WAT DAARVAN GEWORDEN IS.

In de noordelijkste hoek van de Middellandsche zee ligt een eiland

bij die kust. Nu kwamen zij dat te koop vragen. Daarover werd eene

algemeene vergadering belegd. Moeders raad werd ingewonnen, maar Moeder

zag hen liefst ver af. Daarom meende zij dat er geen kwaad in stak,

doch als wij achterna zagen, hoe wij verkeerd gedaan hadden, noemden

wij dat eiland Mis.sellia. [5] Hierachter zal blijken, hoe wij hiertoe

reden hadden. De Golen, zoo heetten de zendeling-priesters van Sydon,

hadden wel gezien dat het land daar schaars bevolkt was en ver van

de Moeder was. Om nu zich zelven een goeden schijn te geven, lieten

zij zich zelve in onze taal aan de trouw gewijden heeten, maar dat was

beter geweest, als zij zich zelve van de trouw gewenden genoemd hadden

of kort weg Triuwenden, gelijk onze zeelieden later gedaan hebben.

Toen zij wel gezeten waren, ruilden hunne kooplieden schoone koperen

wapenen en allerlei sieraden tegen onze ijzeren wapenen en huiden

van wilde dieren, die in onze zuidelijke landen in menigte te bekomen

waren, maar de Golen vierden allerhande vuile gedrochtelijke feesten,

en dan dienden de Kadheimers die door toedoen van hunne wulpsche

meisjes en de zoetheid van hunne vergiftige wijn. Was er iemand van

ons volk die het zoo erg verbruid had, dat zijn leven in gevaar kwam,

dan verleenden de Golen hem heul en schuilplaats, en voerden hem

naar Phonisia, dat is Palmland. Was hij daar gezeten, dan moest hij

aan zijne bloedverwanten, vrienden en aanverwanten schrijven, dat het

land zoo goed was en de menschen zoo gelukkig, als niemand zich konde

verbeelden. In Brittania waren zeer vele mannen, doch weinig vrouwen,

toen de Golen dat wisten, lieten zij allerwege meisjes schaken, en

deze gaven zij aan de Britten om niet. Doch al deze meisjes waren

hunne dienaren die kinderen van Wralda stalen om ze aan hunne valsche

afgoden te geven.

NU WILLEN WIJ SCHRIJVEN OVER DEN OORLOG DER BURGTMAAGDEN KALTA EN

MIN-ERVA.

En hoe wij daardoor alle onze zuidelijke landen en Brittannie aan de

Golen verloren hebben.

Bij de Zuider Rijnmond en de Schelde daar zijn zeven eilanden, genoemd

naar Fryas zeven waakmeisjes der week. Midden op het eene eiland is

de burgt Walhallagara, en van de wanden dier burgt is de volgende

geschiedenis afgeschreven. Daarboven staat: lees, leer en waak.

563 jaar nadat Atland verzonken is zat hier eene wijze burgtpriesteres,

Min-erva was haar naam, door de zeelieden bijgenaamd Nyhellenia. Deze

bijnaam was goed gekozen, want de raad, die zij verleende was nieuw

en helder boven alle andere.

Over de Schelde op de Flyburgt, zat Sijrhed; deze burgtmaagd was vol

ranken, schoon was haar gelaat, en rap hare tong; maar de raad die zij

gaf, was altijd in duistere woorden. Daarom werd zij door de zeelieden

Kalta genoemd. De landsaten meenden dat het een eernaam was. In de

uiterste wil der verstorvene Moeder stond Rosamunde het eerst, Minerva

het tweede en Syrhed het derde als opvolgster beschreven. Minerva

had daar geen weet van, maar Syrhed was er door geknakt. Even als

eene buitenlandsche vorstin wilde zij geëerd, gevreesd en gebeden

wezen; maar Minerva wilde alleen bemind wezen. Ten laatste kwamen

alle zeelieden aan haar hunne hulde bieden, zelfs van de Dennemarken

en van het Flymeer. Dat kwetste Syrhed, want zij wilde boven Minerva

uitmunten. Opdat men een grooten dunk van hare waakzaamheid zoude

hebben, maakte zij een haan op hare banier. Toen ging Minerva heen

en maakte een herdershond en een nachtuil op hare banier. De hond,

zeide zij, waakt voor zijn heer en over de kudde, en de nachtuil waakt

over de velden, opdat zij door de muizen niet verwoest worden; maar

de haan heeft voor niemand vriendschap, en door zijn ontucht en zijne

hoovaardigheid is hij vaak de moordenaar zijner naaste bloedverwanten

geworden. Als Kalta zag dat haar werk verkeerd uitkwam, ging zij van

kwaad tot erger; in stilte liet zij de Magyaren bij zich komen om

toverij te leeren. Als zij daar haar bekomst van had, wierp zij zich

in de armen der Golen, doch van al die misdaden kon zij zich niet

beteren. Toen zij zag, dat de zeelieden meer en meer van haar weken,

wilde zij hen door vrees winnen. Was de maan vol en de zee onstuimig,

dan liep zij over de wilde vloed, de zeelieden toeroepende, dat zij

alle zouden vergaan, indien zij haar niet wilden aanbidden. Voorts

verblindde zij hunne oogen, waardoor zij water voor land en land voor

water hielden, daardoor is menig schip vergaan met man en muis. Op

het eerste krijgsfeest, toen alle hare landgenooten gewapend waren,

liet zij hun tonne bier schenken. In dat bier had zij een tooverdrank

gedaan. Toen het volk nu allen te zamen dronken waren, ging zij boven

op haar strijdros staan met het hoofd tegen hare speer geleund. Het

morgenrood kon niet schooner wezen. Toen zij zag, dat aller oogen

op haar gevestigd waren, opende zij hare lippen en sprak: Zoonen en

dochteren van Frya, gij weet wel, dat wij in den laatste tijd veel

schade en gebrek geleden hebben, doordien de zeelieden niet langer

komen om ons schrijfvilt te koopen, maar gij weet niet, waardoor dat

gekomen is. Lang heb ik mij daarover ingehouden (gezwegen), doch nu

kan ik het niet langer. Hoort dan vrienden, opdat gij weten moogt,

waarnaar gij bijten moet. Aan de overzijde der Schelde, waar zij van

tijd tot tijd de vaart van alle zeeën hebben, daar maken zij heden

ten dage schrijfvilt van pompebladen, daarmede sparen zij vlas uit,

en kunnen zij ons ontbeeren. Nadien het maken van schrijfvilt altijd

ons voornaamste bedrijf geweest is, zoo heeft de Moeder gewild, dat

men het van ons zoude leeren. Maar Minerva heeft al het volk behekst,

ja behekst, vrienden, even als al ons vee, dat laatst gestorven

is. Er uit moet het, ik wil het u vertellen, was ik niet burgtmaagd,

ik zoude het wel weten. Ik zou die heks in haar nest verbranden. Toen

zij het laatste woord geuit had, spoedde zij zich naar hare burgt; maar

het beschonken volk was zoo opgewonden, dat het over zijne rede niet

vermocht te waken. In doldriesten ijver gingen zij over de Sandfal,

en nadien de nacht middelerwijl neder streek, gingen zij even kloek

op de burcht los. Doch Kalta miste al weder haar doel, want Minerva

en hare maagden en de lamp werden alle door de rappe zeelieden gered.

Thet Oera Linda Bok, Naar een Handschrift uit de Dertiende Eeuw · 第 35 / 118 题