Frya uit warme stof.
Toen deze te voorschijn kwamen, spijsde Wralda haar met zijnen adem,
opdat de menschen aan hem zouden gebonden wezen. Zoodra zij volwassen
waren, kregen zij vermaak en genoegen in de droomen van Wralda. Haat
trad tot haar binnen. En nu baarden zij elk twaalf zonen en twaalf
dochteren, elke juultijd een paar. Daarvan zijn alle menschen gekomen.
Lyda was zwart, met krullend haar als de lammeren, gelijk starren
fonkelden hare oogen, ja de blikken des grijpvogels waren vreesachtig
bij de hare.
Scherpe Lyda. Een slang kon ze kruipen hooren, en wanneer er visschen
in het water waren, ontging dat hare neusgaten niet.
Snelgebouwde Lyda. Een sterken boom kon zij buigen, en wanneer zij
liep brak geen bloemstengel onder hare voet.
Geweldige Lyda. Hard was hare stem, en schreeuwde zij uit verbittering,
dan liep ieder schielijk weg.
Wondervolle Lyda. Van wetten wilde zij niet weten; hare daden werden
door hare driften bestuurd; om de zwakken te helpen, doodde zij de
sterken, en wanneer zij dat gedaan had, weende zij bij het lijk.
Arme Lyda. Zij werd grijs van het dwaze gedrag, en ten laatste stierf
zij van hartseer over de boosheid harer kinderen.
Onverstandige Kinderen. Zij betichteden elkander van hunne moeders
dood, zij huilden als wolven en vochten evenzoo, en terwijl zij zoo
deden, vraten de vogels aan het lijk. Wie mag daarbij zijne tranen
weerhouden.
Finda was geel en hare haren gelijk de manen van een paard; een boom
kon zij niet buigen, maar waar Lyda een leeuw doodde, doodde zij
wel tien.
Verleidelijke Finda, zoet was haar stem en geen vogel kon zingen gelijk
zij, hare oogen lokten en lonkten, maar die er inzag werd een slaaf.
Onredelijke Finda. Zij schreef duizende wetten, doch zij volgde er
niet eene van op. Zij verfoeide de goeden wegens hunne vrijmoedigheid,
maar aan flikflooisters gaf zij bijna haar zelve weg. Dat was haar
ongeluk. Haar hoofd was te vol, doch haar hart te ijdel. Zij beminde
niemand dan haar zelve, en zij wilde dat elk haar lief zoude hebben.
Valsche Finda. Honingzoet waren hare woorden; doch wie haar vertrouwde,
dien was ongeluk nabij.
Zelfzuchtige Finda, Over allen wilde zij heerschen, en hare zoonen
waren gelijk zij. Zij lieten zich bedienen van hunne zusteren, en
elkander sloegen zij om het meesterschap dood.
Dubbelhartige Finda. Om een schuins woord werd zij gram, en de ergste
daden roerden haar niet. Zag zij een hagedis eene spin verslinden,
dan werd zij om het hart als ijs; maar zag zij hare kinderen een
Fries vermoorden, dan zwol haar boezem van genoegen.
Ongelukkige Finda. Zij stierf in den bloeitijd van haar leven, en
het is nog duister hoe zij gevallen is.
Schijnheilige kinderen. Onder een kostelijk gesteente legden zij
haar lijk neder. Met hoogdravende opschriften smukten zij dat op,
luid weenende om gehoord te worden, maar in stilte weenden zij niet
een eenige traan.
Verfoeijelijk volk. De tex (inzetting), die Finda naliet, was op
gouden bladen geschreven, doch de besten, waarvoor zij gemaakt was,
was zij nimmer tot nut; de goede wetten werden uitgewischt en zelfzucht
schreef daar slechte voor in de plaats. O Finda, toen werd de aarde
vol bloed, en de hoofden der menschen maaiden uwe kinderen af gelijk
grashalmen. Ja Finda, dat zijn de vruchten van uwe ijdelheid, zie
neer van uwe waakstar en ween.
Frya was wit gelijk de sneeuw bij het morgenrood, en het blaauw harer
oogen won het de regenboog af.
Schoone Frya. Als stralen der middagzon schitterden hare haarlokken,
die zoo fijn waren als spinrag.
Bekwame Frya. Ontsloten zich hare lippen, dan zwegen de vogelen en
geen bladeren bewogen zich meer.
Geweldige Frya. Door de kracht harer blikken streek de leeuw voor
hare voeten neder, en hield de adder zijn gift terug.
Reine Frya. Hare spijs was honing en haar drank dauw, vergaderd in
de boesem der bloemen.
Verstandige Frya. Het eerste wat zij hare kinderen leerde was
zelfbeheersching, het tweede was liefde tot de deugd, en toen zij
volwassen waren, leerde zij hun de waarde van de vrijheid kennen. Want,
zeide zij, zonder vrijheid zijn alle andere deugden alleen goed om
u tot slaven te maken, uwe afkomst tot eene eeuwige schande.
Milde Frya. Nimmer liet zij metaal uit de aarde delven om eigen
voordeel, maar wanneer zij het deed, was het tot nut van iedereen.
Gelukkigste Frya. Gelijk de sterren de aarde omzwermen, zoo zwermden
hare kinderen om haar.
Wijze Frya. Toen zij hare kinderen had opgevoed tot in het zevende
lid, toen riep zij ze alle naar Flyland te zamen. Daar gaf zij hun
hare tex, en zeide laat die uw wegwijzer wezen, dan zal het u nimmer
kwalijk gaan.
Uitverkoren Frya. Toen zij dit gezegd had, beefde de aarde, als Wraldas
zee. Flylands bodem zonk allengs onder hare voeten neder, de lucht werd
zwart en geelgroen van tranen te storten, en toen zij naar hunne moeder
omzagen, was zij al lang opgerezen tot hare waakstar. Toen ten laatste
sprak donder uit de wolken en bliksem schreef aan het luchtruim: waak!
Verziende Frya. Het land van waar zij was opgevaren, was nu een stroom,
en behalve hare tex was daarin alles bedolven, wat van hare handen
gekomen was.
Gehoorzame kinderen. Toen zij tot hun zelven kwamen, toen maakten zij
dit hooge terp, bouwden deze burgt daarop, aan diens wanden schreven
zij de tex, en omdat iedereen die zoude mogen vinden, hebben zij het
land daarom heen Texland geheeten. Daarom zal het blijven bestaan,
zoo lang de aarde aarde is.