Mijn naam is Adelbrost, de zoon van Apol en Adela. Door mijn volk ben
ik gekozen tot Grevetman over de Linda-oorden. Daarom wil ik dit boek
vervolgen, op zoodanige wijze als mijne moeder gesproken heeft.
Nadat de Magy verslagen was en Fryasburgt op stel gebracht, moest
er eene Moeder gekozen worden. Bij haar leven had de Moeder hare
opvolgster niet genoemd. Haar uiterste wil was weg en nergens te
vinden. Zeven maanden daarna werd eene algemeene vergadering belegd en
wel te Grenega, uit oorzaak dat het aan de Saksamarken paalt. Mijne
moeder werd gekozen, maar zij wilde niet Moeder wezen. Zij had het
leven mijns vaders gered, daardoor hadden zij elkander lief gekregen,
nu wilden zij ook in het huwelijk treden. Velen wilden mijne moeder
van haar besluit afbrengen; maar mijne moeder zeide: eene Eeremoeder
behoort zoo rein in haar gemoed te zijn, als zij uitwendig schijnt,
en even liefderijk voor al hare kinderen. Naardien ik nu Apol lief
heb boven alles in de wereld, zoo kan ik zulk eene Moeder niet
wezen. Zoo sprak en redeneerde Adela, maar de andere burgtmaagden
wilden alle Moeder wezen. Elke staat dong mede voor zijne eigene maagd
en wilde niet toegeven. Daardoor is er geene gekozen, en het rijk
dus bandeloos. Uit het volgende moogt gij het begrijpen. Liudgert
de koning die onlangs gestorven is, was bij het leven der Moeder
gekozen, blijkbaar door alle staten met liefde en vertrouwen. Het
was zijne beurt op het groote hof te Dokhem te wonen; en bij het
leven der Moeder, werd hem daar groote eer bewezen; want het was er
altijd zoo vol boden en ridders, als men er nooit te voren gezien
had. Doch nu was hij eenzaam en verlaten; want iedereen was bevreesd,
dat hij zich meester zoude maken boven het recht, en heerschen gelijk
de slavenkoningen. Elk opperhoofd waande voorts, dat hij genoeg deed,
als hij waakte over zijn eigen staat, en de een gaf niets toe aan den
ander. Met de Burgtmaagden ging het nog erger toe. Elk van haar boogde
op hare eigen wijsheid, en wanneer de Grevetmannen iets deden buiten
haar, verwekten zij wantrouwen tusschen hem en zijn volk. Geschiedde
er eene zaak, die vele staten betrof, en had men de raad van eene
maagd ingewonnen, dan riepen alle andere, dat zij gesproken had ten
voordeele van haar eigen staat. Door dusdanige ranken brachten zij
tweespalt over de staten, en tornden zij den band zoodanig van een,
dat het volk van de eene staat nijdig was op het volk van de andere
staat, en voor het allerminste als vreemdelingen beschouwde. Het gevolg
daarvan is geweest, dat de Golen of Truwenden al ons land afgewonnen
hebben tot aan de Schelde, en de Magy tot aan de Wesara. Hoe het
hierbij toegegaan is, heeft mijne moeder uitgelegd, anders was het
boek niet geschreven geworden, ofschoon ik alle hoop verloren heb,
dat het helpen zal ten bate. Ik schrijf dus niet in den waan, dat
ik daardoor het land zal winnen of behouden, dat is mijns achtens
ondoenlijk. Ik schrijf alleen voor het nakomende geslacht, opdat
zij al te zamen mogen weten, op hoedanige wijze wij verloren gingen,
en opdat ieder daaruit leeren mag, dat alle kwaad zijne straf teelt.
Mij heeft men Apollonia genoemd. Tweeëndertig dagen na moeders dood,
heeft men Adelbrost mijn broeder verslagen gevonden op de werf,
zijn hoofd gespleten, en zijne leden uiteengereten. Mijn vader,
die ziek lag, is van schrik gestorven. Toen is Apol mijn jongere
broeder, van hier naar de westzijde van Schoonland gevaren. Daar
heeft hij eene burgt gebouwd, Lindasburgt geheeten, om daar ons leed
te wreken. Wralda heeft hem daartoe vele jaren geleend. Hij heeft vijf
zonen gewonnen. Die alle brengen den Magy schrik en mijn broeder roem
aan. Na den dood van mijne moeder en mijn broeder, zijn de braafsten
van onze landen te zamen gekomen en hebben een verbond gesloten,
Adelbond geheeten. Opdat ons geen leed wedervaren zoude, hebben zij
mij en mijn jongsten broeder Adelhirt op de burgt gebracht, mij bij de
maagden en mijn broeder bij de krijgslieden. Toen ik dertig jaren oud
was, heeft men mij tot Burgtmaagd gekozen, en toen mijn broeder vijftig
was, werd hij gekozen tot Grevetman. Van moeders zijde was mijn broeder
de zesde, maar van vaders zijde de derde. Naar recht mochten dus zijne
nakomelingen niet overa Linda achter hunne namen voeren; maar iedereen
wilde het hebben ter eere van mijne moeder. Daarenboven heeft men ons
ook een afschrift gegeven van het boek van Adela's aanhangers. Daarmede
ben ik het meest verheugd, want door mijner moeder wijsheid kwam het
in de wereld. In de burgt heb ik nog andere geschriften gevonden, ook
lofspraken over mijne moeder, die alle wil ik hier achter schrijven.
Dit zijn de nagelaten geschriften van Bruno, die schrijver geweest
is op deze burgt. Nadat de aanhangers van Adela alles hadden laten
overschrijven, elk in zijn rijk, wat op de wanden der burgten gegrift
was, besloten zij eene Moeder te kiezen. Daartoe werd eene gemeene
vergadering belegd op deze hiem. Naar de eerste raad van Adela werd
Teuntja aanbevolen. Dit zoude ook geslaagd zijn, doch nu vroeg mijne
Burgtmaagd het woord: zij was altijd in de meening geweest, dat zij
Moeder zoude worden, uit oorzaak dat zij hier op de burgt zat, van
waar meest alle Moeders gekozen waren. Toen haar het woord gegund
was, opende zij hare valsche lippen en sprak: Gij allen schijnt
zeer te hechten aan Adelas raad; doch dat zal daarom mijn mond niet
sluiten noch snoeren. Wie toch is Adela en waar komt het van daan,
dat gij haar zulken hoogen lof toezwaait? Gelijk ik tegenwoordig,
zoo is zij te voren hier Burgtmaagd geweest; is zij daarom wijzer en
beter als ik en alle andere? of is zij meer gesteld op onze zeden
en gewoonten? Was dat het geval, dan zoude zij wel Moeder geworden
zijn, toen zij daartoe gekozen is, maar zij wilde liever een huwelijk
hebben met alle vreugde en genoegens, die daaraan verbonden zijn,
in plaats van eenzaam over haar zelve en het volk te waken. Zij is
zeer helderziende, goed, maar mijne oogen zijn verre van verduisterd
te wezen. Ik heb gezien dat zij haren echtgenoot grootelijks bemint,
nu goed, dat is loffelijk, maar ik heb verder gezien, dat Teuntje
Apols nicht is. Wijders wil ik niets zeggen.
De voornaamsten begrepen heel goed, waar zij luwte zocht, maar
onder het volk kwam tweespalt, en, naardien het meerderdeel van hier
kwam, wilde het Teuntje die eer niet gunnen. De redeneringen werden
geëindigd: de messen uit den zak gehaald, en er werd geene Moeder
gekozen. Kort daarop had een van onze boden zijn makker geveld. Tot
nu toe was hij braaf geweest, daarom had mijne burgtmaagd verlof hem
buiten de landpalen te helpen. Doch, in plaats van hem te helpen naar
het Twiskland, zoo vluchtte zij zelve met hem over de Wesara en voorts
naar den Magy. De Magy, die zijne Fryaszonen behagen wilde, stelde
haar aan als Moeder op Godaburgt in Schoonland; maar zij wilde meer,
zij zeide hem dat, bijaldien hij Adela uit den weg ruimen konde, hij
meester zoude worden over geheel Fryas land. Zij was eene vijandin
van Adela, zeide zij, want door hare ranken was zij geene Moeder
geworden. Bijaldien hij haar Texland wilde toezeggen, zoude haar
bode zijne krijgslieden tot wegwijzer dienen. Al deze zaken heeft
haar bode zelf beleden.