Eer de booze tijd kwam, was ons land het schoonste in de wereld. De zon
rees hooger en er was zelden vorst. Aan de boomen en heesters groeiden
vruchten en ooft, die nu verloren zijn. Onder de grasplanten hadden
wij niet alleen gerst, haver en rogge, maar ook tarwe, die als goud
blonk en die men onder de zonnestralen kon bakken. De jaren werden
niet geteld, want het eene jaar was even vrolijk als het andere. Aan
de eene zijde werden wij door Wraldas zee besloten, waarop geen volk
behalve wij, mocht varen, noch konde. Aan de andere zijde werden wij
door het breede Twiskland (tusschenland, Duitschland) omtuind, waardoor
het volk van Finda niet durfde komen, wegens de dichte wouden en het
wild gedierte. Ten oosten paalden wij tot het uiteinde der Oostzee,
en ten westen aan de Middellandsche zee, zoodat wij buiten de kleine
rivieren wel twaalf groot zoetwater stroomen hadden, ons door Wralda
gegeven om ons land vochtig te houden en om onze zeevaarders den weg
naar zijne zee te wijzen.
De oevers van deze stroomen werden somtijds alle door ons volk bezeten,
ook de velden aan den Rijn, van 't eene einde tot het andere toe.
Tegenover de Denemarken en het Juttenland hadden wij volkplantingen met
eene burgtmaagd. Van daar trokken wij koper en ijzer, benevens teer,
pik en sommige andere benoodigdheden. Tegenover ons voormalig Westland
hadden wij Brittannie met zijne tinlanden. Brittannie was het land der
ballingen, die met behulp hunner burgtmaagd weggetrokken waren, om hun
lijf te behouden. Maar opdat zij niet terug zouden komen, werd eerst
een B. voor hun voorhoofd geprikt, de gebannenen met roode bloedverf,
de andere misdadigers met blaauwe verf. Bovendien hadden onze zeelieden
en kooplieden menige loods (factorij) in de heinde Krekalanden (Italie)
en in Lydia. In Lydia (Lybia) zijn de zwarte menschen. Daar ons land
zoo ruim en groot was, hadden wij vele afzonderlijke namen. Die welke
gezeten waren ten oosten van de Denemarken, werden Jutten genoemd,
uithoofde zij dikwijls anders niet deden dan barnsteen jutten
(aan het strand zoeken). Die welke woonden op de eilanden werden
Letten geheeten, omdat zij meestal verlaten leefden. Alle strand en
kustbewoners van de Denemarken af tot aan de Sandval, nu Schelde,
werden Stuurlieden, Zeekampers en Angelaren geheeten. Angelaren zoo
noemde men te voren de buitenvisschers, omdat zij alleen met angel of
hoekwant vischten, en nooit geen netten (gebruikten). Die welke van
daar tot aan het naaste Krekaland woonden, werden eenvoudig Kadhemers
genoemd, omdat zij nimmer buiten voeren (maar aan de kade bleven). Die
in de hooge marken gezeten waren, welke aan de Twisklanden paalden,
werden Saxmannen geheeten, uithoofde zij altijd gewapend waren tegen
het wild gedierte en de verwilderde Britten. Daarenboven hadden wij
de namen Landzaten, Marzaten en Hout- of Woudzaten.