9. Voor deze diensten zullen zij Fryas tex leeren en de wetten, van
de wijze mannen de wijsheid, van de oude heermannen de kunst van den
oorlog, en van de zeekoningen de kundigheden die bij het buitenvaren
noodig zijn.
10. Van deze verdedigers zullen jaarlijks honderd naar huis keeren;
doch zijn er sommigen verlamd geworden, dan mogen zij op de burgten
blijven hun geheele leven lang.
11. Bij het kiezen van de verdedigers mag niemand van de burgt eene
stem hebben, noch de Grevetmannen, of andere opperhoofden, maar enkel
het volk alleen.
12. De Moeder te Texland zal men geven driemaal zeven flinke boden,
met driemaal twaalf rappe paarden. Op de andere burgten elk burgtmaagd
drie boden met zeven paarden.
15. Ook zal iedere burgt hebben vijftig (land) bouwers, door het
volk verkozen, maar daartoe mag men slechts zulken geven, die niet
geschikt en sterk voor de krijgsdienst, noch voor buitenvaarders zijn.
14. Iedere burgt moet in haar eigen onderhoud voorzien en geneeren
zich van haar eigen ronddeel en van het deel, dat zij van het markgeld
ontvangt.
15. Is er iemand gekozen om op de burgten te dienen en wil hij niet,
dan mag hij naderhand geen burgtheer worden, en dus nooit een stem
hebben. Is hij reeds burgtheer, dan zal hij die eer verliezen.
16. Bijaldien iemand raad begeert van de Moeder, of van eene
burgtmaagd, dan moet hij zich melden bij den schrijver. Deze brengt
hem bij den burgtmeester. Vervolgens moet hij naar den leetse, dat is
naar den heelmeester, die moet zien of hij ook bezocht is van kwade
tochten. Is hij goedgekeurd, dan ontdoet hij zich van zijne wapenen
en zeven krijgslieden brengen hem bij de Moeder.
17. Is de zaak over ééne state, dan mogen er niet minder dan drie
boden komen. Betreft zij het geheele Friesland, dan moeten er nog
driemaal zeven getuigen bij wezen, daarom, omdat er geen kwaad
vermoeden oprijze moge, noch bedrog gepleegd worde.
18. Bij alle zaken moet de Moeder zorgen en hoeden dat hare kinderen,
dat is Fryas volk, zoo maatrijk blijven, als het wezen kan, dat is
de grootste van hare plichten, en ons aller (plicht is het) om haar
daar in te helpen.
19. Heeft men haar bij eene gerechtelijke zaak ingeroepen om uitspraak
te doen tusschen een Grevetman en de gemeente, en vindt zij de zaak
twijfelachtig, zoo moet zij ten bate der gemeente spreken, opdat
er vrede kome, en omdat het beter is dat aan één man onrecht gedaan
wordt dan aan velen.
20. Komt iemand om raad en weet de Moeder raad, zoo behoort zij op
het oogenblik dien te geven. Weet zij op het oogenblik geen raad,
dan mag zij zeven dagen laten wachten. Weet zij dan nog geen raad,
dan mogen zij henen gaan en zij mogen zich niet beklagen, omdat geen
raad beter is dan een verkeerde raad.
21. Heeft eene Moeder slechte raad gegeven uit kwaadwilligheid, dan
moet men haar dooden, of uit het land drijven geheel naakt en bloot.