DE LOFSPRAAK DER BURGTMAAGD.

Ja, ver wonende vriend, duizende zijn reeds gekomen en nog meerdere

zijn op weg.

Wel, zij willen Adelas wijsheid hooren.

Zeker is zij eene vorstin, want zij is altijd de voorste geweest.

O wee! waartoe zoude zij dienen. Haar hemd is van linnen, hare

tunika van wol, die zij zelve spon en weefde. Waarmede zoude zij

hare schoonheid verhoogen? Niet met parelen, want hare tanden zijn

witter; niet met goud, want hare lokken zijn blinkender; niet met

edelgesteenten, wel zijn hare oogen zacht als die van een lam, doch

te gelijk zoo vurig, dat men er bezwaarlijk in kan zien. Maar wat

spreek ik van schoon? Frya was gewis niet schooner. Ja vriend, Frya

die zeven schoonheden bezat, waarvan hare dochters elk maar eene,

hoogstens drie geërfd hebben. Maar al was zij leelijk geweest, toch

zoude zij ons dierbaar wezen.

Of zij krijgshaftig is? Luister vriend, Adela is het eenige kind van

onzen grevetman. Zeven aardvoet is zij hoog, hare wijsheid is nog

grooter als haar ligchaam, en haar moed is gelijk beide te zamen.

Zie hier, er was eens een veenbrand, drie kinderen waren op gindschen

grafsteen gesprongen. De wind blies fel. Iedereen schreeuwde en de

moeder was radeloos. Daar komt Adela: Hoe staat en talmt gij, roept

zij, tracht hulp te verleenen, en Wralda zal u krachten geven. Daarop

ijlt zij naar het Krijlwoud, grijpt elzentakken, tracht eene brug te

maken; nu helpt ook de andere en de kinderen zijn gered.

Jaarlijks komen de kinderen hier bloemen neêrleggen.

Er kwamen drie Phoenicische zeelieden, die de kinderen wilden

mishandelen, maar nu kwam Adela, die hun geschrei hoorde, zij slaat

de onverlaten in zwijm; en opdat zij zelve zouden getuigen, dat

zij onwaardige mannen waren, bindt zij hen alle te zamen aan een

spinrok vast. De uitheemsche heeren kwamen hunne lieden opeischen;

toen zij zagen hoe raar zij waren mishandeld, kwam toorn bij hen op;

doch men verhaalde hun, hoe het gebeurd was.

Wat deden zij verder? Zij bogen zich voor Adela en kusten de slip van

haar kleed. Maar kom, verafwonende vriend. De woudvogelen vluchten voor

de vele bezoekers. Kom, vriend, zoo moogt gij hare wijsheid hooren.

Bij den grafsteen, waarvan in de lofspraak melding wordt gemaakt,

is moeders lijk begraven. Op haren grafsteen heeft men deze woorden

gegrift.

Thet Oera Linda Bok, Naar een Handschrift uit de Dertiende Eeuw · 第 43 / 118 题