Geheel den zomer had de zon achter de wolken gescholen, als wilde
zij de aarde niet zien. De wind rustte in zijn holen, waardoor
rook en damp als zeilen boven huis en poelen stonden. De lucht werd
aldus droef en dof, en in de harten der menschen was blijdschap noch
vreugde. Te midden van deze stilte begon de aarde te beven, alsof zij
stervende was. De bergen spleten van een om vuur en vlam te spuwen;
andere zonken in haren schoot neder, en waar zij eerst velden had,
hief zij nu bergen omhoog. Aldland, door de zeelieden Atland geheeten,
zonk neder, en de woeste golven traden zoo verre over bergen en
dalen, dat alles onder de zee bedolven was. Vele menschen werden
in de aarde begraven, en velen die aan het vuur ontkomen waren,
kwamen daarna in het water om. Niet alleen in het land van Finda
spuwden de bergen vuur, maar ook in het Twiskland. Wouden brandden
daardoor achterelkander weg, en toen de wind daar van daan kwam,
waaiden onze landen vol asch. Stroomen werden verlegd en bij hunne
monden kwamen nieuwe eilanden van zand en drijvend vee. Drie jaren was
de aarde zoo lijdende, maar toen zij herstelde, kon men hare wouden
zien. Vele landen waren verzonken, en andere uit de zee opgerezen
en het Twiskland voor de helft ontwoud. Benden Findas volk kwamen de
ledige ruimten bezetten. Onze weggetrokkenen werden verdelgd, of zij
werden hunne bondgenooten. Toen werd waakzaamheid ons dubbel geboden,
en de tijd leerde ons, dat eendracht onze sterkste burgt is.