Minnemaand
(bloeimaand) ging ieder, die durfde, weer naar huis varen. Ik kwam met
eene maagd op de burgt Liudgaarde. Hoe droevig zag het er daar uit. De
wouden der Lindaoorden waren meest weg. Waar de Liudgaarde geweest was,
was zee. De golfslag zweepte den ringdijk. IJs had den toren vernield,
en de huizen lagen door elkander. Aan de helling van den dijk vond ik
een steen; onze schrijver had daar zijn naam ingegrift; dat was mij
een baken. Gelijk het met onze burgt gegaan was, zoo was het ook met
de andere gegaan. In de hooge landen waren zij door de aarde, en in
de lage landen door het water vernield. Alleen Fryasburcht op Texland
werd ongedeerd gevonden. Maar al het land dat noordwaarts gelegen had,
was onder de zee; nog is het niet weer boven gebragt. Aan dezen oever
van het Flymeer waren, naar gemeld werd, dertig zoute plassen gekomen,
ontstaan door de wouden, die met grond en al weg gedreven waren. Te
Westflyland vijftig. De gracht, die van het Alderga dwars door het
land geloopen had, was verzand en vernield. De zeelieden en ander
varensvolk, die te huis waren, hadden zich zelven gered met magen en
bloedverwanten op hunne schepen. Maar het zwarte volk van Lydasburgt en
Alkmarum had eveneens gedaan. Terwijl de zwarten zuidwaarts dreven,
hadden zij vele meisjes gered, en naardien niemand kwam om ze op
te eischen, hielden zij haar tot hunne vrouwen. De menschen die
terug kwamen, gingen alle binnen de ringdijken der burgten wonen,
omdat het daar buiten alles slib en broekland was. De oude huizen
werden zamengeklust. Van de bovenlanden kocht men koeijen en schapen,
en in de groote huizen, daar te voren de maagden gevestigd waren,
werd nu laken en filt gemaakt, om des levens wille. Dit geschiedde
1888 jaren nadat Atland verzonken was.
In 282 jaren hadden wij geene Eeremoeder gehad en nu alles misschien
verloren scheen, ging men eene kiezen. Het lot viel op Gosa toegenaamd
Makonta. Zij was Burgtmaagd op Fryasburgt te Texland. Helder van hoofd
en klaar van zin, heel goed, en omdat hare burgt alleen gespaard was,
zag iedereen daaruit hare roeping. Tien jaren later kwamen de zeelieden
van Forana en van Lydasburgt. Zij wilden de zwarte mannen met vrouw
en kinderen uit het land drijven. Daarover wilden zij de raad der
Moeder inwinnen. Maar Gosa vroeg: kunt gij een en ander terug voeren
naar hunne landen, dan behoort gij spoed te maken, anders zullen zij
hunne bloedverwanten niet weder vinden. Neen, zeiden zij. Toen zeide
Gosa: Zij hebben uw zout geproefd en uw brood gegeten. Hun lijf en
leven hebben zij onder uwe hoede gesteld. Gij moet uw eigen hart
onderzoeken. Maar ik wil u een raad geven. Houdt hen tot dat gij
in staat zijt om hen weder naar huis te voeren. Maar houdt hen bij
uwe burgten daar buiten. Waakt over hunne zeden, en onderwijs hen
alsof zij Fryas zonen waren. Hunne vrouwen zijn hier de sterkste. Als
rook zal hun bloed vervliegen, tot er ten laatsten niets anders dan
Fryas bloed in hunne nakomelingen zal overblijven. Zoo zijn zij hier
gebleven. Nu wenschte ik wel dat mijne nakomelingen daar op letten,
in hoeverre Gosa waarheid sprak.--Toen onze landen weder te begaan
waren, kwamen er benden arme Saxmannen en vrouwen naar de oorden van
Staveren en het Alderga, om gouden en andere sieraden te zoeken uit de
drassige bodem. Doch de zeelieden wilden hen niet toelaten. Toen gingen
zij de ledige dorpen bewonen te West Flyland, om hun lijf te behouden.
NU WIL IK SCHRIJVEN HOE DE GEERTMANNEN EN VELE VOLGELINGEN VAN HELENIA
TERUG KWAMEN.
Twee jaren nadat Gosa moeder werd, kwam er eene vloot het Flymeer in
vallen. Het volk riep ho.n.sêen. (welk een zegen!) Zij voeren naar
Staveren, daar riepen zij nog eenmaal. De banieren waren in top en
des nachts schoten zij brandpijlen in de lucht. Toen het dageraad
was, roeiden sommige met eene snik de haven in, zij riepen weder
hoezee. Toen zij landden, wipte een jong kerel op den wal. In zijne
handen had hij een schild, daarop was brood en zout gelegd. Na hem
kwam een grijze; hij zeide wij komen van de verre Krekalanden weg, om
onze zeden te bewaren. Nu wenschten wij, dat gij zoo vriendelijk zoudt
wezen, om ons zoo veel land te geven, dat wij daarop mogen wonen. Hij
vertelde eene heele geschiedenis, die ik hierna beter beschrijven
wil. De grijzen wisten niet wat te doen, zij zonden boden allerwege,
ook tot mij. Ik ging heen en zeide: nu wij eene Moeder hebben,
behooren wij haar raad te vragen. Ik zelf ging mede. De Moeder,
die alles reeds wist, zeide: laat hen komen, zoo mogen zij ons land
helpen behouden: maar laat hen niet op ééne plek blijven, opdat zij
niet machtig worden over ons. Wij deden gelijk zij gezegd had. Dat
was heel naar hun zin. Fryso bleef met zijne lieden te Staveren dat
zij weder tot eene zeestad maakten, zoo goed zij konden. Wichhirte
ging met zijne lieden oostwaarts naar de Emude. Sommige der Joniers,
die meenden dat zij van het Alderga volk gesproten waren, gingen
daarheen. Een klein deel, die waanden, dat hunne voorvaderen van de
Zeven eilanden weg kwamen, gingen heen en zetten zich neder binnen
den ringdijk van de burgt Walhallagara. Liudgert de schout bij nacht
van Wichhirte werd mijn makker en naderhand mijn vriend. Uit zijn
dagboek heb ik de geschiedenis die hier achter zal volgen.
Nadat wij 12 maal 100 en tweemaal 12 jaren bij de Vijf wateren gezeten
waren, terwijl onze zeestrijders alle zeeën bevoeren, die er te vinden
waren, kwam Alexander de koning met een geweldig heir van boven langs
den stroom naar onze dorpen varen. Niemand kon hem wederstaan. Doch
wij zeelieden, die bij de zee woonden, wij scheepten ons met al onze
have in en vertrokken. Toen Alexander vernam dat zulk eene groote vloot
hem ontvaren was, werd hij als woedend, zweerende dat hij alle dorpen
aan de vlam zoude offeren, zoo wij niet wilden terug komen. Wichhirte
lag ziek te bed. Toen Alexander dat vernam, heeft hij gewacht, tot
dat hij beter was. Daarna kwam hij tot hem, zeer minzaam sprekende;
doch hij bedroog gelijk hij vroeger gedaan had. Wichhirte antwoordde:
o allergrootste der koningen. Wij zeelieden komen allerwege, wij
hebben van uwe groote daden gehoord. Daarom zijn wij vol eerbied
jegens uwe wapenen, maar nog meer voor uwe wetenschap. Maar wij
anderen, wij zijn vrijgeboren Fryas kinderen, wij mogen uwe slaven
niet worden. En al wilde ik het, de anderen zouden liever willen
sterven, want zoo is het door onze wetten bevolen. Alexander zeide:
ik wil uw land niet maken tot mijne buit, noch uw volk tot mijne
slaven. Ik wil alleen dat gij mij zult dienen voor loon. Daarop wil
ik zweeren bij ons beider goden, dat niemand over mij ontevreden
zal zijn. Toen Alexander naderhand brood en zout met hem deelde,
heeft Wichhirte het wijste deel gekozen. Hij liet de schepen halen
door zijn zoon. Toen zij alle terug waren, heeft Alexander die alle
gehuurd. Daarmede wilde hij zijn volk naar den heiligen Ganges voeren,
dien hij te land niet had kunnen genaken. Nu ging hij toe en koos al
degene uit zijn volk en zijne soldaten, die gewoon waren over zee te
varen. Wichhirte was weder ziek geworden, daarom ging ik alleen mede
en Nearchus van des konings wege. De tocht liep zonder voordeel ten
einde, uithoofde de Joniers altijd in onmin waren tegen de Pheniciers,
zoodat Nearchus zelf er geen meester over blijven kon. Intusschen
had de koning niet stil gezeten. Hij had zijne soldaten boomen laten
kappen en tot planken maken. Met hulp van onze timmerlieden had
hij daar schepen van gemaakt. Nu wilde hij zelf zeekoning worden,
en met zijn geheele heir den Ganges opvaren. Doch de soldaten die
uit het bergland kwamen, waren bang voor de zee. Toen zij hoorden,
dat zij moesten, staken zij de timmerschuren in den brand. Daardoor
werd ons geheele dorp in asch gelegd. In het eerst waanden wij dat
Alexander het bevolen had, en ieder stond gereed om zee te kiezen. Maar
Alexander was woedend; hij wilde de soldaten door zijn eigen volk
laten ombrengen. Maar Nearchus, die niet alleen zijn eerste vorst,
maar ook zijn vriend was, raadde hem anders te doen. Nu hield hij
zich als of hij geloofde, dat het bij ongeluk geschied was. Doch hij
durfde zijn tocht niet hervatten. Nu wilde hij terugkeeren; doch eer
hij dat deed, liet hij eerst onderzoeken wie er schuldig waren. Zoodra
hij dat wist, liet hij die allen zonder wapenen blijven, om een nieuw
dorp te maken. Van zijn eigen volk liet hij gewapenden, om de anderen
te temmen en om eene burgt te bouwen. Wij moesten vrouwen en kinderen
mede nemen. Als wij aan den mond van den Euphraat kwamen, dan mochten
wij daar eene plaats kiezen, of terug keeren, ons loon zoude ons even
gaarne toegedeeld worden. Op de nieuwe schepen, die den brand ontkomen
waren, liet hij Joniers en Krekalanders gaan. Hij zelf ging met zijn
ander volk langs de kust door de dorre woestijn, dat is door het land,
dat Irtha opgeheven had, uit de zee, toen zij de straat achter onze
voorvaderen had opgehoogd, zoodra zij in de roode zee kwamen.
Toen wij te Nieuw Geertmania kwamen (Nieuw Geertmania is eene haven,
die wij zelve gemaakt hadden om daar water in te nemen), ontmoetten
wij Alexander met zijn leger. Nearchus ging aan wal en vertoefde drie
dagen. Toen ging het weder verder. Toen wij bij den Euphraat kwamen,
ging Nearchus met de soldaten en vele van zijn volk den wal op. Doch
hij kwam spoedig weder. Hij zeide, de koning laat u verzoeken, gij
zoudt nog eene kleine tocht om zijnentwil doen, tot aan het einde van
de Roode zee. Daarna zal ieder zooveel goud krijgen, als hij tillen
kan. Toen wij daar kwamen, liet hij ons aanwijzen, waar de straat
vroeger geweest was. Daarna vertoefde hij eenendertig dagen steeds
uitziende naar de woestijn. Ten laatste kwam er een troep menschen,
medevoerende 200 olifanten, 1000 kameelen, met houten balken, roopen
(touwen) en allerlei gereedschap om onze vloot naar de Middellandsche
zee te slepen. Dat verbaasde ons, en leek ons raar toe; maar Nearchus
verhaalde ons, dat zijn koning aan de andere koningen toonen wilde, dat
hij machtiger was, als de koningen van Tyrus vroeger geweest waren. Wij
zouden maar medehelpen, dat zoude ons voorzeker geen schade doen. Wij
moesten wel zwichten, en Nearchus wist alles zoo juist te regelen,
dat wij in de Middellandsche zee lagen, eer drie maanden verloopen
waren. Toen Alexander vernam hoe het met zijn ontwerp afgeloopen was,
werd hij zoo vermetel, dat hij de drooge straat wilde uitdiepen,
Irtha ten spot. Maar Wralda liet zijne ziel los, daarom verdronk hij
in den wijn en in zijn overmoed, eer hij daarmede beginnen konde. Na
zijn dood, werd het rijk gedeeld door zijne vorsten. Zij zouden elk
een deel voor zijne zonen bewaren, doch het was hun geen meenen. Elk
wilde zijn deel behouden en zelfs vermeerderen. Toen kwam er oorlog
en wij konden niet terug keeren. Nearchus wilde nu, dat wij ons zouden
nederzetten aan de kust van Phenicie, maar dat wilde niemand doen. Wij
zeiden het liever te willen wagen om naar Fryasland te gaan. Toen
bracht hij ons naar de nieuwe haven van Athene, waar alle echte
Fryaskinderen voormaals heen getogen waren. Voorts gingen wij soldaten,
leeftocht en wapenen voeren. Onder de vele vorsten had Nearchus een
vriend met name Antigonus. Deze streden beide om één doel, gelijk zij
zeiden, als helpers, voor het koninklijk geslacht, en voorts om alle
Grieksche landen hunne oude vrijheid terug te geven. Antigonus had
onder vele anderen een zoon, die heette Demetrius, later bijgenaamd
de stedewinner. Deze ging eens op de stad Salamis af; nadat hij daar
een geheele poos mede gestreden had, moest hij strijden met de vloot
van Ptolemeus. Ptolemeus zoo heette de vorst, die heerschte over
Egyptenland. Demetrius won den strijd, doch niet door zijne soldaten,
maar door dat wij hem geholpen hadden. Dit hadden wij gedaan uit
vriendschap voor Nearchus, want wij kenden hem voor een basterd bloed,
door zijne blanke huid met blauwe oogen en wit haar. Naderhand ging
Demetrius los op Rhodus, daarheen brachten wij zijne soldaten en
leeftocht over. Toen wij de laatste reis te Rhodus kwamen, was de
oorlog voorbijgegaan. Demetrius was naar Athene gevaren. Toen wij
in de haven kwamen, was het geheele dorp in rouw gedompeld. Friso,
die koning was over de vloot, had een zoon en eene dochter thuis,
zoo bijster frisch alsof zij pas uit Fryasland gekomen waren, en zoo
wonderschoon als niemand heugen mocht. De roep daarvan ging over alle
Krekalanden en kwam in de ooren van Demetrius. Demetrius was vuil en
onzedelijk, en hij dacht dat hem alles vrij stond. Hij liet de dochter
openlijk schaken. De moeder durfde haar joi niet wachten, joi noemen
de schippers vrouwen hare mannen, dat is blijdschap, ook zeggen zij
zoethart. De schippers noemen hunne wijven troost en fro of frow,
dat is vreugde, en frolik dat is aan vreugde gelijk. Omdat zij haren
man niet durfde opwachten, ging zij met haren zoon naar Demetrius,
en smeekte, dat hij haar hare dochter weer zoude geven. Maar als
Demetrius haren zoon zag, liet hij hem naar zijn hof voeren, en
deed met hem eveneens, als hij met zijne zuster gedaan had. Aan de
moeder zond hij een zak vol goud, doch zij smeet het in zee. Toen
zij thuis kwam werd zij waanzinnig, allerwege liep zij over straat:
(roepende) hebt gij mijne kinderen niet gezien, o wee! laat mij bij
u eene schuilplaats zoeken, want mijn man wil mij dooden, omdat
ik zijne kinderen verloren heb. Toen Demetrius vernam, dat Friso
weer thuis was, zond hij een bode tot hem zeggende, dat hij zijne
kinderen tot zich genomen had om hen te voeren tot eene hoogen staat,
en om hem te beloonen voor zijne diensten. Maar Friso, die trotsch en
hartstochtig was, zond een bode met een brief naar zijne kinderen,
daarin vermaande hij hen, zij zouden Demetrius te wille zijn,
vermits deze hun geluk begeerde. Doch de bode had nog een anderen
brief, met vergif, daarbij beval hij hen dit in te nemen; want,
zeide hij, tegen uwen wil is uw ligchaam verontreinigd, dat zal u
niet toegerekend worden, doch indien gij uwe ziel verontreinigt,
zult gij nimmer in Walhalla komen; uwe zielen zullen dan over de
aarde omwaren, zonder het licht te mogen zien; gelijk de vleermuizen
en nachtuilen zult gij steeds bij dag in uwe holen schuilen en des
nachts uitkomen, en dan op onze graven schreijen en huilen, dewijl
Frya haar hoofd van u moet afwenden. De kinderen deden gelijk hun
vader hun bevolen had. De bode liet hunne lijken in de zee werpen, en
aan de menschen werd gezegd, dat zij gevlucht waren. Nu wilde Friso
met alle mannen naar Fryasland varen, waar hij vroeger geweest was;
maar de meesten wilden dat niet doen. Nu ging Friso heen en schoot
het dorp met de koninklijke voorraadschuren in brand. Nu kon en
durfde niemand blijven, en allen waren blijde, dat zij buiten waren;
behalve vrouwen en kinderen hadden wij alles achtergelaten, doch wij
waren geladen met leeftocht en oorlogsgereedschap.
Friso had nog geen vrede. Toen wij bij de oude haven kwamen, ging hij
met zijne stoutmoedige manschappen heen en schoot onverhoeds brand
in de schepen, die hij met zijne pijlen bereiken konde. Na zes dagen
zagen wij de oorlogsvloot van Demetrius op ons toekomen. Friso beval
ons dat wij de kleinste schepen moesten achteruit houden in eene
breede linie; de groote met vrouwen en kinderen vooruit. Voorts
gebood hij, dat wij de kraanbogen van voren moesten wegnemen en
aan den achtersteven bevestigen, want zeide hij, wij behooren al
vluchtende te vechten. Niemand mag zich vermeten, om een enkelden
vijand te vervolgen, alzoo, zeide hij, is mijn besluit. Terwijl
wij daarmede reeds bezig waren, kwam de wind ons voor de boeg
tot schrik van de lafaards en der vrouwen, omdat wij geene slaven
hadden, dan die ons vrijwillig gevolgd waren. Wij konden den vijand
dus niet door roeijen ontkomen. Maar Wralda wist wel, waarom hij
zoo deed. En Friso, die het vatte, liet spoedig de brandpijlen op
de kraanbogen leggen. Tevens gebood hij dat niemand schieten mogt,
voor dat hij geschoten had. Daarop zeide hij, dat wij alle naar het
middelste schip moesten schieten. Is dat doel goed bereikt, zeide hij,
dan zullen de andere hem te hulp komen, dan moet ieder schieten,
zoo hij best kan. Toen wij nu ander half ketting (kabelslengte)
van hen af waren, begonnen de Pheniciers te schieten, maar Friso
beantwoordde dat niet voor dat de eerste pijl op zes vademen van
zijn schip neer viel. Nu schoot hij, de anderen volgden, het geleek
wel een vuurregen, en omdat onze pijlen met den wind medegingen,
bleven zij alle aan den brand en raakten zelfs de derde laag. Alle
mannen gierden en juichten, maar de kreten onzer tegenstanders waren
zoo luide, dat ons het hart benepen werd. Toen Friso meende, dat het
wel toe konde, liet hij afhouden en wij spoedden ons weg. Doch na dat
wij twee dagen voort gesukkeld hadden, kwam er eene andere vloot in
't gezicht van dertig schepen, die ons steeds inwon. Friso liet ons
weer klaar maken; maar de anderen zonden eene lichte snik met roeijers
bemand vooruit. Hunne boden baden uit aller naam, of zij met ons mede
varen mogten. Zij waren Joniers. Door Demetrius waren zij gewelddadig
naar de oude haven gestuurd; daar hadden zij van dit gevecht gehoord;
nu hadden zij het stoute zwaard aangegord, en waren ons gevolgd. Friso,
die veel met Joniers gevaren had, zeide ja; maar Wichhirte onze koning
zeide neen. De Joniers zijn afgoden-dienaren, zeide hij, ik zelf heb
gehoord hoe zij die aanriepen. Friso zeide, dat komt door den omgang
met de echte Krekalanders. Dat heb ik vaak zelf gedaan, en toch ben
ik zoo Fryas als de vroomste van u. Friso was de man, die ons naar
Friesland moest wijzen, dus gingen de Joniers mede. Ook scheen het
naar Wraldas genoegen, want eer drie maanden verloopen waren, gingen
wij langs Brittania, en drie dagen later mochten wij hoezee roepen.