Minno was een oude zeekoning, een ziener en wijsgeer; hij heeft aan
de Kretensen wetten gegeven. Hij is geboren aan de Lindeoord, en
na al zijne omzwervingen heeft hij het geluk genoten om te Lindahem
te sterven.
Zoo wanneer onze naburen een stuk land hebben of water, dat ons goed
toeschijnt, zoo voegt het ons dat te koop te vragen; willen zij dat
niet doen, zoo moet men hun dat laten behouden: dat is naar Fryas
tex en het zoude onrecht wezen dat afhandig te maken.
Wanneer er naburen te zamen kijven en twisten over eenige zaak (anders)
dan over land, en zij ons verzoeken een oordeel uit te spreken, zoo
behoort men dat liever achterwege te laten; doch als men daar niet
buiten kan, zoo moet men dat eerlijk en rechtvaardig doen.
Komt er iemand en zegt: ik heb oorlog en nu moet gij mij helpen. Of
een ander komt en zegt: mijn zoon is minderjarig en onbekwaam en ik
ben oud, nu wilde ik u tot voogd over hem en over mijn land stellen,
totdat hij meerderjarig is, zoo behoort men dat te weigeren, opdat wij
niet in twist mogen komen over zaken strijdende met onze vrije zeden.
Wanneer een buitenlandsch koopman komt op de toegelatene markt te
Wyringen of te Almanland en hij bedriegt, zoo wordt hij terstond in
de marktboete geslagen en door de maagden kenbaar gemaakt over het
geheele land. Komt hij dan terug, dan zal niemand van hem koopen, en
hij mag vertrekken gelijk hij gekomen is. Dus wanneer er kooplieden
gekozen worden om ter markt te gaan, of met de vloot te varen, dan
behoort men alleen dezulken te kiezen, die men door en door kent en
in een goeden roep staan bij de maagden. Gebeurt het desniettemin,
dat er een slecht man onder is, die de menschen bedriegen wil, zoo
behooren de anderen dat te weren. Heeft hij het reeds gedaan, dan
moet men dat herstellen, en den misdadiger uit het land verbannen,
opdat onze naam overal met eere genoemd mag worden.
Maar zoo wij ons op eene buitenlandsche markt bevinden, hetzij nabij
of ver af en het volk ons leed doet of besteelt, dan behooren wij met
een haastigen aanval toe te slaan, want ofschoon wij alles behooren te
doen om des vredes wille, mogen onze halfbroeders ons nimmer minachten
of wanen dat wij bang zijn.
In mijne jeugd heb ik wel eens gemord over de banden der wetten,
achterna heb ik Frya dikwijls gedankt voor hare tex, en onze
voorvaderen voor de wetten, die daaruit zamengesteld zijn. Wralda
of Alvader heeft mij vele jaren gegeven, en over vele landen en
zeeën heb ik rondgevaren, en na alles wat ik gezien heb, ben ik
overtuigd, dat wij alleen door Alfader uitverkoren zijn, om wetten
te hebben. Lydas volk vermag geene wetten te maken, noch te houden,
zij zijn te dom en onbeschaafd daartoe. Velen gelijken op Finda,
zijn schrander genoeg, maar zij zijn hebzuchtig, hovaardig, valsch,
onkuisch en moordzuchtig. De padde blaast zich op en zij kan slechts
kruipen. De kikvorsch roept werk, werk, en zij doet niets als huppelen
en grappenmaken. De raven roepen spaar, spaar, maar zij stelen en
verslinden al wat onder hun snavel komt. Aan die allen gelijk is
het Findas volk, zij spreken luide altijd over goede wetten, elk wil
inzettingen maken om het kwaad te weren, maar zelf wil niemand daaraan
gebonden wezen. Diegene wiens geest het listigste is en daardoor
sterk, diens haan kraait koning en de andere moeten allerwege aan zijn
wil onderworpen wezen, totdat een ander komt die hem van den zetel
verdrijft. Het woord ewa is te heilig om eene gemeene zaak te benoemen,
daarom heeft men ons evin leeren zeggen. Ewa beteekent inzettingen,
die bij alle menschen gelijkelijk in hun gemoed geprent zijn, opdat
zij weten mogen wat recht en onrecht is, en waardoor zij in staat
zijn hunne eigene daden en die van anderen te beoordeelen, dat wil
zeggen: alzoo verre zij goed en niet misdadig opgevoed zijn. Ook is
er nog een andere zin aan vast: Ewa (effen) beteekent ook gelijk,
vlak als water, recht en slecht gelijk water dat door geen hevige wind
of iets anders verstoord is. Wordt het water verstoord, dan wordt het
oneffen, onrecht, maar het neigt altijd om weder effen te worden. Dat
ligt in zijn wezen, even als de neiging tot recht en vrijheid in Fryas
kinderen ligt. Deze neiging hebben wij door den geest van Wralda onzen
vader, die luide spreekt in Fryas kinderen. Daarom zal die ook eeuwig
beklijven. Ewa (eeuwig) is ook het andere zinnebeeld van Wralda, die
eeuwig recht en onverstoord blijft, ofschoon het in zijn ligchaam
erg toe gaat. Eeuwig en onverstoord zijn de kenmerken der wijsheid
en rechtvaardigheid die door alle vrome menschen gezocht en door alle
rechteren moeten bezeten worden. Willen dus de menschen inzettingen en
bepalingen maken, die steeds goed blijven en aller wege, zoo moeten
zij gelijk wezen voor alle menschen. Naar deze wetten behooren de
rechteren hun oordeel uit te spreken. Is er eenig kwaad bedreven,
waaromtrent geene wetten gemaakt zijn, zoo moet men eene algemeene
vergadering beleggen, daar oordeelt men naar den zin, dien Wraldas
geest in ons spreekt, om over alles rechtvaardig te oordeelen. Zoo
doende zal ons oordeel nimmer falikant uitkomen. Doet men geen recht,
maar onrecht, dan rijst er twist en tweespalt onder de menschen en
staten; daaruit ontspruit binnenlandsche oorlog, waardoor alles in de
war gebragt en in 't verderf gestort wordt. Maar o domheid. Terwijl wij
bezig zijn elkander te schaden, komt het nijdige volk Findas met zijne
valsche priesteren om uwe have te rooven, uwe dochteren te schenden,
uwe zeden te verderven, en ten laatste sluiten zij slavenbanden om
een ieders vrijen hals.