Alle het goede minnende Fryas kinderen zij heil! Daardoor zal het
zalig worden op aarde. Leer en verkondig aan de volken. Wralda is
het alleroudste of overoudste, want hij schiep alle dingen. Wralda
is alles in alles, want hij is eeuwig en oneindig. Wralda is overal
tegenwoordig, maar nergens te aanschouwen, daarom wordt dit wezen geest
genoemd. Alles wat wij van hem zien kunnen, zijn de schepselen die door
zijn leven komen en weder heengaan, want uit Wralda komen alle dingen
en keeren tot hem weder. Van uit Wralda komt de aanvang en het einde,
alle dingen gaan in hem op. Wralda is het eenige almachtige wezen, want
alle andere macht is van hem geleend en keert tot hem terug. Uit Wralda
komen alle krachten en alle krachten keeren tot hem weder. Daarom is
hij alleen het scheppende wezen, en niets is geschapen buiten hem.
Wralda legde eeuwige inzettingen, dat is wetten in al het geschapene,
en er zijn geene goede wetten, of zij moeten daarnaar ingericht
zijn. Maar ofschoon alles in Wralda is, de boosheid der menschen
is niet van hem. Boosheid komt door loomheid, zorgeloosheid
of domheid. Daarom kan zij wel de menschen schaden, maar Wralda
nimmer. Wralda is de wijsheid, en de wetten, die hij gemaakt heeft,
zijn de boeken, waaruit wij leeren kunnen, en er is geen wijsheid
te vinden, noch te vergaderen buiten die. De menschen kunnen vele
dingen zien; maar Wralda ziet alle dingen. De menschen kunnen vele
dingen leeren, maar Wralda weet alle dingen. De menschen kunnen vele
dingen ontsluiten, maar voor Wralda is alles geopend. De menschen
zijn mannelijk en vrouwelijk, maar Wralda schept beide. De menschen
beminnen en haten, maar Wralda alleen is rechtvaardig. Daarom is
Wralda alleen goed, en er zijn geene goeden buiten hem. Met het Juul
verandert en wisselt al het geschapene, maar het goede is alleen
onveranderlijk. Omdat Wralda goed is, kan hij ook niet veranderen; en
omdat hij blijft, daarom is hij alleen wezen, en al het andere schijn.