Vijftien maanden na deze laatste algemeene vergadering was
het Vriendschaps- of Winnemaand. Iedereen gaf toe aan lustige
vreugde en blijdschap, en niemand had zorg dan zijn vermaak na
te jagen. Doch Wr.alda wilde ons aantoonen, dat de waakzaamheid
niet mag verflaauwen. Te midden van het feestvieren kwam de nevel
onze oorden in dichte duisternis hullen. Het vermaak vlood, en de
waakzaamheid wilde niet terugkeeren. De strandwakers waren van
hunne noodvuren weggeloopen, en op de toegangen was niemand te
zien. Toen de nevel optrok, keek de zon door de reeten der wolken
op aarde neder. Iedereen kwam weder uit om te juichen en te joelen,
het jongvolk trok zingende met de (zakpijp?), en deze vervulde de
lucht met haar lieffelijken adem. Maar, terwijl daar iedereen zich in
vreugde baadde, was verraad geland met paarden en ruiters; gelijk al
het booze waren zij geholpen door de duisternis, en binnengeslopen
door de paden van Lindaswoud. Voor de deur van Adela trokken twaalf
meisjes met twaalf lammeren en twaalf knapen met twaalf hokkelingen,
een jonge Saksman bereed een wilden buffel, dien hij zelf gevangen
en getemd had. Met allerlei bloemen waren zij versierd, en de linnen
jurken der meisjes waren omboord met goud uit den Rijn.
Toen Adela uit haar huis op de straat kwam viel een bloemregen op haar
hoofd, allen juichten luide, en de toethoornen der knapen klonken
boven alles uit. Arme Adela, arm volk, hoe kort zal de vreugde hier
vertoeven! Toen de lange schare uit het gezicht was, kwam een troep
Magyaarsche ruiters lijnrecht aanrennen op Adelas erf. Haar vader en
haar man waren nog gezeten op de stoepbank. De deur stond open en daar
binnen stond Adelbrost haar zoon. Als hij zag hoe zijne ouders in vrees
waren, greep hij zijn boog van de wand, en schoot naar den voorste
der roovers; deze wankelde en tuimelde op het gras neder; over den
tweede en derde was een gelijk lot beschoren. Intusschen hadden zijne
ouders hunne wapenen gegrepen en trokken langzaam naar Jons huis. De
roovers zouden hen spoedig gevangen genomen hebben, maar Adela kwam
(op de burgt had zij alle wapens leeren hanteeren, zeven aardvoet was
zij lang, en haar zwaard even zoo lang, dit zwaaide zij driemaal over
haar hoofd en toen het nederkwam beet een ridder in het gras.
Helpers kwamen om den hoek van de laan weg. De roovers werden
geveld en gevangen. Doch te laat! een pijl had haar boezem
getroffen. Verraderlijke Magy! De pijlspits was in vergif gedoopt en
daaraan stierf zij.