Onder Findas volk zijn wanwijzen, die door hunne overvindingrijkheid
zoo boos zijn geworden, dat zij zich zelven wijs maken en de ingewijden
doen gelooven, dat zij het beste deel zijn van Wralda; dat hun geest
het beste deel is van Wralda's geest, en dat Wralda alleen kan denken
door hulp van hun brein.
Dat ieder schepsel een deel is van Wralda's oneindig wezen, dat hebben
zij van ons gestolen.
Maar hunne valsche redeneering en hunne toomelooze hoovaardigheid
heeft hen op een dwaalweg gebracht. Ware hun geest Wraldas geest, dan
zoude Wralda heel dom wezen, in plaats van verstandig en wijs. Want
hun geest slooft zich altijd af om schoone beelden te maken, die zij
naderhand aanbidden. Maar Findas volk is een boos volk, want ofschoon
de wanwijzen onder hen zich zelven wijsmaken, dat zij goden zijn, zoo
hebben zij voor de oningewijden valsche goden geschapen, en verkondigen
allerwege dat deze afgoden de wereld geschapen hebben, met alles wat
daar in is; gierige afgoden vol nijd en toorn, die gediend en geëerd
willen wezen, door de menschen; die bloed en offer willen en schatting
eischen. Maar die wanwijze valsche mannen, die zich zelf godsdienaren
of priesteren laten noemen, beuren en zamelen en vergaderen dat alles
voor afgoden, die niet bestaan, om het zelf te behouden. Dat alles
bedrijven zij met een ruim gemoed, naardien zij zich zelven goden
wanen, die aan niemand antwoord schuldig zijn. Zijn er sommigen die
hunne ranken bevroeden en openbaar maken, zoo worden zij door hunne
rakkers gevat en om hunnen laster verbrand, alles met vele statelijke
plegtigheden ter eere der valsche goden. Maar in trouwe, alleen opdat
zij hun niet schaden zouden. Opdat onze kinderen gewapend mogen wezen
tegen hunne afgodische leer, zoo behooren de maagden hen te doen van
buiten leeren, wat hier zal volgen.
Wralda was eerder dan alle dingen, en na alle dingen zal hij
wezen. Wralda is alzoo eeuwig en hij is oneindig, daarom is er niets
buiten hem. Door en uit Wraldas leven ontstond de tijd en werden alle
dingen geboren; en zijn leven neemt den tijd en alle dingen weg. Deze
zaken moeten klaar en openbaar gemaakt worden op alle wijzen, zoodat
zij het aan anderen mogen beduiden en bewijzen. Is het zoo verre
gewonnen, dan zegt men verder: Wat dus onzen omvang betreft, zoo
zijn wij een deel van Wraldas oneindig wezen als de omvang van al het
geschapene. Doch wat onze gedaante aangaat, onze eigenschappen, onzen
geest en al onze bedenkingen, deze behooren niet tot het wezen. Dit
alles zijn vluchtige dingen, die door Wraldas leven verschijnen;
doch door zijne wijsheid zoodanig en niet anders verschijnen. Maar
doordien zijn leven steeds voortgaat, zoo kan er ook niets op zijne
plaats blijven. Daarom verwisselen alle geschapene dingen van plaats,
van gedaante en ook van denkwijze. Daarom mag de aarde zelve, noch
eenig schepsel zeggen: ik ben, maar wel: ik was. Ook mag geen mensch
zeggen: ik denk, maar bloot: ik dacht. De knaap is grooter en anders
als toen hij een kind was. Hij heeft andere begeerten, neigingen en
denkwijze. De man en vader is en denkt anders als toen hij knaap
was. Even zoo de oude van dagen. Dat weet iedereen. Bijaldien nu
iedereen weet, en moet erkennen, dat hij steeds wisselt, zoo moet hij
ook bekennen, dat hij ieder oogenblik wisselt; ook terwijl hij zegt:
ik ben; en dat zijne denkbeelden veranderen, terwijl hij zegt: ik denk.
In plaats dus, van dat wij de boose Finda's op eene onwaardige wijze
napraten en snappen, ik ben, of wel ik ben het beste deel Wraldas,
ja door ons alleen mag hij denken, zoo willen wij verkondigen
overal en allerwege, waar het noodig is: wij Fryas kinderen zijn
verschijnselen door Wraldas leven; bij den aanvang gering en bloot:
doch altijd wordende en naderende tot volkomenheid, zonder ooit zoo
goed te worden als Wralda zelf. Onze geest is niet Wralda's geest,
hij is daarvan slechts een afschijnsel. Toen Wralda ons schiep, heeft
hij ons in zijne wijsheid, brein, zintuigen, geheugen en vele goede
eigenschappen geleend. Hiermede kunnen wij zijne schepselen en zijne
wetten beschouwen. Daarvan kunnen wij leeren en daarover kunnen wij
spreken, alles en alleen tot ons eigen heil. Had Wralda ons geene
zintuigen gegeven, zoo zouden wij nergens van weten, en wij zouden
nog redelozer zijn, dan een zeekwal die voortgedreven wordt door ebbe
en door vloed.
DIT STAAT OP SCHRIJFFILT GESCHREVEN. TAAL EN ANTWOORD AAN ANDERE
MAAGDEN TOT EEN VOORBEELD.
Een ongezellig gierig man kwam klagende bij Troost, die Maagd was te
Stavia. Hij zeide onweder had zijn huis vernield. Hij had tot Wralda
gebeden, maar Wralda had hem geene hulp verleend. Zijt ge een echte
Fries, vroeg Troost. Van ouder tot voorouder, antwoordde de man. Dan,
zeide zij, wil ik iets in uw gemoed zaaijen in vertrouwen, dat het
kiemen en groeijen en vruchten geven mag. Verder sprak zij en zeide:
toen Frya geboren was, stond onze moeder naakt en bloot, onbehoed
tegen de stralen der zon. Niemand kon zij vragen, en er was niemand,
die haar hulp verleenen konde. Toen ging Wralda heen en wrocht in
haar gemoed neiging en liefde, angst en schrik. Zij zag rondom zich;
hare neiging koos het beste, en zij zocht eene schuilplaats onder
de beschuttende lindeboom. Maar de regen kwam en het ongemak was,
dat zij nat werd. Doch zij had gezien, hoe het water bij de hellende
bladeren neerdrupte. Nu maakte zij een afdak met hellende zijden,
op staken maakte zij dat. Maar de stormwind kwam en blies de regen
daaronder. Nu had zij gezien, dat de stam luwte gaf. Daarop ging zij
heen en maakte eene wand van plaggen en zooden; eerst aan de eene zijde
en vervolgens aan alle zijden. De stormwind kwam terug, woedender als
te voren, en blies het dak weg. Maar zij klaagde niet over Wralda,
noch tegen Wralda. Maar zij maakte een rieten dak en legde steenen
daarop. Bevonden hebbende hoe zeer het doet, om alleen te tobben,
zoo beduidde zij hare kinderen, hoe en waarom zij zoo gedaan had. Deze
handelden en dachten hetzelfde. Op zoodanige wijze zijn wij aan huizen
gekomen met stoepbanken, eene straat, en eene beschuttende linde
tegen de zonnestralen. Ten laatste hebben zij eene burgt gemaakt en
vervolgens al het andere. Is uw huis dus niet sterk genoeg geweest,
dan moet gij trachten het andere beter te maken. Mijn huis was
sterk genoeg, zeide hij, maar het hooge water heeft het opgebeurd
en de stormwind heeft het andere gedaan. Waar stond uw huis dan,
vroeg Troost. Aan den oever van den Rijn, antwoordde de man. Stond
het dan niet op eene nol (ronde hoogte) of terp, vroeg Troost. Neen,
zeide de man, mijn huis stond eenzaam bij den oever; alleen heb ik het
gebouwd, maar ik kon daar alleen geen terp voor maken. Ik wist het wel,
antwoordde Troost, de maagden hebben het mij gemeld. Gij hebt al uw
leven een afkeer gehad van de menschen, uit vrees, dat gij iets geven
of doen moest voor hun. Doch daarmede kan men niet verre komen. Want
Wralda die mild is, keert hem af van de gierigen. Fåsta heeft ons
geraden en boven de deuren van alle onze burgten is 't gegrift in
steen: zijt ge erg baatzuchtig, zeide Fåsta, behoed dan uwe naasten,
onderricht dan uwe naasten, help dan uwe naasten, zoo zullen zij het
u wederom doen. Is u deze raad niet goed genoeg, ik weet geene betere
voor u. De man werd schaamrood en droop stil af.
NU WIL IK ZELF SCHRIJVEN, EERST OVER MIJNE BURGT EN DAN OVER HETGENE
IK HEB MOGEN ZIEN.
Mijne burgt ligt aan 't noordeinde van de Liudgaarde. De toren heeft
zes zijden. Driemaal dertig voet is hij hoog. Plat van boven. Een klein
huisje daarop, waaruit men naar de sterren ziet. Aan iedere zijde van
den toren staat een huis, lang drie honderd en breed driemaal zeven
voet, en evenzoo hoog, behalve het dak, dat rondachtig is. Al deze van
hardgebakken steen, en van buiten zijn er geene andere. Om de burgt is
een ringdijk, en daarom heen eene gracht diep drie maal zeven en breed
driemaal twaalf voet. Ziet iemand boven van den toren naar beneden,
dan ziet hij de gedaante van het Juul. Op den grond tusschen de
zuidelijke huizen, daar zijn allerlei kruiden van heinde en verre,
daarvan moeten de maagden de krachten leeren kennen. Tusschen de
noordelijke huizen is alleen veld. De drie noordelijke huizen zijn
vol koorn en andere benoodigdheden. Twee zuidelijke huizen zijn voor
de maagden, om school te houden en te wonen. Het zuidelijkste huis is
de woning der Burgtmaagd. In den toren hangt de lamp. De wanden van
den toren zijn gesmukt met kostbare steenen. Op de zuiderwand is de
Tex gegrift. Aan de rechterzijde van deze vindt men de formleer; aan
de linkerzijde de wetten. De andere zaken vindt men op de drie andere
zijden. Tegen den dijk aan bij het huis der burgtmaagd staat de oven
en de meelmolen door vier buffels gekruid. Buiten onze burgtwal is
de plaats, waarop de burgtheeren en de krijgers wonen. De ringdijk
daaromheen is een uur groot, niet een zeemans, maar een zonne uur,
waarvan tweemaal twaalf in een etmaal gaan. Aan de binnenzijde
van den dijk is een plat, vijf voet beneden de kruin. Daarop zijn
drie honderd kraanbogen, gedekt met hout en leder. Behalve de
huizen der inwoners zijn daarbinnen langs den dijk nog drie maal
twaalf noodhuizen voor de omwoners. Het veld dient tot kamp en tot
weide. Aan de zuidzijde van de buitenste ringdijk is de Liudgaarde
omtuind door het groote Lindenwoud. Hare gedaante is driehoekig,
met de breede zijde naar buiten, opdat de zon daarin mag zien. Want
daar zijn vele buitenlandsche boomen en bloemen, door de zeevaarders
medegebracht. Gelijk de gedaante van onze burgt is, zoo zijn alle
andere; doch onze burgt is de grootste; maar de allergrootste is die
van Texland. De toren van Fryaburgt is zoo hoog, dat hij de wolken
tornt, en in evenredigheid van den toren is al het overige.
Bij ons op de burgt is het zoo verdeeld. Zeven jonge maagden waken
bij de lamp. Iedere waak is drie uren. In den overigen tijd moeten zij
huiswerk doen, leeren en slapen. Zijn zij zeven jaar wakende geweest,
dan zijn zij vrij. Dan mogen zij onder de menschen gaan, om op hunne
zeden te letten en raad te geven. Is eene drie jaren maagd geweest,
dan mag zij somtijds met de oude maagden mede gaan.
De schrijver moet de meisjes leeren lezen, schrijven en rekenen. De
grijsaards of greva moeten haar leeren recht en plicht, zedekunde,
kruidkunde en heelkunde, geschiedenissen, vertellingen en zangen,
benevens allerhande dingen die haar noodig zijn om raad te geven. De
Burgtmaagd moet haar leeren, hoe zij daarmede te werk moeten gaan bij
de menschen. Voor dat eene Burgtmaagd hare plaats inneemt, moet zij
door het land reizen een vol jaar. Drie grijze burgtheeren en drie
oude maagden gaan met haar mede. Zoo is het ook mij gegaan. Mijne reis
is langs den Rijn geweest, dezen oever opwaarts en langs den anderen
oever benedenwaarts. Hoe hooger ik opkwam, des te armer schenen mij de
menschen. Overal in den Rijn had men uitstekken gemaakt. Het zand dat
daartegen kwam, werd met water over schapenvachten gegoten om goud te
winnen. Maar de meisjes droegen daar geene gouden kroonen van. Voorheen
waren er meer geweest, maar sedert wij Schoonland misten, zijn zij
naar de bergen gegaan. Daar delven zij ijzererts, waar zij ijzer van
maken. Boven den Rijn tusschen het gebergte, daar heb ik Marsaten
gezien. De Marsaten, dat zijn menschen, die op de meeren wonen. Hunne
huizen zijn op palen gebouwd. Dat is wegens het wild gedierte en booze
menschen. Daar zijn wolven, beeren en zwarte afgrijselijke leeuwen. En
zij zijn de naburen of aangrenzenden van de heinde Krekalanden, der
Kalta volgers en der verwilderde Twiskar, alle begeerig naar roof en
buit. De Marsaten generen zich met visschen en jagen. De huiden worden
door de vrouwen toegemaakt en bereid met schors van berken. De kleine
huiden zacht als vrouwenfilt. De burgtmaagd te Fryasburgt zeide ons,
dat zij goede, eenvoudige menschen waren. Doch had ik haar niet vooraf
hooren spreken, ik zoude gemeend hebben, dat zij geen Fryas volk waren,
maar wilden, zoo onbeschaamd zagen zij er uit. Hunne vachten en kruiden
werden door de Rijnbewoners verhandeld en door de schippers buiten
gebracht. Langs de (andere zijde van) den Rijn was het eveneens tot
aan Lydasburcht. Daar was een groote vliet of mare. Op deze vliet
waren ook menschen, die huizen op palen hadden. Doch dat was geen
Fryas volk: maar dat waren zwarte en bruine menschen, die gediend
hadden als roeijers om de buitenvaarders naar huis te helpen. Zij
moesten daar blijven, tot dat de vloot weder vertrok.
Ten laatste kwamen wij te Alderga. Bij het zuiderhavenhoofd staat
de Waraburgt, een steenhuis, daarin zijn allerlei schulpen, hoorns,
wapenen en kleederen bewaard van verre landen, door de zeelieden
medegebracht. Een kwartier daarvan daan is het Alderga. Een groote
vliet omzoomd met schuren, huizen en tuinen, alles rijk versierd. In
die vliet lag eene groote vloot gereed, met banieren van allerlei
verf. Op Fryasdag hingen de schilden om de boorden toe. Sommige blonken
gelijk de zon. De schilden van den zeekoning en den schout bij nacht
waren met goud omboord. Van uit die vliet was eene gracht gegraven
van daar voortloopende langs de burgt Forana en voorts met eene enge
mond in zee. Voor de vloot was dit de uitgang en het Fly de ingang. Aan
beide zijden der gracht zijn schoone huizen met helder blinkende verwen
geschilderd. De tuinen zijn met altijd groene hagen omheind. Ik heb
daar vrouwen gezien die viltene tunikas droegen, als of het schrijffilt
was. Even als te Staveren waren de meisjes met gouden kroonen op hare
hoofden en met ringen om de armen en voeten gesierd. Zuidwaarts van
Forana ligt Alkmarum. Alkmarum is eene mare of vliet, daarin ligt een
eiland, op dat eiland moeten de zwarte en bruine menschen verwijlen,
even als te Lydasburgt. De Burgtmaagd van Forana zeide mij, dat de
burgtheeren dagelijks tot hen gingen om hun te leeren, wat echte
vrijheid is, en hoe de menschen in der minne behooren te leven om
zegen te erlangen van Wraldas geest. Was er iemand die hooren wilde
en begrijpen kon, zoo werd hij daar gehouden, tot dat hij volleerd
was. Dat werd gedaan om de veraf wonende volken wijs te maken, en
om overal vrienden te winnen. Weleer was ik in de Saxenmarken op de
burgt Mannagardaforde geweest. Doch daar had ik meer armoede gezien,
als ik hier rijkdom bespeurde. Zij antwoordde: zoo wanneer daar aan de
Saxenmarken een vrijer een meisje komt bevrijen, dan vragen de meisjes
daar, kunt gij uw huis vrijwaren tegen de verbannen Twisklanders? hebt
gij er nog geen geveld? hoeveel buffels hebt gij reeds gevangen en
hoeveel beeren en wolvenhuiden hebt gij al op de markt gebracht? Daar
van daan is 't gekomen, dat de Saxmannen den landbouw aan de vrouwen
overgelaten hebben. Dat van honderd te zamen niet een lezen mag of
schrijven kan. Daarvan daan is het gekomen, dat niemand eene spreuk op
zijn schild heeft, maar bloot eene wanstaltige gedaante van een dier,
dat hij geveld heeft. En eindelijk, daarvan daan is het gekomen, dat
zij zeer oorlogzuchtig geworden zijn, maar somtijds even dom zijn
als het gedierte, dat zij vangen, en even arm als de Twisklanders,
met welke zij oorlogen. Voor Fryasvolk is aarde en zee geschapen. Alle
onze rivieren loopen in zee uit. Het Lydasvolk en het Findasvolk zullen
elkander verdelgen, en wij moeten de ledige landen bevolken. In het
heen en omvaren ligt ons heil. Wilt gij nu, dat de bovenlanders deel
hebben aan onzen rijkdom en wijsheid, zoo zal ik u een raad geven. Laat
het de meisjes tot eene gewoonte worden om hare vrijers te vragen,
eer zij ja zeggen: waar hebt gij al in de wereld rondgevaren? wat
kunt gij uwe kinderen vertellen van verre landen en over verwonende
volken? Doet zij zoo, dan zullen de krijgshaftige knapen tot ons
komen. Zij zullen wijzer worden en rijker en wij zullen geen behoefte
langer hebben aan dat vuile volk. De jongste van de maagden, die bij
mij waren, kwam uit de Saxenmarken weg. Toen wij nu te huis kwamen,
heeft zij verlof gevraagd om naar huis te gaan. Naderhand is zij daar
Burgtmaagt geworden, en daarvan daan is het gekomen, dat heden ten
dage zoo vele Saxmannen bij onze zeelieden varen.
Einde van Apollonias boek.