ZOO IS DE GESCHIEDENIS.

100 en 1 jaar nadat Aldland gezonken is, kwam uit het oosten een volk

weg. Dat volk was verdreven door een ander volk. Achter ons Twiskland,

kregen zij tweespalt, zij schiften zich in twee hoopen, en elk ging

zijns weegs. Van het eene gedeelte is geen bericht tot ons gekomen,

maar het ander gedeelte viel achter in ons Schoonland. Schoonland was

schaars bevolkt en aan de achterkant het spaarzaamst van al. Daarom

mogten zij het zonder strijd overwinnen, en uithoofde zij anders geen

leed deden, wilden wij daarom geen oorlog hebben. Nu wij hen hebben

leeren kennen, willen wij over hunne zeden schrijven, en daarna hoe het

ons met hen vergaan is. Het volk was niet woest, gelijk vele geslachten

van Finda; maar het is gelijk de Egyptelanders, zij hebben priesters,

even als deze, en in de kerken hebben zij ook beelden. De priesters

zijn de eenigste heeren, zij noemen zich zelf Magyaren, hun opperste

heet Magy, hij is hoofdpriester en koning met een; al het andere volk

is nul in 't cijfer en gelijk, en allen zijn onder hun geweld. Het

volk heeft niet eens een naam; door ons worden zij Finnen genoemd;

want ofschoon hunne feesten allemaal treurig en bloedig zijn, zijn

zij daar toch zoo fijn op, dat wij daarbij achterstaan. Voorts zijn

zij niet te benijden, want zij zijn slaven van hunne priesters,

maar nog veel meer van hunne meeningen. Zij meenen, dat alles vol

is van booze geesten, die in de menschen en dieren sluipen; maar van

Wraldas geest weten zij niets. Zij hebben steenen wapenen, de Magyaren

koperen. De Magyaren verhalen, dat zij de booze geesten kunnen bannen

en verbannen, daarover is het volk steeds in bange vrees, en op hun

gelaat is nimmer vrolijkheid te zien.

Toen zij goed gezeten waren, zochten de Magyaren vriendschap bij ons,

zij roemden onze taal en zeden, ons vee en onze ijzeren wapenen,

die zij gaarne voor hunne gouden en zilveren sieraden wilden ruilen,

en hun volk hielden zij altoos binnen de palen, en dat verschalkte

onze waakzaamheid.

Tachtig jaren later, juist was het Juulfeest, kwamen zij

onverwacht, gelijk sneeuw door een stormwind gedreven, over onze

landen toeloopen. Die niet vlieden konden, werden gedood. Frya werd

aangeroepen, maar de Schoonlanders hadden haren raad verwaarloosd. Toen

werden krachten verzameld, drie palen van Godasburgt werden zij

wederstaan, de oorlog bleef. Kat of Katerinne, zoo heette de

priesteres, die burgtmaagd op Godasburgt was. Kat was trotsch en

hooghartig, daarom liet zij noch raad, noch helpers aan de Moeder

vragen. Maar toen de burgtheeren dat begrepen, zonden zij zelve boden

naar Texland tot de Eeremoeder. Minna, zoo was de naam der Moeder, liet

al de zeelieden oproepen en al het andere jong volk van Oostflyland

en van de Dennemarken. Uit deze tocht is de geschiedenis van Wodin

ontstaan, die op de burgten gegrift is, en hier is uitgeschreven.

Aan de Aldergamude daar ruste een oude zeekoning, Sterik was zijn

naam, en de roep zijner daden was groot. Deze oude rob had drie neven;

Wodin de oudste woonde te Lumkamakia bij de Eemude in Oostflyland bij

zijne ouders. Eenmaal was hij heerman geweest. Teunis en Inka waren

zeestrijders, en juist nu bij hunne vaderen aan de Aldergamude. Toen

nu de jonge krijgers bij elkander kwamen, kozen zij Wodin tot hun

heerman of koning, en de zeekampers kozen Teunis tot hun zeekoning

en Inka tot hun schout bij nacht. De zeelieden gingen toen naar

de Dennemarken varen, daar namen zij Wodin met zijne krijgshaftige

landweer aan boord. De wind was ruim, en zoo waren zij in een ommezien

in Schoonland. Toen de noordsche broeders zich bij elkander gevoegd

hadden, deelde Wodin zijn geweldig leger in drie benden (wiggen). Frya

was hun wapenroep, en zoo sloeg hij de Finnen en Magiaren terug alsof

het kinderen waren. Toen de Magy vernam, hoe zijne manschappen overal

omgebragt werden, zond hij boden met staf en kroon. Zij zeiden tot

Wodin: o gij allergrootste der koningen, wij zijn schuldig, doch

al wat wij gedaan hebben, is uit nood gedaan. Gij meent dat wij

uwe broeders met moedwil aangetast hebben, maar wij zijn door onze

vijanden voortgedreven, en die alle zijn ons nog op de hielen. Wij

hebben dikwijls aan uwe burgtmaagd hulp gevraagd, maar zij heeft

zich om ons niet bekommerd. De Magy zegt: bijaldien wij elkander

voor de helft vermoorden, dan zullen de wilde schaapherders komen

en ons allen vermoorden. De Magy heeft vele rijkdommen, maar hij

heeft gezien, dat Frya veel machtiger is als alle onze geesten te

zamen. Hij wil zijn hoofd in haren schoot neerleggen. Gij zijt de

krijgshaftigste koning der aarde, uw volk is van ijzer. Word onze

koning, en wij allen willen uwe slaven wezen. Wat zoude dat eervol

voor u wezen, als gij de wilden weder terug kondt drijven, onze

basuinen zouden het rondblazen, en onze berichten zouden u overal

vooruit gaan. Wodin was sterk, woest en krijgshaftig, maar hij was

niet helder ziende, daardoor werd hij in hunne strikken gevangen en

door den Magy gekroond. Zeer velen van de zeelieden en de landweer,

dien deze keuze niet naar den zin was, vertrokken in stilte, Kat

medenemende. Maar Kat die niet voor de Moeder, noch voor de algemeene

vergadering, wilde verschijnen, sprong over boord. Toen kwam de

stormwind en dreef de schepen op de schorren van de Dennemarken,

zonder een enkel man te missen. Naderhand hebben zij die straat het

Kattegat geheeten. Toen Wodin gekroond was, ging hij op de wilden los;

zij waren allen ruiters; gelijk een hagelbui, vielen zij op Wodins

heer aan, maar als een dwarrelwind wendden zij om, en durfden niet

weder verschijnen. Toen Wodin nu terug kwam, gaf de Magy hem zijne

dochter tot vrouw. Daarop werd hij met kruiden berookt, doch er waren

tooverkruiden onder; want Wodin werd trapsgewijze zoo zeer vermetel,

dat hij Frya en Wraldas geest durfde miskennen en bespotten, terwijl

hij zijn vrije hals boog voor de valsche gedrochtelijke beelden. Zijn

rijk duurde zeven jaren, toen verdween hij. De Magy zeide dat hij onder

hunne goden was opgenomen, en dat hij van daar over hen heerschte,

maar ons volk lachte om zijne taal. Toen Wodin eene poos weg geweest

was, kwam er tweespalt; wij wilden een anderen koning kiezen, maar

dat wilde de Magy niet gedoogen. Hij beweerde dat het een recht was,

hem door zijne afgoden gegeven. Maar buiten en behalve deze twist,

was nog eene tusschen de Magiaren en Finnen, die Frya noch Wodin

wilden eeren, doch de Magy deed zoo als hem goed dacht, want zijne

dochter had bij Wodin een zoon gewonnen, en nu wilde de Magy dat deze

zoon van hooge afkomst wezen zoude. Terwijl allen keven en twisten,

kroonde hij den knaap tot koning en stelde zich zelven tot voogd of

raadgever aan. Zij die meer hielden van hun lijf, dan van het recht,

lieten hem tobben, maar de goeden trokken weg. Vele Magiaren vloden

met hunne manschappen terug, en de zeelieden gingen scheep en een

heer van stoutmoedige Finnen gingen als roeijers met hun.

Nu komen de geschiedenissen van neef Teunis en zijn neef Inka eerst

recht op het pad.

DIT ALLES STAAT NIET ALLEEN OP DE WARABURGT, MAAR OOK OP DE BURGT

STAVIA, DIE GELEGEN IS ACHTER DE HAVEN VAN STAVRE

Toen Teunis met zijne schepen naar huis wilde keeren, ging hij

het eerst op de Dennemarken af, maar hij mocht daar niet landen,

dat had de Moeder besteld. Ook te Flyland mocht hij niet landen en

voorts nergens. Hij zoude alzoo met zijne manschappen van kommer en

gebrek omgekomen zijn; daarom gingen zij des nachts aan land om te

rooven, en voeren bij dag verder. Aldus langs de kust voort varende

kwamen zij tot de volkplanting Kadik, zoo geheeten omdat zij door een

steenen kadijk gevormd was. Hier kochten zij allerhande leeftocht,

maar Tuntia de burgtmaagd wilde niet gedoogen, dat zij zich daar

nederzetteden. Toen zij gereed waren, kregen zij twist. Teunis wilde

door de straat van de Middellandsche zee, om te varen voor den rijken

koning van Egyptenland, gelijk hij wel eer gedaan had. Maar Inka zeide

dat hij zijn bekomst had van al dat Findas volk. Inka meende dat er

misschien wel een hooggelegen deel van Atland, bij wijze van eiland,

zoude overgebleven wezen, waar hij met zijne manschappen vredig

leven mocht. Als de beide neven het aldus niet eens konden worden,

ging Teunis heen en stak een roode banier in het strand, en Inka

eene blaauwe. Daarna mocht ieder kiezen, wien hij volgen wilde, en o

wonder, tot Inka die er een afkeer van had, om de koningen van Findas

volk te dienen, liepen de meeste Finnen en Magyaren over. Toen zij

nu het volk geteld en de schepen daarnaar verdeeld hadden, scheidden

de vloten van elkander; van neef Teunis is naderhand bericht gekomen,

van neef Inka nimmer.

Neef Teunis voer langs de kust door de straat der Middellandsche

zee. Toen het Atland verzonken is, was het aan de oevers der

Middellandsche zee ook erg toegegaan. Daardoor waren vele menschen van

het Findas volk naar onze heinde en verre Krekalanden gekomen en ook

velen van Lydas land. Daarentegen waren ook velen van ons volk naar

Lydas land gegaan. Dat alles had uitgewerkt, dat de heinde en verre

Krekalanden voor het oppergezag der Moeder verloren waren. Daar had

Teunis op gerekend, daarom wilde hij daar een goede haven kiezen en

van daaruit voor de rijke vorsten varen doch omdat zijne vloot en zijn

volk er zoo haveloos uitzagen, meenden de Kadhemers (kustbewoners),

dat zij roovers waren en daarom werden zij overal geweerd. Doch

ten laatste kwamen zij aan Phoenisius kust, dat was 193 jaren nadat

Atland gezonken is. Nabij de kust vonden zij een eiland met twee diepe

golven, zoodat het als drie eilanden uitzag. Op het middelste daarvan

stelden zij hunne schuilplaats op, naderhand bouwden zij daar eenen

burgtwal om toe. Toen zij nu daaraan een naam, wilden geven, werden

zij oneens, sommigen wilden het Fryasburgt heeten, andere Neettunia,

maar de Magyaren en Finnen verzochten, dat het Thyrhisburgt zoude

heeten. Thyr noemden zij een hunner afgoden, en op diens verjaardag

waren zij daar geland; tot eene vergelding wilden zij Teunis eeuwig

als hun koning erkennen. Teunis liet hem belezen, en de anderen

wilden daarover geen oorlog hebben. Toen zij nu goed zaten zonden

zij sommige oude zeelieden en Magyaren aan den wal en verder naar

de burgt Sydon, maar in het eerst wilden de Kadhemers niets van hen

weten. Gij zijt veraf wonende zwervers, zeiden zij, die wij niet achten

kunnen. Doch toen wij hun van onze ijzeren wapenen wilden verkoopen,

ging ten laatsten alles goed. Ook waren zij zeer begeerig naar onze

barnsteenen, en het vragen daarnaar nam geen einde. Maar Teunis, die

verziende was, deed alsof hij geen ijzeren wapenen noch barnsteenen

meer had. Toen kwamen de kooplieden en baden hem, hij zoude twintig

schepen geven die zij alle met de fijnste waren wilden bevrachten,

en zij wilden hem zoovele lieden tot roeijers geven als hij begeerde.

Twaalf schepen liet hij bevrachten met wijn, honig, toebereid leder,

daarbij kwamen toomen en zadels met goud overtrokken, gelijk men

ze nimmer gezien had. Met al dien schat viel Teunis het Flymeer

binnen. De grevetman van Westflyland werd door al deze dingen verrukt,

hij bewerkte dat Teunis bij de mond van het Flymeer een pakhuis bouwen

mocht. Naderhand is die plaats Almanaland genoemd en de markt, waarop

zij naderhand te Wyringen ruilhandel mochten drijven, Toelaatmarkt. De

Moeder raadde dat wij hun alles zouden verkoopen behalve ijzeren

wapenen, maar men sloeg geen acht op haar. Daar de Thyriers dus vrij

spel hadden, kwamen zij steeds weder om onze waren heinde en ver te

vervoeren, tot schade van onze eigene zeelieden. Daarna is besloten

op eene algemeene vergadering, jaarlijks zeven Tyrische schepen toe

te laten en niet meer.

Thet Oera Linda Bok, Naar een Handschrift uit de Dertiende Eeuw · 第 34 / 118 题