8. Ieder mag drie honderd jonge burgtverdedigers hebben.

9. Voor deze diensten zullen zij Fryas tex leeren en de wetten, van

de wijze mannen de wijsheid, van de oude heermannen de kunst van den

oorlog, en van de zeekoningen de kundigheden die bij het buitenvaren

noodig zijn.

10. Van deze verdedigers zullen jaarlijks honderd naar huis keeren;

doch zijn er sommigen verlamd geworden, dan mogen zij op de burgten

blijven hun geheele leven lang.

11. Bij het kiezen van de verdedigers mag niemand van de burgt eene

stem hebben, noch de Grevetmannen, of andere opperhoofden, maar enkel

het volk alleen.

12. De Moeder te Texland zal men geven driemaal zeven flinke boden,

met driemaal twaalf rappe paarden. Op de andere burgten elk burgtmaagd

drie boden met zeven paarden.

15. Ook zal iedere burgt hebben vijftig (land) bouwers, door het

volk verkozen, maar daartoe mag men slechts zulken geven, die niet

geschikt en sterk voor de krijgsdienst, noch voor buitenvaarders zijn.

14. Iedere burgt moet in haar eigen onderhoud voorzien en geneeren

zich van haar eigen ronddeel en van het deel, dat zij van het markgeld

ontvangt.

15. Is er iemand gekozen om op de burgten te dienen en wil hij niet,

dan mag hij naderhand geen burgtheer worden, en dus nooit een stem

hebben. Is hij reeds burgtheer, dan zal hij die eer verliezen.

16. Bijaldien iemand raad begeert van de Moeder, of van eene

burgtmaagd, dan moet hij zich melden bij den schrijver. Deze brengt

hem bij den burgtmeester. Vervolgens moet hij naar den leetse, dat is

naar den heelmeester, die moet zien of hij ook bezocht is van kwade

tochten. Is hij goedgekeurd, dan ontdoet hij zich van zijne wapenen

en zeven krijgslieden brengen hem bij de Moeder.

17. Is de zaak over ééne state, dan mogen er niet minder dan drie

boden komen. Betreft zij het geheele Friesland, dan moeten er nog

driemaal zeven getuigen bij wezen, daarom, omdat er geen kwaad

vermoeden oprijze moge, noch bedrog gepleegd worde.

18. Bij alle zaken moet de Moeder zorgen en hoeden dat hare kinderen,

dat is Fryas volk, zoo maatrijk blijven, als het wezen kan, dat is

de grootste van hare plichten, en ons aller (plicht is het) om haar

daar in te helpen.

19. Heeft men haar bij eene gerechtelijke zaak ingeroepen om uitspraak

te doen tusschen een Grevetman en de gemeente, en vindt zij de zaak

twijfelachtig, zoo moet zij ten bate der gemeente spreken, opdat

er vrede kome, en omdat het beter is dat aan één man onrecht gedaan

wordt dan aan velen.

20. Komt iemand om raad en weet de Moeder raad, zoo behoort zij op

het oogenblik dien te geven. Weet zij op het oogenblik geen raad,

dan mag zij zeven dagen laten wachten. Weet zij dan nog geen raad,

dan mogen zij henen gaan en zij mogen zich niet beklagen, omdat geen

raad beter is dan een verkeerde raad.

21. Heeft eene Moeder slechte raad gegeven uit kwaadwilligheid, dan

moet men haar dooden, of uit het land drijven geheel naakt en bloot.

Thet Oera Linda Bok, Naar een Handschrift uit de Dertiende Eeuw · 第 13 / 118 题