3. De kooplieden moeten gekozen en benoemd worden door de gemeente,
aan wie het goed toebehoort, en de stuurlieden mogen daarbij geen
stem hebben.
4. Als men op reis bevindt, dat de koning slecht of onbekwaam is,
dan mogen zij een ander nemen. Komen zij weer thuis, dan mag de koning
zich beklagen bij den olderman.
5. Komt de vloot weder thuis, en zijn er baten, dan moeten de zeelieden
daarvan een derde deel hebben, aldus te deelen. De witkoning twaalf
mansdeelen, de schout bij nacht zeven mansdeelen, de bootsmannen elk
twee deelen, de schippers elk drie deelen, het overige scheepsvolk elk
een deel, de jongste scheepsjongens elk een derde deel, de middelste
jongens elk een halfdeel en de oudste jongens elk een tweederde deel.
6. Zijn er sommigen verlamd, dan moet de gemeene gemeente zorgen voor
hun onderhoud, ook moeten zij vooraan zitten bij de algemeene feesten,
bij huisselijke feesten, ja bij alle feesten.
7. Zijn er op de tocht omgekomen, dan moeten hunne naasten hun
deel erven.
8. Zijn daar weduwen en weezen van gekomen, dan moet de gemeene
gemeente die onderhouden; zijn zij in een zeestrijd gesneuveld,
dan mogen hunne zonen de namen hunner vaderen op hunne schilden voeren.
9. Zijn er ligtmatrozen verongelukt, dan moeten zijne erven een geheel
mansdeel hebben.
10. Was hij verloofd, dan mag zijne bruid zeven mansdeelen eischen
om aan haar bruidegom een steen te wijden, maar dan moet zij voor
deze eer weduw blijven haar leven lang.
11. Bijaldien eene gemeente eene vloot uitrust, moeten de reeders
zorgen voor de beste leeftocht en voor vrouwen en kinderen.
12. Indien een zeeman afgeleefd en arm is, en heeft hij huis noch erf,
dan moet hem dat gegeven worden. Wil hij geen huis en erf, zoo mogen
zijne vrienden hem in huis nemen en de gemeente moet dat vergoeden
naar zijn staat, tenzij dat zijne vrienden dit voordeel weigeren.