HET TWEEDE DEEL VAN DE OUDSTE LEER.

Onder Findas volk zijn wanwijzen, die door hunne overvindingrijkheid

zoo boos zijn geworden, dat zij zich zelven wijs maken en de ingewijden

doen gelooven, dat zij het beste deel zijn van Wralda; dat hun geest

het beste deel is van Wralda's geest, en dat Wralda alleen kan denken

door hulp van hun brein.

Dat ieder schepsel een deel is van Wralda's oneindig wezen, dat hebben

zij van ons gestolen.

Maar hunne valsche redeneering en hunne toomelooze hoovaardigheid

heeft hen op een dwaalweg gebracht. Ware hun geest Wraldas geest, dan

zoude Wralda heel dom wezen, in plaats van verstandig en wijs. Want

hun geest slooft zich altijd af om schoone beelden te maken, die zij

naderhand aanbidden. Maar Findas volk is een boos volk, want ofschoon

de wanwijzen onder hen zich zelven wijsmaken, dat zij goden zijn, zoo

hebben zij voor de oningewijden valsche goden geschapen, en verkondigen

allerwege dat deze afgoden de wereld geschapen hebben, met alles wat

daar in is; gierige afgoden vol nijd en toorn, die gediend en geëerd

willen wezen, door de menschen; die bloed en offer willen en schatting

eischen. Maar die wanwijze valsche mannen, die zich zelf godsdienaren

of priesteren laten noemen, beuren en zamelen en vergaderen dat alles

voor afgoden, die niet bestaan, om het zelf te behouden. Dat alles

bedrijven zij met een ruim gemoed, naardien zij zich zelven goden

wanen, die aan niemand antwoord schuldig zijn. Zijn er sommigen die

hunne ranken bevroeden en openbaar maken, zoo worden zij door hunne

rakkers gevat en om hunnen laster verbrand, alles met vele statelijke

plegtigheden ter eere der valsche goden. Maar in trouwe, alleen opdat

zij hun niet schaden zouden. Opdat onze kinderen gewapend mogen wezen

tegen hunne afgodische leer, zoo behooren de maagden hen te doen van

buiten leeren, wat hier zal volgen.

Wralda was eerder dan alle dingen, en na alle dingen zal hij

wezen. Wralda is alzoo eeuwig en hij is oneindig, daarom is er niets

buiten hem. Door en uit Wraldas leven ontstond de tijd en werden alle

dingen geboren; en zijn leven neemt den tijd en alle dingen weg. Deze

zaken moeten klaar en openbaar gemaakt worden op alle wijzen, zoodat

zij het aan anderen mogen beduiden en bewijzen. Is het zoo verre

gewonnen, dan zegt men verder: Wat dus onzen omvang betreft, zoo

zijn wij een deel van Wraldas oneindig wezen als de omvang van al het

geschapene. Doch wat onze gedaante aangaat, onze eigenschappen, onzen

geest en al onze bedenkingen, deze behooren niet tot het wezen. Dit

alles zijn vluchtige dingen, die door Wraldas leven verschijnen;

doch door zijne wijsheid zoodanig en niet anders verschijnen. Maar

doordien zijn leven steeds voortgaat, zoo kan er ook niets op zijne

plaats blijven. Daarom verwisselen alle geschapene dingen van plaats,

van gedaante en ook van denkwijze. Daarom mag de aarde zelve, noch

eenig schepsel zeggen: ik ben, maar wel: ik was. Ook mag geen mensch

zeggen: ik denk, maar bloot: ik dacht. De knaap is grooter en anders

als toen hij een kind was. Hij heeft andere begeerten, neigingen en

denkwijze. De man en vader is en denkt anders als toen hij knaap

was. Even zoo de oude van dagen. Dat weet iedereen. Bijaldien nu

iedereen weet, en moet erkennen, dat hij steeds wisselt, zoo moet hij

ook bekennen, dat hij ieder oogenblik wisselt; ook terwijl hij zegt:

ik ben; en dat zijne denkbeelden veranderen, terwijl hij zegt: ik denk.

In plaats dus, van dat wij de boose Finda's op eene onwaardige wijze

napraten en snappen, ik ben, of wel ik ben het beste deel Wraldas,

ja door ons alleen mag hij denken, zoo willen wij verkondigen

overal en allerwege, waar het noodig is: wij Fryas kinderen zijn

verschijnselen door Wraldas leven; bij den aanvang gering en bloot:

doch altijd wordende en naderende tot volkomenheid, zonder ooit zoo

goed te worden als Wralda zelf. Onze geest is niet Wralda's geest,

hij is daarvan slechts een afschijnsel. Toen Wralda ons schiep, heeft

hij ons in zijne wijsheid, brein, zintuigen, geheugen en vele goede

eigenschappen geleend. Hiermede kunnen wij zijne schepselen en zijne

wetten beschouwen. Daarvan kunnen wij leeren en daarover kunnen wij

spreken, alles en alleen tot ons eigen heil. Had Wralda ons geene

zintuigen gegeven, zoo zouden wij nergens van weten, en wij zouden

nog redelozer zijn, dan een zeekwal die voortgedreven wordt door ebbe

en door vloed.

DIT STAAT OP SCHRIJFFILT GESCHREVEN. TAAL EN ANTWOORD AAN ANDERE

MAAGDEN TOT EEN VOORBEELD.

Een ongezellig gierig man kwam klagende bij Troost, die Maagd was te

Stavia. Hij zeide onweder had zijn huis vernield. Hij had tot Wralda

gebeden, maar Wralda had hem geene hulp verleend. Zijt ge een echte

Fries, vroeg Troost. Van ouder tot voorouder, antwoordde de man. Dan,

zeide zij, wil ik iets in uw gemoed zaaijen in vertrouwen, dat het

kiemen en groeijen en vruchten geven mag. Verder sprak zij en zeide:

toen Frya geboren was, stond onze moeder naakt en bloot, onbehoed

tegen de stralen der zon. Niemand kon zij vragen, en er was niemand,

die haar hulp verleenen konde. Toen ging Wralda heen en wrocht in

haar gemoed neiging en liefde, angst en schrik. Zij zag rondom zich;

hare neiging koos het beste, en zij zocht eene schuilplaats onder

de beschuttende lindeboom. Maar de regen kwam en het ongemak was,

dat zij nat werd. Doch zij had gezien, hoe het water bij de hellende

bladeren neerdrupte. Nu maakte zij een afdak met hellende zijden,

op staken maakte zij dat. Maar de stormwind kwam en blies de regen

daaronder. Nu had zij gezien, dat de stam luwte gaf. Daarop ging zij

heen en maakte eene wand van plaggen en zooden; eerst aan de eene zijde

en vervolgens aan alle zijden. De stormwind kwam terug, woedender als

te voren, en blies het dak weg. Maar zij klaagde niet over Wralda,

noch tegen Wralda. Maar zij maakte een rieten dak en legde steenen

daarop. Bevonden hebbende hoe zeer het doet, om alleen te tobben,

zoo beduidde zij hare kinderen, hoe en waarom zij zoo gedaan had. Deze

handelden en dachten hetzelfde. Op zoodanige wijze zijn wij aan huizen

gekomen met stoepbanken, eene straat, en eene beschuttende linde

tegen de zonnestralen. Ten laatste hebben zij eene burgt gemaakt en

vervolgens al het andere. Is uw huis dus niet sterk genoeg geweest,

dan moet gij trachten het andere beter te maken. Mijn huis was

sterk genoeg, zeide hij, maar het hooge water heeft het opgebeurd

en de stormwind heeft het andere gedaan. Waar stond uw huis dan,

vroeg Troost. Aan den oever van den Rijn, antwoordde de man. Stond

het dan niet op eene nol (ronde hoogte) of terp, vroeg Troost. Neen,

zeide de man, mijn huis stond eenzaam bij den oever; alleen heb ik het

gebouwd, maar ik kon daar alleen geen terp voor maken. Ik wist het wel,

antwoordde Troost, de maagden hebben het mij gemeld. Gij hebt al uw

leven een afkeer gehad van de menschen, uit vrees, dat gij iets geven

of doen moest voor hun. Doch daarmede kan men niet verre komen. Want

Wralda die mild is, keert hem af van de gierigen. Fåsta heeft ons

geraden en boven de deuren van alle onze burgten is 't gegrift in

steen: zijt ge erg baatzuchtig, zeide Fåsta, behoed dan uwe naasten,

onderricht dan uwe naasten, help dan uwe naasten, zoo zullen zij het

u wederom doen. Is u deze raad niet goed genoeg, ik weet geene betere

voor u. De man werd schaamrood en droop stil af.

NU WIL IK ZELF SCHRIJVEN, EERST OVER MIJNE BURGT EN DAN OVER HETGENE

IK HEB MOGEN ZIEN.

Mijne burgt ligt aan 't noordeinde van de Liudgaarde. De toren heeft

zes zijden. Driemaal dertig voet is hij hoog. Plat van boven. Een klein

huisje daarop, waaruit men naar de sterren ziet. Aan iedere zijde van

den toren staat een huis, lang drie honderd en breed driemaal zeven

voet, en evenzoo hoog, behalve het dak, dat rondachtig is. Al deze van

hardgebakken steen, en van buiten zijn er geene andere. Om de burgt is

een ringdijk, en daarom heen eene gracht diep drie maal zeven en breed

driemaal twaalf voet. Ziet iemand boven van den toren naar beneden,

dan ziet hij de gedaante van het Juul. Op den grond tusschen de

zuidelijke huizen, daar zijn allerlei kruiden van heinde en verre,

daarvan moeten de maagden de krachten leeren kennen. Tusschen de

noordelijke huizen is alleen veld. De drie noordelijke huizen zijn

vol koorn en andere benoodigdheden. Twee zuidelijke huizen zijn voor

de maagden, om school te houden en te wonen. Het zuidelijkste huis is

de woning der Burgtmaagd. In den toren hangt de lamp. De wanden van

den toren zijn gesmukt met kostbare steenen. Op de zuiderwand is de

Tex gegrift. Aan de rechterzijde van deze vindt men de formleer; aan

de linkerzijde de wetten. De andere zaken vindt men op de drie andere

zijden. Tegen den dijk aan bij het huis der burgtmaagd staat de oven

en de meelmolen door vier buffels gekruid. Buiten onze burgtwal is

de plaats, waarop de burgtheeren en de krijgers wonen. De ringdijk

daaromheen is een uur groot, niet een zeemans, maar een zonne uur,

waarvan tweemaal twaalf in een etmaal gaan. Aan de binnenzijde

van den dijk is een plat, vijf voet beneden de kruin. Daarop zijn

drie honderd kraanbogen, gedekt met hout en leder. Behalve de

huizen der inwoners zijn daarbinnen langs den dijk nog drie maal

twaalf noodhuizen voor de omwoners. Het veld dient tot kamp en tot

weide. Aan de zuidzijde van de buitenste ringdijk is de Liudgaarde

omtuind door het groote Lindenwoud. Hare gedaante is driehoekig,

met de breede zijde naar buiten, opdat de zon daarin mag zien. Want

daar zijn vele buitenlandsche boomen en bloemen, door de zeevaarders

medegebracht. Gelijk de gedaante van onze burgt is, zoo zijn alle

andere; doch onze burgt is de grootste; maar de allergrootste is die

van Texland. De toren van Fryaburgt is zoo hoog, dat hij de wolken

tornt, en in evenredigheid van den toren is al het overige.

Bij ons op de burgt is het zoo verdeeld. Zeven jonge maagden waken

bij de lamp. Iedere waak is drie uren. In den overigen tijd moeten zij

huiswerk doen, leeren en slapen. Zijn zij zeven jaar wakende geweest,

dan zijn zij vrij. Dan mogen zij onder de menschen gaan, om op hunne

zeden te letten en raad te geven. Is eene drie jaren maagd geweest,

dan mag zij somtijds met de oude maagden mede gaan.

De schrijver moet de meisjes leeren lezen, schrijven en rekenen. De

grijsaards of greva moeten haar leeren recht en plicht, zedekunde,

kruidkunde en heelkunde, geschiedenissen, vertellingen en zangen,

benevens allerhande dingen die haar noodig zijn om raad te geven. De

Burgtmaagd moet haar leeren, hoe zij daarmede te werk moeten gaan bij

de menschen. Voor dat eene Burgtmaagd hare plaats inneemt, moet zij

door het land reizen een vol jaar. Drie grijze burgtheeren en drie

oude maagden gaan met haar mede. Zoo is het ook mij gegaan. Mijne reis

is langs den Rijn geweest, dezen oever opwaarts en langs den anderen

oever benedenwaarts. Hoe hooger ik opkwam, des te armer schenen mij de

menschen. Overal in den Rijn had men uitstekken gemaakt. Het zand dat

daartegen kwam, werd met water over schapenvachten gegoten om goud te

winnen. Maar de meisjes droegen daar geene gouden kroonen van. Voorheen

waren er meer geweest, maar sedert wij Schoonland misten, zijn zij

naar de bergen gegaan. Daar delven zij ijzererts, waar zij ijzer van

maken. Boven den Rijn tusschen het gebergte, daar heb ik Marsaten

gezien. De Marsaten, dat zijn menschen, die op de meeren wonen. Hunne

huizen zijn op palen gebouwd. Dat is wegens het wild gedierte en booze

menschen. Daar zijn wolven, beeren en zwarte afgrijselijke leeuwen. En

zij zijn de naburen of aangrenzenden van de heinde Krekalanden, der

Kalta volgers en der verwilderde Twiskar, alle begeerig naar roof en

buit. De Marsaten generen zich met visschen en jagen. De huiden worden

door de vrouwen toegemaakt en bereid met schors van berken. De kleine

huiden zacht als vrouwenfilt. De burgtmaagd te Fryasburgt zeide ons,

dat zij goede, eenvoudige menschen waren. Doch had ik haar niet vooraf

hooren spreken, ik zoude gemeend hebben, dat zij geen Fryas volk waren,

maar wilden, zoo onbeschaamd zagen zij er uit. Hunne vachten en kruiden

werden door de Rijnbewoners verhandeld en door de schippers buiten

gebracht. Langs de (andere zijde van) den Rijn was het eveneens tot

aan Lydasburcht. Daar was een groote vliet of mare. Op deze vliet

waren ook menschen, die huizen op palen hadden. Doch dat was geen

Fryas volk: maar dat waren zwarte en bruine menschen, die gediend

hadden als roeijers om de buitenvaarders naar huis te helpen. Zij

moesten daar blijven, tot dat de vloot weder vertrok.

Ten laatste kwamen wij te Alderga. Bij het zuiderhavenhoofd staat

de Waraburgt, een steenhuis, daarin zijn allerlei schulpen, hoorns,

wapenen en kleederen bewaard van verre landen, door de zeelieden

medegebracht. Een kwartier daarvan daan is het Alderga. Een groote

vliet omzoomd met schuren, huizen en tuinen, alles rijk versierd. In

die vliet lag eene groote vloot gereed, met banieren van allerlei

verf. Op Fryasdag hingen de schilden om de boorden toe. Sommige blonken

gelijk de zon. De schilden van den zeekoning en den schout bij nacht

waren met goud omboord. Van uit die vliet was eene gracht gegraven

van daar voortloopende langs de burgt Forana en voorts met eene enge

mond in zee. Voor de vloot was dit de uitgang en het Fly de ingang. Aan

beide zijden der gracht zijn schoone huizen met helder blinkende verwen

geschilderd. De tuinen zijn met altijd groene hagen omheind. Ik heb

daar vrouwen gezien die viltene tunikas droegen, als of het schrijffilt

was. Even als te Staveren waren de meisjes met gouden kroonen op hare

hoofden en met ringen om de armen en voeten gesierd. Zuidwaarts van

Forana ligt Alkmarum. Alkmarum is eene mare of vliet, daarin ligt een

eiland, op dat eiland moeten de zwarte en bruine menschen verwijlen,

even als te Lydasburgt. De Burgtmaagd van Forana zeide mij, dat de

burgtheeren dagelijks tot hen gingen om hun te leeren, wat echte

vrijheid is, en hoe de menschen in der minne behooren te leven om

zegen te erlangen van Wraldas geest. Was er iemand die hooren wilde

en begrijpen kon, zoo werd hij daar gehouden, tot dat hij volleerd

was. Dat werd gedaan om de veraf wonende volken wijs te maken, en

om overal vrienden te winnen. Weleer was ik in de Saxenmarken op de

burgt Mannagardaforde geweest. Doch daar had ik meer armoede gezien,

als ik hier rijkdom bespeurde. Zij antwoordde: zoo wanneer daar aan de

Saxenmarken een vrijer een meisje komt bevrijen, dan vragen de meisjes

daar, kunt gij uw huis vrijwaren tegen de verbannen Twisklanders? hebt

gij er nog geen geveld? hoeveel buffels hebt gij reeds gevangen en

hoeveel beeren en wolvenhuiden hebt gij al op de markt gebracht? Daar

van daan is 't gekomen, dat de Saxmannen den landbouw aan de vrouwen

overgelaten hebben. Dat van honderd te zamen niet een lezen mag of

schrijven kan. Daarvan daan is het gekomen, dat niemand eene spreuk op

zijn schild heeft, maar bloot eene wanstaltige gedaante van een dier,

dat hij geveld heeft. En eindelijk, daarvan daan is het gekomen, dat

zij zeer oorlogzuchtig geworden zijn, maar somtijds even dom zijn

als het gedierte, dat zij vangen, en even arm als de Twisklanders,

met welke zij oorlogen. Voor Fryasvolk is aarde en zee geschapen. Alle

onze rivieren loopen in zee uit. Het Lydasvolk en het Findasvolk zullen

elkander verdelgen, en wij moeten de ledige landen bevolken. In het

heen en omvaren ligt ons heil. Wilt gij nu, dat de bovenlanders deel

hebben aan onzen rijkdom en wijsheid, zoo zal ik u een raad geven. Laat

het de meisjes tot eene gewoonte worden om hare vrijers te vragen,

eer zij ja zeggen: waar hebt gij al in de wereld rondgevaren? wat

kunt gij uwe kinderen vertellen van verre landen en over verwonende

volken? Doet zij zoo, dan zullen de krijgshaftige knapen tot ons

komen. Zij zullen wijzer worden en rijker en wij zullen geen behoefte

langer hebben aan dat vuile volk. De jongste van de maagden, die bij

mij waren, kwam uit de Saxenmarken weg. Toen wij nu te huis kwamen,

heeft zij verlof gevraagd om naar huis te gaan. Naderhand is zij daar

Burgtmaagt geworden, en daarvan daan is het gekomen, dat heden ten

dage zoo vele Saxmannen bij onze zeelieden varen.

Einde van Apollonias boek.

Thet Oera Linda Bok, Naar een Handschrift uit de Dertiende Eeuw · 第 46 / 118 题