Hoe onze Denemarken voor ons verloren gingen, 1602 jaren nadat Atland
was verzonken. Door Wodins dwaze dartelheid, was de Magy meester
geworden over het oosterdeel van Schoonland. Over de bergen en over
de zee durfden zij niet komen. De Moeder wilde het niet weren, zij
sprak zeggende: Ik zie geen gevaar in zijne wapenen, maar wel om de
Schoonlanden weer te nemen, omdat zij verbasterd en verdorven zijn. Op
de algemeene vergadering dacht men gelijkerwijze. Daarom is het aan
hem gelaten. Groot honderd jaren geleden begonnen de Denemarkers met
hun handel te drijven. Zij gaven hun ijzeren wapenen, daarvoor ruilden
zij gouden sieraden benevens koper- en ijzererts. De Moeder zond boden
en raadde hun, zij zouden den ruilhandel laten varen. Daar was gevaar,
zeide zij, voor hunne zeden, en indien zij hunne zeden verloren, dan
zouden zij ook hunne vrijheid verliezen. Maar de Denemarkers hadden
nergens ooren naar; zij wilden niet begrijpen, dat hunne zeden verloren
konden gaan; daarom stoorden zij zich niet aan haar. Ten langen leste
brachten zij hunne eigene wapenen en leeftocht zoek. Maar dit kwaad
veroorzaakte hunne straf. Hunne ligchamen werden overladen met glans
en schijn, maar hunne kisten, kasten en schuren werden ledig. Juist
honderd jaar nadat het eerste schip met leeftocht van de kust in zee
gestoken was, kwam armoede en gebrek door de vensters binnen, honger
spreidde zijne wieken uit en streek op het land neder, tweespalt liep
trotsch over de straat, en voorts de huizen in, liefde kon geen steun
langer vinden, en eendracht liep weg. Het kind vroeg eten van zijne
moeder, en die had geene spijs, maar wel sieraden. De vrouwen kwamen
tot hunne mannen, deze gingen tot de graven, de graven hadden zelve
niets, of hielden het verborgen. Nu moest men de sieraden verkoopen,
maar terwijl de zeelieden daarmede vertrokken waren, kwam de vorst en
legde een plank neder op de zee en op de straat (de Sond). Toen de
vorst de brug gereed had, stapte de waakzaamheid daarover het land
uit, en het verraad klom op zijn zetel. In plaats van de oevers te
bewaken, spanden hij hunne paarden voor hunne sleden, en reden naar
Schoonland. Doch de Schoonlanders, die begeerig waren naar het land
hunner voorvaderen, kwamen naar de Denemarken. Op een heldere nacht
kwamen zij alle. Nu zeiden zij, dat zij recht hadden op het land hunner
voorvaderen, en terwijl men daarover streed, kwamen de Finnen in de
verlatene dorpen en liepen met de kinderen weg. Daardoor en dat zij
geene goede wapenen hadden, deed hun de strijd verliezen en daarmede
de vrijheid, want de Magy werd meester. Dat kwam daar van daan, dat
zij Fryas tex niet lazen en hare raadgevingen verwaarloosd hadden. Er
zijn sommigen, die meenen, dat zij door de graven verraden zijn, en dat
de maagden dat al lang bespeurd hadden. Doch zoodra iemand daarover
spreken wilde, werd hem de mond gesnoerd met gouden ketens. Wij
kunnen daarover niet oordeel vellen, maar wij willen u toeroepen:
Verlaat u niet te zeer op de wijsheid en deugd noch van uwe vorsten
noch van uwe maagden; want zal het stand houden, dan moet iedereen
waken over zijn eigene hartstochten en voor het algemeene welzijn.
Twee jaren daarna kwam de Magy zelf met eene vloot van lichte booten
om aan de Moeder van Texland de lamp te ontrooven. Deze booze daad
bestond hij bij nacht in den winter bij stormweder, terwijl de wind
gierde en de hagel tegen de vensters kletterde. De torenwachter,
die meende, dat hij wat hoorde, ontstak zijne toorts. Zoodra als het
licht van den toren op het ronddeel neder viel, zag hij dat reeds vele
gewapende mannen over de burgtwal waren. Nu ging hij om de klok te
luiden, doch het was te laat. Eer de wacht gereed was, waren reeds twee
duizend in de weer om de poort te rammeijen. De strijd duurde daarom
kort, want omdat de krijgslieden geene goede wacht gehouden hadden,
kwamen allen om. Terwijl iedereen druk aan het vechten was, was er een
leelijke Fin in de (fleete) of het slaapvertrek van de Moeder binnen
geslopen, en wilde haar geweld aandoen. De Moeder weerde hem af, dat
hij ruggelings tegen de wand tuimelde. Toen hij weder op de been was,
stak hij haar zijn zwaard in de buik, zeggende: wilt gij mijne roede
niet, zoo zult gij mijn zwaard hebben. Achter hem kwam een zeeman van
de Denemarken, deze nam zijn zwaard en kloofde den Fin den kop. Daaruit
stroomde zwart bloed en daarboven zweefde eene blaauwe vlam.
De Magy liet de Moeder op zijn schip verplegen. Toen zij nu zoo
verre hersteld en beter was, dat zij helder spreken konde, zeide
de Magy, dat zij met hem mede varen moest, doch dat zij hare lamp
en hare maagden zoude behouden, dat zij een staat zoude voeren,
zoo hoog als zij nooit te voren gekend had. Voorts zeide hij, dat
hij haar vragen zoude in tegenwoordigheid van zijne voornaamsten,
of hij meester zoude worden over alle landen en volken van Frya. Hij
zeide, dat zij dit bevestigen en verzekeren moest, anders zoude hij
haar onder vele smarten laten sterven. Toen hij daarna alle zijne
voornaamsten om haar leger vergaderd had, vroeg hij luide: Frana,
vermits ge helderziende zijt, moet gij mij eens zeggen of ik meester
zal worden over alle landen en volken van Frya. Frana deed, als sloeg
zij geen acht op hem. Ten langen laatste opende zij hare lippen, en
sprak: Mijne oogen worden verduisterd, doch het andere licht daagt
op in mijne ziel. Ja, ik zie het. Hoor Irtha, en wees blijde met
mij. In de tijden, dat Atland verzonken is, stond de eerste spaak
van het Juul in top. Daarna is zij nedergegaan en onze vrijheid met
haar. Als het twee spaken of twee duizend jaren nedergewenteld heeft,
zullen de zonen opstaan, die de vorsten en priesteren in ontucht bij
het volk geteeld hebben, en die tegen hunne vaderen getuigen. Die
allen zullen door moord bezwijken; maar wat zij verkondigd hebben,
zal voortdurend blijven en vruchtbaar worden in den boezem der kloeke
menschen, gelijk goede zaden die neergelegd worden in uwen schoot. Nog
duizend jaren zal de spaak naar beneden dalen en al meer neder zijgen
in de duisternis en in het bloed over u uitgestort door de lagen der
vorsten en priesteren. Daarna zal het morgenrood weder aanvangen te
gloren. Dit ziende zullen de valsche vorsten en priesters allen te
zamen tegen de vrijheid kampen en worstelen; maar vrijheid, liefde en
eendracht zullen het volk in hare hoede nemen, en met het juul uit
de vuile poel rijzen. Het licht, dat eerst alleen gloorde, zal dan
van lieverlede tot eene vlam worden. Het bloed der boozen zal over uw
ligchaam stroomen, maar gij moogt het niet tot u nemen. Ten laatste
zal het vergiftige gedierte daarop azen en daarvan sterven. Alle vuile
geschiedenissen, die verzonnen zijn om de vorsten en priesteren te
roemen, zullen aan de vlam geofferd worden. Voortaan zullen alle
uwe kinderen in vrede leven. Toen zij uitgesproken had, zeeg zij
neder. Maar de Magy, die haar niet wel verstaan had, schreeuwde: ik
heb u gevraagd of ik meester zoude worden over alle landen en volken
van Frya, en nu hebt gij tot een ander gesproken. Frana richtte zich
weder op, zag hem strak aan en sprak: eer zeven etmalen om zijn,
zal uwe ziel met de nachtvogels bij de graven rond waren, en uw lijk
zal liggen op den bodem van de zee. Heel goed, zeide de Magy met
verkropte woede, zeg maar dat ik kom. Vervolgens zeide hij tot zijn
gerigtsdienaars: werpt dat wijf over scheepsboord. Zoo was het einde
van de laatste der Moeders. Wraak willen wij daarover niet roepen,
die zal de tijd nemen. Maar duizendwerf duizendmaal willen wij Frya
na roepen: waak! waak! waak!