HET BOEK VAN ADELA'S AANHANGERS.

Dertig jaren na den dag, waarop de volksmoeder omgebracht was,

door den overste Magy, stond het er erg aan toe. Alle Staten, die

er liggen aan de andere zijde der Weser, waren van ons afgescheurd

en onder het geweld des Magy gekomen; en het stond te vreezen,

dat hij geweldig zoude worden over het geheele land. Om dat ongeluk

te weeren, had men eene algemeene volksvergadering belegd, alwaar

vergaderd waren alle manspersonen, die in een goeden roep stonden bij

de maagden (priesteressen). Doch nadat er meer verloopen waren dan drie

etmalen, was de geheele Go-raad in de war, en alles even als bij hunne

komst. Toen ten laatste vroeg Adela het woord, en sprak: Gij allen

weet, dat ik drie jaren burgtmaagd geweest ben; ook weet gij, dat ik

gekozen ben tot volksmoeder en dat ik niet volksmoeder wezen wilde,

omdat ik Apol tot mijn echtgenoot begeerde. Doch wat gij niet weet,

dat is, dat ik alle gebeurtenissen nagegaan heb, evenals of ik een

wezenlijke volksmoeder was geweest. Ik heb gestadig heen en weder

gereisd, toeziende wat er gebeurde. Daardoor zijn mij veele zaken

openbaar geworden, die anderen niet weten. Gij hebt gisteren gezegd,

dat onze stamverwanten aan de andere zijde der Wezer tam en laf waren;

doch ik mag tot u zeggen, dat de Magy hun niet één dorp afgewonnen

heeft door het geweld zijner wapenen, maar bloot door arglistige

ranken en nog meer door de hebzucht der hertogen en edelingen. Frya

heeft gezegd: wij moesten geene onvrije lieden bij ons toelaten;

doch wat hebben zij gedaan? Zij hebben onze vijanden nagevolgd;

want in plaats van hunne gevangenen te dooden of vrij te laten,

hebben zij Fryas raad veracht en hen tot hunne slaven gemaakt. Omdat

zij zulks deden, had Frya geene lust meer langer over hen te waken;

zij hebben eens anders vrijheid benomen, en dat is oorzaak, dat zij

hunne eigene verloren hebben. Doch dat alles is u zelven ook bekend;

maar ik wil tot u zeggen, hoe zij allengs zoo laag verzeild zijn. De

vrouwen der Finnen kregen kinderen; deze groeiden op met onze vrije

kinderen. Somtijds dartelden en joelden zij te zamen op het hiem, of

zij waren met elkander bij den haard. Daar hoorden zij met welgevallen

naar de losbandige sagen der Finnen, omdat die slecht en nieuw

waren. Zoo zijn zij ontfriesd ondanks de macht hunner ouders. Toen

de kinderen groot werden en zagen dat de kinderen der Finnen geene

wapenen mochten hanteeren en slechts moesten werken, kregen zij van

het werken een afkeer en werden zeer hoogmoedig. De meesters en hunne

kloekste zoonen kropen bij de wulpsche meisjes der Finnen; en hunne

eigene dochteren, door het slechte voorbeeld van den weg gebracht,

lieten zich door de schoonste knapen der Finnen begorden, ten spot van

hare verdorvene ouders. Toen de Magy dat in de neus kreeg, toen nam hij

de schoonste zijner Finnen en Magyaren, en beloofde hun roode koeijen

met gouden hoornen, zoo zij zich door ons volk lieten gevangen nemen,

ten einde zijne leer te verbreiden. Maar zijne lieden deden meer;

kinderen werden te zoek gemaakt, naar de bovenlanden weggevoerd,

en nadat zij opgevoed waren in zijne verderfelijke leer, dan werden

zij terug gezonden. Toen de schijn-slaven onze taal machtig waren,

klampten zij de Hertogen en Edelingen aan boord en zeiden, dat zij

den Magy onderhoorig moesten worden, dan konden hunne zoonen hen

opvolgen zonder door het volk gekozen te worden. Diegenen, die om

hunne goede daden een vóórdeel tot hun huis gekregen hadden, beloofden

zij van zijnentwege ook nog een achterdeel er bij; zulken die een

voor- en achterdeel gekregen hadden, zeiden zij een ronddeel toe;

en die een ronddeel hadden eene geheele State. Waren de ouders te

hard Fryasgezind, dan wenden zij den boeg en hielden aan op hunne

verbasterde zoonen. Gisteren waren er onder u, die al het volk te

hoop roepen wilden om de oostelijke Staten weder tot hare plicht

te dwingen. Doch naar mijne eenvoudige meening zou dat verkeerd

uitkomen. Denk eens, daar was er eene hevige longziekte onder het vee,

en dat die daar nog erg woedde, zoudt gij het dan wel wagen om uw

gezonde vee te voeren onder hun ziek vee? Immers neen. Bijaldien nu

iedereen beamen en toestemmen moet, dat het dan met de (vee)stapel

erg afloopen zoude; wie zoude dan zoo onvoorzichtig wezen om zijne

kinderen te wagen onder een volk, dat geheel en al verdorven is?

Mocht ik u een raad geven, ik zoude tot u zeggen, gij moest voor alle

dingen eene nieuwe volksmoeder kiezen. Ik weet wel dat gij daarmede

aan den grond zit, uithoofde dat er van de dertien burgtmaagden,

die wij nog overig hebben, wel acht zijn, die naar die eere dingen,

maar daar zoude ik geen acht op slaan. Teuntia, die maagd is op de

burgt Medeasblik, heeft er nooit naar getaald, en toch is zij iemand

van wetenschap en helder inzicht en wel zoo sterk op haar volk en

onze gewoonten gesteld, als alle andere te zamen. Voorts zoude ik

aanraden, gij moest naar de burgten gaan en daar opschrijven alle

wetten van Fryas tex, benevens alle geschiedenissen, ja alles wat

er te vinden is op de wanden, opdat die alle niet verloren gaan,

en met de burgten tevens niet worde vernield. Daar staat geschreven:

De moeder en elke burgtmaagd zal hebben buiten helpers en zendboden,

eenentwintig maagden en zeven leermeisjes. Mocht ik daar wat bijvoegen,

dan zoude ik schrijven, en alzoo veele eerzame dochteren om te leeren,

als daar op de burgten wezen mogen. Want ik zeg in trouwe en de tijd

zal het bevestigen, bijaldien gij echte Fryas kinderen wilt zijn,

nimmer te overwinnen noch door list noch door wapenen, zoo behoort gij

er voor te waken, dat uwe dochters echte Fryas vrouwen worden. Den

kinderen moet men leeren, hoe groot ons land weleer geweest is,

hoe groote mannen onze voorvaderen waren, hoe groot wij nog zijn,

zoo wij ons neder liggen (vergelijken) bij anderen: men moet hun

vertellen van de zeehelden en van hunne heldhaftige daden, ook over

de verre zeetochten. Alle deze verhalen behooren gedaan te worden bij

den haard, op het hiem, en waar het wezen moge, zoo in blijdschap,

als bij tranen. Maar zal het standhoudend komen in het brein en in

het hart, dan moeten alle leeringen over de lippen uwer vrouwen en

dochteren daarin vloeijen. Adelas raad is opgevolgd.

Deze zijn de grevetmannen onder wier bestuur dit boek is vervaardigd.

Apol, Adelas man, driewerf is hij zeekoning geweest, nu is hij

grevetman over Oostflyland en over de Lindeoorden, de burgten

Liudgarda, Lindahem en Stavia zijn onder zijne hoede.

De Saxman Storo, Sytias man, grevetman over de Hoogefennen en Wouden,

negenwerf is hij tot hertog dat is tot heerman gekozen; de burgten

Buda en Manna-garda-forda zijn onder zijne hoede.

Abelo, Jaltias man, grevetman over de Zuiderflylanden, driewerf is

hij heerman geweest, de burgten Aken, Liudburg en Katsburg zijn onder

zijne hoede.

Enoch, Dywekes man, grevetman over Westflyland en Texel, negenmaal is

hij tot zeekoning gekozen, Waraburg, Medeasblik, Forana en Fryasburg

zijn onder zijne hoede.

Foppe, de man van Dunroos, grevetman over de Zeven eilanden, vijf maal

is hij zeekoning geweest, de burgt Walhallagara is onder zijne hoede.

Dit stond op de wanden der Fryasburg te Texland geschreven, dat staat

ook te Stavia, ook te Medeasblik.

Het was Fryasdag en te dier tijd was het zeven maal zeven jaren

geleden, dat Festa was aangesteld als volksmoeder, naar Fryas

begeerte. De burgt Medeasblik was gereed en eene maagd was gekozen. Nu

zoude Festa hare nieuwe lamp opsteken, en toen dat gedaan was in

tegenwoordigheid van het volk, toen riep Frya van hare waakstar, zoodat

iedereen het hooren konde: Festa neem uwe stift en schrijf de dingen,

die ik niet zeggen mocht. Festa deed alzoo als haar geboden was. Zoo

zijn wij Fryas kinderen aan onze vroegste geschiedenis gekomen.

Dit is onze vroegste geschiedenis.

Wralda, die alleen goed en eeuwig is maakte den aanvang, alsdan kwam

de tijd, de tijd wrochte alle dingen, en ook de aarde, de aarde baarde

alle gras, kruiden en boomen, al het liefelijk gedierte en al het

booze gedierte. Alles wat goed en liefelijk is, bragt zij bij dag

voort, en alles wat boos en kwaad is, bragt zij bij nacht voort. Na

het twaalfde Juulfeest bragt zij voort drie maagden:

Lyda uit gloeijende stof,

Thet Oera Linda Bok, Naar een Handschrift uit de Dertiende Eeuw · 第 7 / 118 题