2. De stuurlieden mogen hun eigen meesters benoemen.

3. De kooplieden moeten gekozen en benoemd worden door de gemeente,

aan wie het goed toebehoort, en de stuurlieden mogen daarbij geen

stem hebben.

4. Als men op reis bevindt, dat de koning slecht of onbekwaam is,

dan mogen zij een ander nemen. Komen zij weer thuis, dan mag de koning

zich beklagen bij den olderman.

5. Komt de vloot weder thuis, en zijn er baten, dan moeten de zeelieden

daarvan een derde deel hebben, aldus te deelen. De witkoning twaalf

mansdeelen, de schout bij nacht zeven mansdeelen, de bootsmannen elk

twee deelen, de schippers elk drie deelen, het overige scheepsvolk elk

een deel, de jongste scheepsjongens elk een derde deel, de middelste

jongens elk een halfdeel en de oudste jongens elk een tweederde deel.

6. Zijn er sommigen verlamd, dan moet de gemeene gemeente zorgen voor

hun onderhoud, ook moeten zij vooraan zitten bij de algemeene feesten,

bij huisselijke feesten, ja bij alle feesten.

7. Zijn er op de tocht omgekomen, dan moeten hunne naasten hun

deel erven.

8. Zijn daar weduwen en weezen van gekomen, dan moet de gemeene

gemeente die onderhouden; zijn zij in een zeestrijd gesneuveld,

dan mogen hunne zonen de namen hunner vaderen op hunne schilden voeren.

9. Zijn er ligtmatrozen verongelukt, dan moeten zijne erven een geheel

mansdeel hebben.

10. Was hij verloofd, dan mag zijne bruid zeven mansdeelen eischen

om aan haar bruidegom een steen te wijden, maar dan moet zij voor

deze eer weduw blijven haar leven lang.

11. Bijaldien eene gemeente eene vloot uitrust, moeten de reeders

zorgen voor de beste leeftocht en voor vrouwen en kinderen.

12. Indien een zeeman afgeleefd en arm is, en heeft hij huis noch erf,

dan moet hem dat gegeven worden. Wil hij geen huis en erf, zoo mogen

zijne vrienden hem in huis nemen en de gemeente moet dat vergoeden

naar zijn staat, tenzij dat zijne vrienden dit voordeel weigeren.

Thet Oera Linda Bok, Naar een Handschrift uit de Dertiende Eeuw · 第 23 / 118 题