1. Alle vrijgeborenen zijn op gelijke wijze geboren. Daarom moeten
zij ook gelijke rechten hebben, even goed op het land als op het ee,
dat is water, en op alles dat Wralda geeft.
2. Elk manspersoon mag de vrouw zijner keuze vrijen, en elke dochter
mag haren heildrank aanbieden aan hem, dien zij bemint.
3. Heeft iemand eene vrouw genomen, dan geeft men hem huis en werf. Is
er geen, dan moet het gebouwd worden.
4. Is hij naar een ander dorp gegaan, om eene vrouw en wil hij daar
blijven, dan moet men hem aldaar een huis en werf geven, benevens
het genot van de hemrik.
5. Aan ieder manspersoon moet men een achterdeel als werf bij zijn
huis geven: want niemand mag een voordeel bij zijn huis hebben, veel
min een ronddeel. Alleen wanneer iemand eene daad verricht heeft tot
gemeenen nutte, dan mag hem dat gegeven worden. Ook mag zijn jongste
zoon dat erven. Na dezen moet het dorp dat terugnemen.
6. Elk dorp zal een hemrik hebben naar zijne behoefte en de graaf zal
hoeden dat elk zijn deel bemest en goed houdt, opdat de nakomelingen
geene schade lijden mogen.
7. Elk dorp mag eene markt hebben ter koop en verkoop, of tot
ruilhandel, Al het andere land zal bouw en bosch blijven. Doch de
boomen daarin zal niemand vellen, buiten gemeene raad, en buiten
weten van den woudgraaf. Want de wouden zijn ten gemeenen nutte,
daarom mag niemand er meester van zijn.
8. Als marktgeld mag het dorp niet meer nemen dan het twaalfde
gedeelte van den koopschat, noch van de inwoners, noch van den
verafwonenden. Ook mag de marktschatting niet eerder verkocht worden
als het andere goed.
9. Al het marktgeld moet jaarlijks verdeeld worden, drie dagen voor
den Juuldag, in honderd deelen te verdeelen.
10. De grevetman met zijne graven zal daarvan ontvangen twintig
deelen; de marktrechter tien deelen en zijne helpers vijf deelen;
de volksmoeder een deel; de vroedvrouw vier deelen; het dorp tien
deelen; de armen, dat zijn die welke niet werken kunnen of mogen,
vijftig deelen.
11. Degene die te markt komen mogen niet woekeren. Komen er sommige,
dan is het de plicht der maagden, hen kenbaar te maken over het geheele
land, opdat zij nimmer gekozen worden tot eenig ambt, want zulke hebben
een gierig hart. Om rijkdom te vergaderen zouden zij alles verraden,
het volk, de Moeder, hunne nabestaanden en ten laatsten zich zelven.
12. Is er iemand zoo boos dat hij zuchtziek vee of bedorven waar voor
heel goed verkoopt, dan moet de marktrechter hem weren en de maagden
hem noemen over het geheele land.
In vroegere tijden huisde Findas volk meest al te gader over hun
moeders geboorteland, met name Aldland, dat nu in zee ligt. Zij
waren dus ver af. Daarom hadden wij ook geen oorlog. Toen zij
verdreven zijn en herwaarts kwamen om te rooven, toen kwam er van
zelf landverdediging, heermannen, koningen en oorlog. Voor die alle
kwamen inzettingen, en uit de inzettingen kwamen wetten.