Jon, Jôn, Jhon en Jan is gelijk met gegeven, doch dat ligt aan de
uitspraak der zeelieden, die uit gewoonte alles bekorten, om het
verre te mogen spreken en luide te roepen. Jon, dat is gegeven, was
zeekoning, geboren te Alderga, het Flymeer uitgevaren met 127 schepen
uitgerust voor eene groote reis en rijk geladen met barnsteen, tin,
koper, ijzer, laken, linnen, vilt, vrouwenvilt van otters, bevers en
konijnenhaar. Nu zoude hij van hier nog schrijfvilt medenemen; doch
toen Jon hier kwam en zag, hoe Kalta onze roemrijke burgt verwoest had,
toen werd hij zoo uitermate boos, dat hij met alle zijne manschappen op
Flyburch losging en daar tot vergelding den rooden haan instak. Maar
door zijn schout bij nacht en sommige zijner manschappen werden
de lamp en de maagden gered; doch Syrhed of Kalta mochten zij niet
vatten. Zij klom op de uiterste tinne; iedereen meende dat zij in
de vlammen moest omkomen; doch wat gebeurde? Terwijl al hare lieden
stokstijf van schrik stonden, kwam zij schooner als te voren op haren
klepper, hun toeroepende: naar Kalta . Toen stroomde het
andere Schelda volk te hoop. Als de zeelieden dat zagen, riepen zij:
wij voor Minerva. Daaruit is een oorlog ontstaan, waardoor duizende
gesneuveld zijn.
Te dier tijde was Rosamund, dat is Rosamuda Moeder; zij had veel
in der minne gedaan om vrede te bewaren, doch nu het zoo erg kwam,
maakte zij korte maat. Terstond zond zij boden door de landpalen en
liet een algemeene noodban uitroepen; toen kwamen de landsverdedigers
uit alle oorden weg. Het strijdende landvolk werd al gevat; maar Jon
bergde zich met zijne manschappen op zijne vloot, medenemende de beide
lampen, benevens Minerva en de maagden van de beide burgten. Helprijk,
de heerman, liet hem indagen, maar terwijl alle soldaten nog aan
de overzijde van de Schelde waren, voer Jon terug naar het Flymeer
en terstond daarna naar onze eilanden. Zijne krijgslieden en vele
van ons volk namen vrouw en kinderen aan boord, en als Jon nu zag,
dat men hem en zijne lieden als misdadigers wilde straffen, vertrok
hij heimelijk. Hij deed terecht, want al onze eilanders en al het
andere Schelde volk, die gevochten hadden, werden naar Brittanje
gebracht. Deze stap was verkeerd, want nu kwam het begin van het einde.
Kalta, die, als men zegt, even gemakkelijk op het water als op
het land kon loopen, ging naar de vaste wal en voorts op Missellia
af. Toen kwamen de Golen met hunne schepen uit de Middellandsche zee
naar Kadix varen en geheel ons buitenland langs en vielen op en over
Brittannia, doch daar konden zij geen vasten voet krijgen, omdat de
bestuurders machtig en de bannelingen nog Friesch waren. Maar nu kwam
Kalta en sprak: gij zijt vrij geboren en om kleine gebreken heeft men
u tot verworpenen gemaakt, niet om u te verbeteren, maar om tin te
winnen door uwe handen. Wilt gij weer vrij wezen en onder mijn raad
en hoede leven, trekt dan uit, wapenen zullen u gegeven worden en ik
zal over u waken. Als bliksemvuur ging het over de landen, en eer
des Kroders juul eens omgeloopen was, was zij meesteres over allen
te zamen en de Thyriers van al onze zuiderstaten tot de Seine. Om dat
Kalta haar zelve niet betrouwde, liet zij in het noordelijke bergland
een burgt bouwen. Kaltasburch werd zij geheeten, zij is nog in wezen
maar nu heet zij Kerenak. Van deze burgt uit heerschte zij als eene
echte moeder, doch niet ter wille van, maar over hare volgelingen,
die zich voortaan Kelten noemden. Maar de Golen heerschten allengs
over geheel Brittannia, dat kwam eensdeels, omdat zij geen burgten
meer hadden, anderdeels omdat zij daar geene burgtmaagden hadden en
in de derde plaats omdat zij geene echte lamp hadden. Door al deze
oorzaken konde haar volk niet leeren, dat werd dom en dwaas en werd
eindelijk door de Golen van al zijne wapenen beroofd en ten laatste
als een stier bij de neus omgeleid.
NU WILLEN WIJ SCHRIJVEN HOE HET JON VERGAAN IS. HET STAAT TE TEXLAND
GESCHREVEN.
Tien jaren nadat Jon vertrokken was, kwamen hier drie schepen in het
Flymeer binnenvallen, het volk riep hoezee, (wat een zegen); en van
hunne verhalen heeft de Moeder dit laten opschrijven.
Toen Jon in de Middellandsche zee kwam, was de mare van de Golen hun
overal vooruitgegaan, zoodat zij aan de kusten van het naastbijzijnde
Krekaland (Italie) nergens veilig waren. Hij stak dus met zijne vloot
naar Lydia over, dat is Lydas land (Lybie). Daar wilden de zwarte
menschen hen vatten en opeten. Ten laatsten kwamen zij te Thyrus,
maar Minerva zeide, houd af, want hier is de lucht al lang verpest
door de priesters. De koning was een afstammeling van Teunis, gelijk
wij later hoorden. Maar omdat de priesters een koning wilden hebben,
die daar naar hun begrip van overlang was (?) hadden zij Teunis tot
een God verheven, tot ergernis van zijne volgers. Toen zij nu Thyrus
achter den rug hadden, kwamen de Thyriers een schip uit de achterhoede
rooven. Dewijl dat schip te ver achteruit was, konden wij het niet
terug winnen. Maar Jon zwoer wraak daarover. Toen de nacht kwam, wende
Jon zich naar de verre Krekalanden. Ten laatste kwamen zij bij een
land, dat er zeer schraal uitzag, maar zij vonden daar eene havenmond.
Hier, zeide Minerva, zal misschien geene vrees voor vorsten of
priesters noodig wezen, naardien deze allegaar vette kleilanden
beminnen. Doch toen zij in de haven liepen, vond men die hier niet
ruim genoeg om alle schepen te bevatten, en toch waren meest alle te
laf om verder te gaan. Dus ging Jon, die weg wilde, met zijne speer en
vaan, het jongvolk toeroepende, wie of vrijwillig zich bij hem wilde
scharen. Minerva, die daar blijven wilde, deed ook zoo. Het grootste
deel voegde zich bij Minerva; maar de jongste zeelieden gingen bij
Jon. Jon nam de lamp van Kalta en hare maagden mede; Minerva behield
hare eigene lamp en hare eigene maagden.
Tusschen de verre en naderbij gelegene Krekalanden vond Jon eenige
eilanden, die hem goed voorkwamen. Op het grootste ging hij in het
woud tusschen het gebergte eene burgt bouwen. Van de kleine eilanden
uit ging hij uit wraak de Thyrische schepen en landen plunderen,
daarom zijn die eilanden even goed de Rooverseilanden, als de Jonische
eilanden genoemd.
Toen Minerva dat land bezien had, dat door de inwoners Attika genoemd
is, zag zij dat het volk alle geitenhoeders waren, zij onderhielden
hun ligchaam met vleesch, wilde wortelen, kruiden en honing. Zij waren
met vellen bekleed en hadden hunne verblijfplaatsen op de hellingen
der bergen. Daardoor zijn zij door ons volk Hellingers geheeten.
In het eerst gingen zij op de loop, doch als zij zagen dat wij niet
taalden naar hunne bezittingen, kwamen zij terug, en lieten groote
vriendschap blijken. Minerva vroeg of wij ons in der minne mochten
nederzetten. Dit werd toegestaan onder voorwaarde, dat wij hen zouden
helpen tegen hunne naburen te strijden, die gedurig kwamen om hunne
kinderen te schaken en hunne bezittingen te rooven. Toen bouwden wij
eene burgt anderhalve paal (uurgaans) van de haven. Op raad van Minerva
werd zij Athene geheeten; want, zeide zij, de nakomelingen behooren
te weten, dat wij hier niet door list of geweld zijn gekomen, maar
als vrienden ontvangen. Terwijl wij aan die burgt arbeidden, kwamen
de voornaamsten; als zij nu zagen, dat wij geene slaven hadden,
behaagde hun zulks niet, en zij lieten dat aan Minerva blijken,
omdat zij dachten, dat deze eene vorstin was. Maar Minerva vraagde:
hoe zijt gij wel aan uwe slaven gekomen? Zij antwoorden: sommige
hebben wij gekocht, andere in den strijd gewonnen. Minerva zeide:
bijaldien niemand menschen koopen wilde, zoude niemand uwe kinderen
rooven, en gij zoudt daar over geen oorlog hebben: wilt gij dus onze
bondgenooten blijven, zoo moet gij uwe slaven vrijlaten.
Dat nu willen de voornaamsten niet; zij willen ons wegdrijven. Maar
de kloekste hunner lieden komen om te helpen onze burgt te bouwen,
die wij nu van steen maken.
Dit is de geschiedenis van Jon en van Minerva.
Als zij nu dit alles verhaald hadden, vroegen zij eerbiedig om ijzeren
burgtwapenen; want zeiden zij, onze beledigers zijn machtig; doch zoo
wij echte wapenen hebben, zullen wij hun wel wederstaan. Als zij daarin
toegestemd hadden, vroegen die lieden of Fryas zeden te Athene en in
de andere Krekalanden bloeijen zouden. De Moeder antwoorde: Indien de
verre Krekalanden tot het erfdeel van Frya behooren, zoo zullen zij
daar bloeijen, maar behooren zij niet daartoe, dan zal er lang over
gestreden moeten worden; want de Kroder zal nog vijfduizend jaren
met zijn Jol omloopen voor dat Findas volk rijp voor de vrijheid is.