Zoo wanneer er wetten gemaakt worden, of nieuwe inzettingen
zamengesteld, alsdan moet het ten gemeenen nutte geschieden, maar
nimmer ten bate van enkelde menschen, noch van enkelde geslachten,
noch van enkelde staten, noch van iets dat enkeld is.
2. Zoo wanneer er oorlog komt en daar worden huizen vernield of
schepen, hoedanig het ook wezen mogen, hetzij door den vijand, hetzij
bij gemeenen rade, zoo behoort de gemeene gemeente, dat is al het volk
te zamen, dit weder te vergoeden, daarom opdat niemand de algemeene
zaak zal helpen verliezen, om zijn eigen goed te behouden.
3. Is de oorlog voorbij gegaan, en zijn er sommige zoodanig verminkt,
dat zij niet langer werken kunnen, dan moet de gemeene gemeente hen
onderhouden, bij de feesten behooren zij vooraan te zitten, opdat de
jeugd hen zal eeren.
4. Zijn er weduwen en weezen gekomen, dan moet men haar ook
onderhouden, en de zonen mogen de namen hunner vaderen op hunne
schilden schrijven tot eere van hun geslacht.
5. Zijn er sommigen door den vijand gevangen genomen en komen zij
terug, dan moet men hen verre van het kamp wegvoeren, want zij mochten
vrij gelaten zijn onder kwade beloften, en dan mogen zij hunne beloften
niet houden en toch eerlijk blijven.
6. Indien wij zelve vijanden gevangen nemen, dan voere men die diep
in het land weg, en leert hen onze vrije zeden.
7. Indien men hen naderhand vrijlaat, dan laat men dat met goedheid
door de Maagden doen, opdat wij makkers en vrienden winnen in plaats
van haters en vijanden.