DIT IS OVER DE GEERTMANNEN.

Toen Hellenia of Minerva gestorven was, hielden de priesters zich

als of zij met ons waren, en opdat zulks duidelijk blijken zoude,

hebben zij Hellenia tot eene Godin uitgeroepen. Ook wilden zij

geene andere Moeder laten kiezen, zeggende, dat zij vrees hadden,

dat er onder hare maagden geene zouden wezen, die zij zoo zouden

kunnen vertrouwen als Minerva, die Nyhellenia bijgenaamd was. Maar

wij wilden Minerva niet als eene Godin erkennen, naardien zij zelve

ons gezegd had, dat niemand goed of volkomen kon wezen, als Wraldas

geest. Daarom kozen wij Geert Pyres dochter tot onze Moeder.

Als de priesters zagen, dat zij hunne haring op ons vuur niet mochten

braden, gingen zij buiten Athene en zeiden, dat wij Minerva niet als

eene Godin wilden bekennen uit nijd, omdat zij de inlanders zooveel

liefde had bewezen. Daarop gaven zij het volk beeldtenissen van hare

gelijkenis, betuigende dat zij daaraan alles mochten vragen, zoo lang

zij gehoorzaam bleven. Door al deze verhalen werd het domme volk van

ons afkeerig gemaakt, en ten laatsten vielen zij ons te lijf. Maar

wij hadden onze steenen burgtwal met twee hoornen omgebogen tot

aan de zee. Zij konden ons daarom niet genaken. Doch wat gebeurde,

een Egyptenaar die een overpriester was, helder van oogen, klaar

van brein, en verlicht van geest, zijn naam was Cecrops, hij kwam om

raad te geven. Als Cecrops nu zag, dat hij met zijne lieden onze wal

niet bestormen kon, toen zond hij boden naar Thyrus. Daarop kwamen

driehonderd schepen vol soldaten van de wilde bergvolken onverwacht

in onze haven varen, terwijl wij met al onze mannen op den wal

strijdende waren.

Zoodra zij de haven hadden ingenomen, wilden de woeste soldaten het

dorp en onze schepen plunderen. Een soldaat had reeds een meisje

geschonden, maar Cecrops wilde dat niet gedogen, en de Thyrische

zeelieden, die nog Friesch bloed in het lijf hadden, zeiden: als gij

dat doet, zullen wij den rooden haan in onze schepen steken en gij

zult uwe bergen nooit wederzien. Cecrops die niet hield van moorden

noch van verwoesten, zond boden naar Geert om haar de burgt af te

eischen, zij mocht vrijen uittocht hebben met al haar drijvende en

dragende have, en hare volgelingen desgelijks. De verstandigste der

burgtheeren heel goed ziende, dat zij de burgt niet konden houden,

raadden Geert aan, dat zij gaauw moest toebijten, voor dat Cecrops

woedend werd en anders begon en drie maanden daarna, vertrok Geert

met met de beste Fryaszonen en zeven maal twaalf schepen. Toen zij

een poos buiten de haven waren, kwamen er wel dertig schepen van

Thyrus met vrouw en kinderen. Zij wilden naar Athene gaan, doch

als zij hoorden hoe het te Athene geschapen stond, gingen zij met

Geert. De zeekoning der Thyriers bracht allen te zamen door de straat,

die in deze tijden op de Roode zee uitliep. Ten laatste landen zij

aan Pangab, dat is in onze spraak vijf wateren, omdat vijf rivieren

met elkander naar de zee toestroomen. Hier zetten zij zich neder. Dat

land hebben zij Geertmania genoemd. De koning van Thyrus later ziende,

dat zijne allerbeste zeelieden vertrokken waren, zond al zijne schepen

met zijne wilde soldaten om hen dood of levend te vatten. Maar als

zij bij de straat kwamen, beefden beide aarde en zee. Daarop hief

aarde haar lijf daar zoo omhoog, dat al het water de straat uitliep,

en dat alle wadden en schorren als een burgtwal voor hen oprezen.

Dit geschiedde wegens de deugden der Geertmannen, gelijk iedereen

klaar en duidelijk zien kan.

IN HET JAAR 1005 NADAT ATLAND GEZONKEN IS, IS DIT OP DE OOSTERWAND

VAN FRIJASBURGT GESCHREVEN.

Nadat wij in twaalf jaren tijd geen Krekalander te Almanland gezien

hadden, kwamen hier drie schepen zoo sierlijk als wij er geen hadden,

en te voren nimmer hadden gezien. Op het grootste van deze was een

koning der Jonische eilanden; zijn naam was Ulysus en de roep zijner

wijsheid groot. Aan dezen koning was door eene priesteres voorzegd

dat hij koning zoude worden over alle Krekalanden, zoo hij raad wist

om eene lamp te krijgen, die opgestoken was aan de lamp te Texland. Om

die te verkrijgen had hij vele schatten medegebracht, bovenal vrouwen

sieraden, gelijk er in de wereld niet schooner gemaakt werden. Zij

waren afkomstig van Troje, eene stad, die de Krekalanders hadden

ingenomen. Al deze schatten bood hij de Moeder aan; maar de Moeder

wilde nergens van weten. Als hij ten laatsten zag, dat zij niet te

winnen was, ging hij naar Walhallagara. Daar was eene burgtmaagd

gezeten, wier naam was Kaat; doch in de wandeling werd zij Kalip

genoemd, omdat haar onderlip als een mastkorf vooruitstak. Bij deze

heeft hij jaren vertoefd tot ergernis van allen die het wisten. Naar

het zeggen der maagden heeft hij van haar ten laatste eene lamp

gekregen; doch zij heeft hem niet gebaat, want toen hij in zee kwam,

is zijn schip vergaan, en hij naakt en bloot opgenomen door de

andere schepen.

Van dezen koning is hier een schrijver achtergebleven van zuiver

Fryasbloed, geboren in de nieuwe haven van Athene, en hetgene hier

volgt heeft hij voor ons over Athene geschreven, waaruit men mag

besluiten, hoe waar de Moeder Hellicht gesproken heeft toen zij zeide

dat de zeden van Frya te Athene geen stand konden houden. Van de

andere Krekalanders hebt gij zeker veel kwaad over Cecrops gehoord,

want hij was in geen goede roep. Maar ik durf zeggen, hij was een

verlicht man, hoogelijk geroemd, zoowel bij de inwoners als bij ons,

want hij was er niet voor om de menschen te onderdrukken, gelijk de

andere priesteren, maar hij was deugdzaam en wist de wijsheid der ver

afwonende volken naar waarde te schatten. Daarom, omdat hij dat wist

heeft hij ons toegestaan, dat wij mochten leven naar ons eigenlijk

Asegaboek. Er liep een verhaal, dat hij ons genegen was, omdat hij

geboren zoude wezen uit een Friesch meisje en een Egyptisch priester,

uithoofde dat bij blauwe oogen had, en dat er vele meisjes bij ons

geschaakt waren en verkocht naar Egypte. Doch zelf heeft hij dit

nimmer bevestigd. Hoe het daarmede is, zeker is het dat hij ons meer

vriendschap bewees, als alle andere priesteren te zamen. Maar toen

hij gestorven was, gingen zijne opvolgers al spoedig aan onze wetten

tornen, en allengs zoo vele ongeschikte keuren maken, dat er ten langen

laatste van gelijkheid en van vrijheid niet anders, als de schijn en

de naam overbleef. Verder wilden zij niet gedoogen dat de inzettingen

in schrift werden gebracht, waardoor de wetenschap daarvan voor ons

verborgen werd. Te voren werden alle zaken binnen Athene in onze taal

bepleit, naderhand moest het in beide talen geschieden, en ten laatste

alleen in de landstaal. In de eerste jaren nam het manvolk te Athene

enkel vrouwen van ons eigen geslacht, maar het jongvolk opgewassen

met de meisjes der landzaten namen daar ook van. De basterd kinderen

die daarvan kwamen, waren de schoonste en schranderste van de wereld,

maar zij waren ook de slechtste. Hinkende over beide zijden, zich

bekreunende noch om wet, noch om gewoonte, tenzij dat het was voor hun

eigen belang. Alzoo lang er nog een straal van Fryas geest opwelde,

werd al de bouwstof tot gemeene werken verarbeid, en niemand mocht een

huis bouwen, dat ruimer en rijker was als dat van zijn buurman. Doch

toen sommige verbasterde stedelingen rijk waren door onze zeevaart

en door het zilver, dat de slaven uit de zilverlanden wonnen, gingen

zij buiten op de hellingen (der bergen) of in de dalen wonen. Aldaar

achter hooge wallen van loof of van steen, bouwden zij hoven (paleizen)

met kostbaar huisraad, en om bij de vuile priesteren in een goeden

dunk te wezen, plaatsten zij daar op valsche goden gelijkende en

ontuchtige beelden in. Bij de vuile priesteren en vorsten werden soms

de knapen meer begeerd, als de dochteren, en vaak door rijke giften

of door geweld van het pad der deugd afgeleid. Naardien rijkdom bij

het verwende en verbasterde geslacht ver boven deugd en eere gold, zag

men altemet knapen, die zich met wijde prachtige kleederen versierden,

hunne ouders en de maagden tot schande en hunne sekse ten spot. Kwamen

onze eenvoudige ouders te Athene op de algemeene volksvergadering,

en wilden daar zich beklagen, dan werd er geroepen: hoor, hoor, daar

zal een zeegedrocht spreken. Zoo is Athene geworden, gelijk een moeras

in de heete landen vol bloedzuigers, padden en vergiftige slangen,

waarin geen mensch van strenge zeden zijn voet kan wagen.

Thet Oera Linda Bok, Naar een Handschrift uit de Dertiende Eeuw · 第 37 / 118 题